Recensie: Een drenkeling aan zijn trui herkennen

30 november 2015 , door Esther Wils
| | |

Het is een flinke hit, het boek Visserstruien, toe aan zijn derde druk. Schipperstruien zijn nooit weggeweest – denk aan de onafscheidelijke (biologen?)dracht van Midas Dekkers en Maarten ’t Hart: blauwe trui met grote kraag en rits voor, of de blauw-witte Bretonse truien die sinds de vele varianten die Coco Chanel bedacht tot modieuze ‘must-have’ zijn geworden. Nu kunnen we dankzij Stella Ruhe en haar informanten ook exacte kopieën breien van de konings-, marine- of hemelsblauwe vissertruien zoals die een eeuw geleden door Nederlandse vissers zijn gedragen. Met mooie verhalen op de koop toe. Door esther wils.

The making of the visserstrui

Ooit droegen Nederlandse vissers kielen. Tot zij van de Engelsen het dragen van truien afkeken – oorspronkelijk werd gebreid goed alleen gebruikt als onderkleding: hemden en broeken, eventueel met lange mouwen. Het wekt verbazing maar de trui zoals wij die niet meer kunnen missen, en die net zo tijdloos lijkt als Prince Charles, dateert van eind negentiende eeuw. De Britten waren gespecialiseerd in de gladgebreide trui en produceerden die ook veel eerder dan de Nederlanders machinaal, leren wij van Stella Ruhe.

Maar voor het zover was breiden moeders, echtgenotes, zusters en dochters dag in dag uit aan de kunstig gedecoreerde exemplaren die hun motieven ontleenden aan zeer locale tradities – Nederland had voor de inpoldering en de aanleg van de Afsluitdijk en de Deltawerken meer dan 240 vissersplaatsen. Meisjes werden al op drie- a vierjarige leeftijd met de beginselen van het breien bekendgemaakt; op school vervolmaakten ze de kunst. Visserstruien toont aandoenlijke foto’s van klasjes poserend met breipennen, straatscènes van kletsend breiende meiden en volwassen vrouwen, immer ijverig bezig, zelfs op ontspannen momenten.

Eb, vloed en bliksemschichten

De truien werden aan één stuk gebreid, op een rondbreinaald of met vier naalden tegelijk. Het vergde dus behoorlijke rekenvaardigheid om de maat te bepalen; als het mis was moest je de hele trui uithalen. En het telpatroon van afwisselende steken en de eisen van de symmetrie maakten die som nog veel ingewikkelder. Ruhe demonstreert middels haar tekeningen hoe wij ook zelf vlaggetjes, visgraten, visnetten, kettingen, kabels, golven en godsogen kunnen fabriceren – zelfs eb en vloed werden in de breisels afgebeeld. En bliksemschichten, ook wel huwelijkslijnen genoemd, want ‘ook in een huwelijk kan het behoorlijk knetteren’.

Waarover zouden de schippersstellen gekibbeld hebben? Ze moesten elkaar zo veel missen dat er vaak zoet weerzien moet hebben geheerst in de huishoudens. Of waren de mondige schippersvrouwen de aanwezigheid van hun mannen ontwend? Die moeten bij terugkeer ook machtig hebben gestonken; er was aan boord weinig gelegenheid tot wassen en de truien zagen nooit sop: ‘Door het werk werden ze steeds vetter, glanzender en waterafstotender.’ Waarschijnlijk hebben de vrouwen zich ook verzet tegen het meenemen van de zoons; de jongens gingen al vroeg mee aan boord en onder andere omdat niemand kon zwemmen, kwamen er heel wat om in de golven.

Dorpspatronen

Wie Julian Barnes’ Pulse (Polsslag) heeft gelezen, kent het principe uit het verhaal 'Marriage Lines': soms kon zo’n schipbreukeling geïdentificeerd worden aan het patroon van zijn trui. En als hij die had en ze er nog aan zaten, worden begraven met het geld dat zijn oorringen waard waren. Patronen wijzen ook op de omzwervingen van de vissers, die soms buiten de eigen regio aan het werk gingen, bijvoorbeeld omdat de vloot van hun stad was gezonken: ‘De trui van Stellendam heeft een horizontale indeling met ribbels en een klein blokjesmotief. Stellendammers tref je ook aan op foto’s van plaatsen als Vlaardingen en Katwijk, waar ze aanmonsterden op de loggers die in Vlaardingen lagen.’

Visserstruien bestaat voor driekwart uit breipatronen – de truien van de Wadden, Stavoren, Durgerdam/Ransdorp, Wierum, Bruinisse en Brouwershaven, Middelharnis, Zwartewaal, Scheveningen en een heleboel andere vissersplaatsen zijn gereconstrueerd naar aanleiding van originelen uit maritieme musea en van foto’s, en nagebreid voor het gemak van de hedendaagse huisvlijt – en dat is misschien wat veel van het goede. Niemand zal meer dan een of twee van die vele truien uitkiezen om zelf of door moeders te laten breien, denk ik zo – ook de vissers bezaten er meestal maar twee, een zondagse en een doordeweekse. Maar het boek als geheel maakt het lief en leed, de folkloristische rijkdom en de ijver van de vissersgezinnen wel heel tastbaar, en legt anders verloren historisch erfgoed op een aantrekkelijke en bijzonder praktische manier vast.

Esther Wils is redacteur en redactiesecretaris van De Gids.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum