Recensie: Honende schoonheidskritiek en brave design-uitleg

30 november 2015 , door Pieter Hoexum
| | | | | |

Ook al hebben optimisten waarschijnlijk gelijk, of zouden ze dat in elk geval gelijk moeten hebben, de pessimisten, zwartkijkers, hypochonders, doemdenkers en andere negatievelingen zijn veel leuker om te lezen. Het lezen van Roger Scrutons Very Short Introduction Beauty is ook zo’n, wat je noemt, ‘heimelijk genoegen’, guilty pleasure.

pieter hoexum over juistheid en leesbaarheid, directheid en schoolsheid bij de zeer korte inleidingen op Beauty, Design en Art History.

N.B. Vrijdag 29 november, bij Spui25, zullen studenten of recent afgestudeerden hun gesproken VSI's presenteren: beperkt, kritisch en levendig. Er is nog plek. Vrijdag geen tijd? Alle VSI's zijn bij Athenaeum voortaan € 9,95. Sla uw slag.

Een aangenaam ongelijk

Teksten waarin kunst en cultuuruitingen heilig worden verklaard en de hemel ingeprezen, zijn meestal niet te lezen. Maar toen Gerrit Komrij op zoek ging naar ‘de drijfveren van de moderne kunstmarkt en van de terreur die design heet’, begonnen de ogen meteen te glimmen en krulden de mondhoeken als vanzelf omhoog: ha, dat wordt genieten! Zoals ooit Tom Wolfe hóónde hij al die humbug weg die rond moderne kunst, architectuur en design hangt. Oké, hij heeft dan wel ongelijk en je leest het soms met plaatsvervangende schaamte... maar ja, het is zo leuk om te lezen.

John Heskett heeft waarschijnlijk wel gelijk, als hij in zijn Very Short Introduction over Design schrijft:

‘Design, stripped to its essence, can be defined as the human capacity to shape and make our environment in ways without precedent in nature, to serve our needs and give meaning to our lives’.

Maar hoe juist het ook is, dat wil helaas nog niet zeggen dat het aangenaam leesvoer is, integendeel. Zoals zo vaak het geval is bij apologeten van kunst en cultuur, werken Hesketts grote woorden vooral op de lachspieren (design als zingeving?).

Universele schoonheid

In geval van Scruton hoeft het genoegen trouwens niet eens in het diepste geheim genoten te worden. Bij hem gaat het nog wel iets verder dan borrelpraat. En dat het wat gedateerd aan doet is wellicht helemaal geen probleem, maar integendeel een voordeel: Scruton speelt een deftige filosoof en kunstliefhebber – zijn boeken zijn een soort Downton Abbey voor filosofen.

Om precies te zijn trekt Scruton in dit boek(je) het kostuum van Immanuel Kant aan: ‘Schoonheid, zo betoog ik, is een reële en universele waarde, verankerd in onze redelijke natuur en het gevoel voor schoonheid speelt een onmisbare rol in de vormgeving van de menselijke wereld.’

Enige bezwaar dat je, als liefhebber van ‘foute meningen’, tegen dit boekje van Scruton zou kunnen hebben is dat er niet genoeg gekankerd en gepreekt wordt. Scruton is op z’n best als hij ‘fout’ is, als hij foetert over het relativisme, de moderne kunst, de grote stad, popmuziek, fotografie en andere uitwassen van de twintigste eeuw. Of als hij opkomt voor zaken zoals het roken van sigaren, het drinken van een goed glas wijn, de vossenjacht, tuinieren en het Engelse plattelandsleven in het algemeen.

Kan kunst wel een geschiedenis hebben?

Ondertussen moet zelfs dan nog worden toegegeven dat Scruton, naast zijn vrome praatjes over gemeenschapszin, opofferingsgezindheid en het heilige, hier toch een belangwekkend onderwerp weer op de agenda heeft gezet, namelijk: schoonheid. Oog in oog met mooie dingen moet je toegeven dat dit zo en niet anders moest zijn — terwijl je, als je er wat langer over nadenkt, moet toegeven dat anderen het op andere plekken en andere momenten wel degelijk anders hebben gedaan en met even groot succes. Schoonheid is net zo particulier als universeel.

Dat stelt natuurlijk met name ook kunsthistorici voor problemen. Het is mooi dat Dana Arnold daar in háár Very Short Introduction in kunstgeschiedenis niet omheen draait, maar het juist als uitgangspunt neemt. Ze valt in hoofdstuk 1 met de deur in huis: ‘Can art have a history? We think about art as being timeless, the “beauty” of its appearance having meaning, significance, and appeal to humankind across the ages.’ Als motto van dat hoofdstuk heeft ze dan ook gekozen voor de bekende  regel van Keats: ‘A thing of beauty is a joy forever.’

Hoe voorbeeldig Arnolds inleiding vervolgens ook is, het wordt onvermijdelijk wat schools, wat bij Hesketts introductie op Design helemaal het geval is. Om het echt spannend te houden, lijkt het raadzaam Scrutons inleiding op schoonheid ook daarbij bij de hand houden.

Pieter Hoexum  is filosoof, publicist (voor o.a. Trouw) en huisman. Hij was boekverkoper bij Athenaeum Boekhandel. Zijn boek Gedenk te sterven. De dood en de filosofenverscheen in 2003, begin 2014 verschijnt Kleine filosofie van het rijtjeshuis. Hij heeft nu een website, pieterhoexum.wordpress.com.

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum