Recensie: Dichterlijke vrijheden in de wetenschap

30 november 2015 , door Gemma Venhuizen
| | | | |

Het nieuwste nummer van De Gids, ‘Bakens en dwaallichten’, handelt over wetenschappelijke integriteit. Aan de hand van enkele academische helden en schurken richt het literaire tijdschrift zich op de vraag of (en hoe ver) je binnen de wetenschap van de gebaande paden mag afwijken. Het resultaat is een geslaagde verzameling historische en literaire teksten over feiten en verzinsels, helden en zondebokken. Zijn de bakens niet te degelijk om te kunnen prikkelen? Spreken de dwaallichten, de fantasten die van het rechte pad afwijken, niet meer tot onze verbeelding? Door gemma venhuizen.

Droogstoppels en vakidioten

De waarheid liegen: Simon Carmiggelt deed het naar eigen zeggen, Martinus Nijhoff eveneens. En met hen vele andere auteurs. Uit woorden een nieuwe werkelijkheid scheppen is immers de kern van fictie. Romans vormen een vrijbrief om erop los te fantaseren, om te liegen zonder als 'schuldige' te worden bestempeld. Van die mogelijkheid maken romanciers zelfs te weinig gebruik, betoogde de jury van de Libris Literatuurprijs dit jaar: te vaak putten auteurs inspiratie uit hun eigen leven, in plaats van hun fantasie de vrije loop te laten. 'De roman,’ parafraseerden de juryleden Milan Kundera, ‘onderzoekt niet de werkelijkheid, maar het bestaan.' En dat bestaan is juist niet ‘wat er gebeurd is, het bestaan is het hele scala van menselijke mogelijkheden, van alles wat de mens kan worden, van alles waartoe hij in staat is’. 

Hoe anders is dat in de wetenschap. Daar wordt juist continu gestreefd naar het vinden van waterdichte waarheden, naar een objectief vast te stellen werkelijkheid. Een wetenschapper die dat streven naast zich neerlegt, wordt aan de schandpaal genageld, zo bleek onlangs nog uit de affaire-Stapel.

In het licht van alle academische reuring besloot literair tijdschrift De Gids het meest recente nummer aan integriteit in de wetenschap te wijden. Want wat als wetenschappers zich teveel dichterlijke vrijheden gaan permitteren? Als ze liegen of het gedrukt staat? 'Bakens en dwaallichten' luidt de insteek die De Gids voor het themanummer heeft gekozen: wetenschappers die niet volgens het boekje te werk zijn gegaan en daardoor ofwel worden opgehemeld, ofwel worden verguisd. De helden en de schurken van de wetenschap, kortom. Een interessante invalshoek, want juist academici staan doorgaans niet bekend om hun sprankelende imago. In de wetenschappelijke wereld draait het niet om de onderzoekers maar om het onderzoek en ook in de literatuur schoppen ze het vrijwel nooit tot hoofdpersoon; eerder worden ze afgeschilderd als droogstoppels en kneuterige vakidioten (denk aan Hermans' Onder professoren).

Het morele optreden van wetenschappers

De Gids opent met diverse lofzangen op twee 'bakens': de Amsterdamse oud-De Gids-redacteur en antrobioloog Arie de Froe (1907 - 1992) en de Leidse jurist Rudolph Cleveringa (1894 - 1980). Beiden verzetten zich in de Tweede Wereldoorlog tegen de Duitsers. In de openingsbijdrage van De Gids doet Jaap Cohen uit de doeken hoe De Froe onderzoeksgegevens manipuleerde in een poging om een omvangrijke groep Portugese (Sefardische) joden te redden. Hij voerde bij de Portugezen schedelmetingen uit om te bewijzen dat ze weldegelijk verschilden van de Hoogduitse joden - en poogde ze op die manier te behoeden voor etnische zuivering. Uiteindelijk besloten de Duitsers alsnog tot deportatie van de Sefardische joden over te gaan en bleken de inspanningen van De Froe tevergeefs. Toch had hij zijn wetenschappelijke positie ingezet voor de goede zaak, betoogt Cohen. In een tweede bijdrage roemt ook Hans Ulrich Jessurun d'Oliveira de inspanningen van De Froe.

In zijn stuk 'De schaal van Cleveringa' beschrijft Maarten Asscher hoe Cleveringa tijdens en na de oorlog protesteerde tegen diverse misstanden – zo trok hij bijvoorbeeld fel van leer tegen het ontslag van enkele joodse collega-hoogleraren. Dit in tegenstelling tot zijn generatie- en vakgenoot Roland Freisler, die zich uitgesproken pro-Hitler gedroeg. Asscher pleit voor het invoeren van een zogenaamde Cleveringa-schaal: een graadmeter voor het morele optreden van juristen.

