Recensie: Fragiel huis

30 november 2015 , door Joost de Vries
| | | | |

Later vandaag in De Groene Amsterdammer, nu al op Athenaeum.nl: Joost de Vries over het voor de Booker Prize genomineerde We hebben nieuwe namen nodig van NoViolet Bulawayo: 'Het is niet zo dat Bulawayo haar lezers een lesje wil leren, dat het Westen ook niet alles is, of dat de immigrant altijd een gevoel van thuis zal missen – ze vertelt alleen een invoelend verhaal over hoe fragiel dat nieuwe huis is, hoe moeilijk het is een nieuw leven aan te meten als je met je hoofd nog zo bij het oude bent.'

Athenaeum Boekhandel en De Groene Amsterdammer werken samen, bijvoorbeeld in boekverkoop en een gezamenlijke bijlage.

 

Een paar jaar terug sprak ik een zwarte vrouw die zojuist het toen pas verschenen, en heel erg gehypete, boek van Teju Cole had gelezen, Open City. Ze walgde ervan. Het was het verhaal van een zwarte arts die doelloos door de straten van New York wandelde, de mensen, de gebouwen, de cultuur van de stad in zich opnam. Daar ging het haar niet om: haar bezwaar zat in de taal van Cole, die duidelijk iets wilde zeggen over de black experience, over ras en discriminatie in de Verenigde Staten, maar zich bediende van een volledig ‘blank’ taalgebruik, met keurig-literaire verwijzingen naar de Renaissance, naar Gouden Eeuw-schilderijen en andere Europese cultuur. Het was het zwarte verhaal, vond ze, maar opgeschreven voor blanke lezers.

Het was een moeilijk gesprek, zoals de grote John Updike een moeilijk argument moest maken toen hij het werk van Toni Morrison besprak. Haar proza, schreef Updike, was geëxalteerd, haar verhalen vol kleine mythen en grote symbolen. Het was machtig kunstzinnig en literair, maar had het daardoor ook niet inmiddels heel weinig te maken met het rauwe verleden van slavernij en racisme waar haar boeken over gingen? Haar proza deed haar wegdrijven van haar onderwerp, en eigenlijk deed ze haar eigen strijd, om het harde heden en verleden van zwarte Amerikanen te vertellen, daarmee te kort.

NoViolet Bulawayo, geboren in Tsholotsho, een jaar nadat Zimbabwe onafhankelijk was geworden (1980), heeft haar eigen manier gevonden om deimmigrant experience in een (debuut)roman te gieten. We Need New Names, ofWe hebben nieuwe namen nodig, begint in Paradise, een sloppenwijk in Zimbabwe, waar de negenjarige Darling met haar vriendjes rondbanjert. Ze spelen het landenspel en ‘Vind Bin Laden’ (een soort verstoppertje), Bulawayo vult Darlings wereld met bijnamen en woordgrapjes. Ze vertelt haar zware ervaringen op een lichte toon. Met haar vrienden loopt Darling tegen een vrouw aan die zich in de bush heeft opgehangen – ‘De mond staat wijd open in een O, alsof de vrouw misschien net iets aan het zeggen was, en toen werd onderbroken.’ Ze is bang, ze wil wegrennen, maar zij en haar vriendjes doen het niet.

De stoere Bastard neemt het voortouw: ‘Zien jullie dan niet dat ze zich heeft opgehangen en dat ze nou dood is? Bastard pakt een steen op en gooit ermee. Hij raakt de vrouw tegen haar dij. Ik denk dat er iets zal gebeuren, maar er gebeurt niets, de vrouw beweegt niet, alleen haar jurk. Die wappert heel lichtjes in de wind, alsof een babyengel ermee aan het spelen is.’ Uiteindelijk rennen ze weg, niet uit angst maar omdat Bastard zegt te weten waar ze aan écht brood kunnen komen, ‘en dan lopen we sneller, dan rennen we, dan rennen we en lachen we. We lachen en lachen.’ Einde hoofdstuk.

Het is deze muzikale stijl (sterk vertaald, overigens) die Darlings gruwelijke ervaringen niet alleen exotisch maakt, maar ook dromerig, of impressionistisch. Op andere momenten zoekt Bulawayo het in watervallen van metaforen om verlichting te brengen, bijvoorbeeld wanneer Darlings vader terugkomt van weggeweest, ziek als een hond: ‘Zo mager, alsof hij spelden en ijzerdraad eet, zo mager dat ik hem eerst niet zie onder de dekens. Ik klim op het bed om een springtouw te pakken als hij zijn hoofd optilt en ik hem ineens zie. Hij is gewoon een zakje botten. Hij is ruwe huid. Hij is krokodillentanden en eiwitogen, zoals hij daar ligt te verdrinken op het bed. Op dat moment weet ik niet eens dat het vader is, dus ik ren naar buiten en schreeuw en schreeuw.’

Dat ‘zoals hij daar ligt te verdrinken op het bed’ vind ik sterk, dat ‘schreeuw en schreeuw’ (of ‘lachen en lachen’) wordt op den duur wat gemanieerd, maar na een tijd blijkt dat die stijl van Bulawayo een agenda heeft. Want ondertussen droomt Darling van Amerika, van ­‘DestroyedMichygen’ waar haar tante woont en zodra die droom uitkomt, is het opeens gedaan met die exotische, opulente stijl. Darlings zinnen worden kaler, rechttoe-rechtaan. Ze beschrijft de sms’jes en de autorijlessen en de kledingwinkels waar Darling met haar nieuwe vriendinnen komt en opeens is het alsof de magie uit de wereld is verdwenen, alsof een gekleurd spotje vervangen is door een tl-buis.

Het is niet zo dat Bulawayo haar lezers een lesje wil leren, dat het Westen ook niet alles is, of dat de immigrant altijd een gevoel van thuis zal missen – ze vertelt alleen een invoelend verhaal over hoe fragiel dat nieuwe huis is, hoe moeilijk het is een nieuw leven aan te meten als je met je hoofd nog zo bij het oude bent.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum