Recensie: De eenzaamheid van een regiment soldaten

30 maart 2013 , door Karlijn de Winter
| | |

Met zijn 25 jaar was Paolo Giordano de jongste winnaar ooit van de Premio Strega, voor zijn debuutroman De eenzaamheid van de priemgetallen (La solitudine dei numeri primi, 2008). Was dat boek, over een vriendschap tussen een anorexiapatiënte en een hoogbegaafde jongen, al gevoelig, intelligent, vlot én een succes, met zijn tweede roman Het menselijk lichaam (Il corpo umano, vertaald door Mieke Geuzebroek en Pietha Voogd) gaat Giordano een stap verder. Nu beschrijft hij een regiment soldaten in Afghanistan. Daarmee bevestigt hij dat hij meer dan een eendagsvlieg is. Door karlijn de winter.

Stoere praat

Het boek start met een herkenbaar patroon: twee mensen, twee mannen dit keer, die iets met elkaar delen maar moeite hebben erover te praten. De mannen zijn een luitenant en een adjudant die elkaar na lange tijd voor het eerst weer ontmoeten. Wat ze delen zijn hun ervaringen in Afghanistan, waar ze de meest ingrijpende periode van hun leven met elkaar hebben doorgebracht. Het menselijk lichaam gaat terug naar die missie.

Zodra het verhaal naar Afghanistan is verschoven, komen er personages bij. De namen stapelen zich op: René, Egitto, Ietri, Camporesi, Mitrano, Cederna… Het zijn allemaal soldaten van hetzelfde regiment, die gevestigd zijn op een basis in Gulistan waar ze zich het grootste deel van de dag vervelen. Ze doen schietoefeningen, praten over vrouwen en treiteren elkaar. Het is vooral veel stoere praat van jongens die nauwelijks uit elkaar te houden zijn. Je vraagt je af: overspeelt Giordano hand niet met zo veel personages zijn?

Maar van binnen…

Algauw merk je echter dat achter de façade van stoerdoenerij eenzaamheid en vertwijfeling schuilgaan. Zo is er Ietri, een van de pispaaltjes van de soldaten en de jongste van de groep, die de bespottelijke bijnaam ‘Maagdelijn’ moet dragen omdat hij nog nooit een vriendinnetje heeft gehad. Hij is het ook die het in zijn broek doet als hij, bij de eerste operatie waarvoor de jongens worden uitgezonden, de opdracht krijgt een deur in te trappen:

‘“Langzaam en diep ademhalen, oké? Dat is het enige wat je moet doen: ademhalen. Dat is het enige waar je mee bezig moet zijn. Het gaat allemaal goed. Tel tot vijf en adem door. Trap die klotedeur in en spring opzij. Ik geef je dekking. Begrepen, Roberto?”
Ietri knikt. En zijn laatste gedachte dan? En zijn moeder? De pot op met zijn moeder.
“Doorademen, Roberto.”
Eén.
Hoe gaat zoiets? Komt eerst het geluid van de knal of eerst de kogel?’

De onzekerheid die veel van de jongens in hun greep houdt, weet Giordano heel precies bloot te leggen. Herinneringen aan het verleden van de jongens in Italië en allerlei tegenstrijdige gedachten wisselen elkaar af; ze hebben weinig zekerheden om zich aan vast te houden. Een anonieme groep soldaten verandert op die manier steeds meer in afzonderlijke individuen met eigen gevoelens en gedachten en een eigen geschiedenis.

Onder vuur

Het boek bereikt zijn hoogtepunt bij de volgende operatie die de jongens moeten uitvoeren, en waarvoor ze meerdere dagen de vertrouwde basis moeten verlaten. Ze komen onder vuur te liggen, het uiterste wordt van ze gevraagd. Niet alleen fysiek, maar ook mentaal: voor gevoelens is er geen plek meer.

‘Van nu af aan, bedenkt hij, is hij geen menselijk wezen meer. Hij is veranderd in iets abstracts, één grote hoop pure alertheid, pure reactie en geduld.’

Er is inderdaad niet veel menselijks meer aan, als je leest hoe de lichamen van jongens uiteengereten worden door granaten en als de overlevenden op de automatische piloot aan het schieten slaan. Maar paradoxaal genoeg laat het verhaal ook hier nog steeds de menselijke kant van de gebeurtenissen zien: de schuldgevoelens bij de overlevenden, de terneergeslagen houding van jongens die de dood in de ogen hebben gekeken en de levenswijsheid – of totale verwarring – waarmee ze na afloop hun oude leventje in Italië weer oppakken.

In Het menselijk lichaam heeft Giordano een harde mannenwereld zichtbaar gemaakt. Niet alleen van de buitenkant, niet alleen de daden, maar vooral ook de emoties die erbij opspelen. De soldaten leken wel  zo stoer, van binnen blijken ze angstig en eenzaam. En in eerste instantie leken ze dan wel allemaal op elkaar, naarmate de roman vordert  krijgen ze elk een eigen gezicht. Een ambitieuze missie waar Giordano wonderwel in is geslaagd. 

Karlijn de Winter studeerde communicatie- en informatiewetenschappen aan de VU te Amsterdam en Italiaanse taal en cultuur aan de Universiteit Utrecht. Op dit moment werkt ze als freelance tekstschrijver. Daarnaast is ze hoofdredacteur van Recensieweb.nl.

MINDBOOKSATH : athenaeum