'Celsius […] nam de dooitemperatuur van ijs en het kookpunt van water en het verschil tussen die twee temperaturen deelde hij op in 100 graden. […] Op eenzelfde manier zou men bij wijze van gedachte-experiment de afstand tussen het nulpunt van Freisler en het hoogtepunt van Cleveringa in 100 graden kunnen opdelen.'

Een interessant voorstel, dat wellicht ook bruikbaar is voor het morele optreden van wetenschappers in het algemeen. Bakens als Arie de Froe zouden waarschijnlijk hoog scoren, terwijl zondebokken als Diederik Stapel ergens rond het nulpunt zouden bungelen.

Verzinsels en duimzuigerij

De bijdragen over de wetenschappelijke bakens zijn boeiend als biografische schets, maar maken het eerste gedeelte van De Gids eerder tot historisch tijdschrift dan literair periodiek. Wellicht zijn bakens nu eenmaal te degelijk om echt te kunnen prikkelen. Het dwaallicht roept daarentegen al direct een gevoel van spanning op. Van verleiding, van avontuur. In de literatuur spreken personages die van het rechte pad afwijken meer tot de verbeelding dan de brave hendriken.

In 'Bekentenissen van een ontmaskerde' van Jaap Bos staat een frauduleuze ik-figuur centraal. Als lezer word je meegevoerd in de gedachtewereld van de fictieve hoofdpersoon: door zijn ogen gezien blijkt de scheidslijn tussen feit en fictie, waarheid en leugen opeens

'De wetenschapper van nu is de tovenaar van vroeger, hij speelt met feiten zoals ooit priesters met goden speelden. Het enige verschil is dat goden niet bestaan en feiten wel.
[…] Ik heb geen feiten verzonnen, ik heb data verzonnen. Een subtiel maar wezenlijk verschil.
[…] Feiten zijn als was, die je eerst in een geschikte vorm moet kneden voordat je hem kunt gebruiken. En dat is waar je data laat spreken, opdat de feiten kleur krijgen en gewicht. De feiten, ik herhaal het nog eens, heb ik niet verzonnen: alles wat ik heb geschreven is waar.'

De ik-figuur uit het verhaal van Bos mag dan een wetenschapper van dubieus allooi zijn, hij blijkt wél een begenadigd verteller. En misschien is dat wat er automatisch gebeurt met wetenschappers die van hun voetstuk vallen: ze worden bestempeld als 'fantast', hun onderzoeksdata worden afgedaan als 'verzinsels'. In zijn stuk over De Froe refereert d'Oliveira en passant aan de 'duimzuigerij' van Stapel.

Fantast, verzinsels, duimzuigerij: stuk voor stuk termen die voor een fictieschrijver heel waardevol kunnen zijn – maar voor een wetenschapper zijn ze funest. 'Er bestaat in de maatschappij geen verbod om iets te verzinnen of om een verzonnen verhaal op te schrijven (fictie), maar in de wetenschap is het zelf verzinnen van onderzoeksgegevens een ernstige overtreding van de norm van verantwoord wetenschappelijk gedrag', schrijft Kees Schuyt in zijn beschouwing over wetenschappelijke integriteit.

Proefpikken

Misschien hebben wetenschappers die van hun voetstuk vallen wel gewoon een overschot aan fantasie. Dat Stapel is mislukt als wetenschapper, maakt hem nog niet meteen mislukt als mens. Of zoals Fenna Poletiek in haar bijdrage over de voormalig psychologiehoogleraar aankaart: hij is een 'jonge man met het soort charisma dat een universiteit graag inzet', hij is 'goed in personal management en heeft acteertalent'. Getuige enkele gematigd positieve recensies van Stapels boek Ontsporing [e-book] (onder andere op de website van Tilburg University en HP de Tijd) beschikt de man zelfs over enig schrijftalent. Wellicht was dat nog een leuk extraatje geweest voor dit nummer van De Gids: een kort verhaal door Stapel geschreven, om te zien of hij dankzij de door d'Oliveira genoemde duimzuigerij geschikt is als fictieschrijver.

Los daarvan is dit themanummer van De Gids zeker geslaagd. Ook buiten het dossier over wetenschappelijke integriteit zijn er enkele lezenswaardige bijdragen, zoals het kort verhaal 'Iedereen kan roeien' van de Deense schrijfster Pia Juul en een stukje over merels (ook op de site van De Gids gepubliceerd) van Nicolaas Matsier. 'Ik zag hoe de merel proefpikte in een tak van de klimhortensia. Het was duidelijk, de struik werd onderzocht op gezondheid en draagkracht. Hij of zij deed het een paar keer.'

Proefpikken. Dat klinkt als een prima manier om integere wetenschap te bedrijven.

Gemma Venhuizen is fysisch geograaf, wetenschapsjournalist en auteur van de roman Alle bessen kun je eten - alleen sommige maar een keer [e-book].

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum