Recensie: Linnenkasten en strenge regels voor de nieuwe polders

30 november 2015 , door Liesbeth van de Grift
| | | |

Aan het begin van dit jaar verscheen van journalist Eva Vriend Het nieuwe land. Het verhaal van een polder die perfect moest zijn. Het boek, dat verhaalt van de naoorlogse pogingen van de staat en experts om een ideale gemeenschap in de drooggelegde Noordoostpolder op te bouwen, stond op de longlist van de Libris Geschiedenisprijs – en onterecht niet op de afgelopen week bekendgemaakte shortlist. De kracht van het boek zit in de persoonlijke verhalen, die er als rode draad doorheen lopen. Door liesbeth van de grift.

De nieuwe poldermaatschappij

In 1918, nog ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, stemde het Nederlandse parlement in met de uitvoering van wat een van de grootste waterbouwkundige projecten ter wereld zou worden: de Zuiderzeewerken. Het plan, dat ontworpen was door ingenieur Cornelis Lely, ging uit van het creëren van vijf nieuwe polders, waardoor 200.000 hectare extra landbouwgrond beschikbaar zou komen.

Dit grootse inpolderingsproject sprak niet alleen technische experts, maar ook sociale wetenschappers tot de verbeelding. Zij zagen in het lege land de kans om hun ideeën over gemeenschapsopbouw te verwezenlijken. Deze ‘sociaal ingenieurs’, zoals zij zichzelf weleens noemden, werden door de staat belast met het uitkiezen van de ‘pioniers’, kandidaat-boeren die na een strenge selectieprocedure een boerderij toebedeeld kregen. Hun methodes ontwikkelden zij in het Interbellum, toen de eerste kolonisten zich in de Wieringermeer vestigden. In de naoorlogse jaren, toen geloof in planning en maakbaarheid groot was, ‘perfectioneerden’ zij hun werkwijze en bepaalden op basis van sollicitatiebrieven, gesprekken, onverwachte inspectiebezoeken en navraag bij oud-leraren en landbouworganisaties wie er wel en wie niet geschikt waren om een betekenisvolle rol in de nieuwe poldermaatschappij te spelen.

De kandidaat-boeren

Dit verhaal is niet nieuw. Eens in de zoveel tijd vestigt iemand de aandacht op dit voorbeeld van social engineering, waaruit blijkt dat planners en sociale experts een groot mandaat van de Nederlandse overheid kregen om – niet belemmerd door enige vorm van burgerinspraak – hun woorden in daden om te zetten. De grote meerwaarde van het boek van Vriend zit hem dan ook in het perspectief dat ze hanteert: bij haar staan de kandidaat-boeren centraal, zowel de gelukkigen die een boerenbedrijf konden opstarten als de sollicitanten die, soms keer op keer, zonder enige vorm van toelichting werden afgewezen en een droom in duigen zagen vallen.

De gevolgen voor de laatsten waren groot. Zij zouden vaak de rest van hun leven last blijven houden van de afwijzing. Dat gold vooral voor diegenen, die zich als ambtenaar of landarbeider in de polder vestigden. Zij werden steeds opnieuw geconfronteerd met het feit dat zij niet tot de uitverkorenen behoorden. En sommige dorpsgenoten lieten ook niet na hen op dat verschil te wijzen. Een dominee erkent dat de afwijzing door velen werd ervaren als ‘een vorm van depreciatie. Je werd afgewezen op iets fundamenteels, je capaciteiten, je persoonlijkheid, je gezin’. Het zal niet verbazen dat deze mensen er uit gêne liever niet over spreken. Het is de verdienste van de schrijfster dat zij deze verhalen boven water heeft gekregen.

Strenge criteria en pro-actieve boerinnen

Het andere deel van het boek brengt de werkwijze van de dienst die verantwoordelijk was voor de selectieprocedure in kaart. Vriend heeft de hand weten te leggen op een aantal beoordelingsformulieren, waarvan gedacht werd dat ze allemaal waren vernietigd. Deze bronnen aangevuld met ander materiaal uit het archief van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders bieden inzicht in de strenge, ja haast rücksichtslose manier waarop de selectiecommissie te werk ging. Eén kandidaat werd beschreven als ‘een stugge, zeer onvriendelijke man. Zijn ontwikkeling is gering. Voor de gemeenschap betekent hij niks’,  een ander was volgens de deskundigen een ‘sociaal-zwak geval’.

Tegelijkertijd laat Vriend zien dat het verhaal gecompliceerder is dan het aanvankelijk lijkt en deze vorm van sociale planning ook in de tijd geplaatst moet worden: kritiek op de strenge selectieprocedure en de almachtige positie van deze sociale wetenschappers was er nauwelijks. Alle betrokkenen – met uitzondering wellicht van de afgewezenen – zijn het er achteraf over eens dat de selectiecommissie goed werk verricht heeft. Kinderen, aan wie Vriend het beoordelingsformulier van hun vader laat lezen, zijn van mening dat de ambtenaar in kwestie de persoonlijkheid van hun vader in rake bewoordingen heeft gevat. Ook het verhaal van inspecteurs die de linnenkast zouden bekijken en daarmee in onze huidige ogen de privacy van kandidaten schonden, heeft twee kanten. Het lijkt erop dat een deel van de kandidaat-boerinnen proactief en met trots het eigen geordende huishouden aan inspecteurs tentoonstelde.

Social engineering als Europees fenomeen

De schrijfster had hierin nog een stap verder kunnen gaan. Steeds wanneer de sociale planning en het ondemocratische karakter van het bestuur van de IJsselmeerpolders (Vriend behandelt dit aspect niet) in de belangstelling komt te staan, is de publieke verbazing groot dat zoiets in Nederland mogelijk was en worden parallellen met de Nazi-Duitsland getrokken. Een blik op Europa in het Interbellum laat zien dat social engineering een wijdverbreide vorm van staatsinterventionisme was, die opgang deed in het Interbellum en na de Tweede Wereldoorlog werd voortgezet. Dat gold ook voor democratische landen zoals Nederland, Duitsland tijdens de Weimar-tijd, en Zweden, waar de mogelijkheid van gedwongen sterilisaties in 1934 werd ingevoerd en pas in 1976 officieel werd afgeschaft.

Maar, toegegeven: dat is het doel van Eva Vriend niet. Zij stelde zichzelf tot taak om het verhaal van de ‘polder die perfect moest zijn’ nieuw leven in te blazen en dat is haar met dit vlot geschreven en boeiende boek goed gelukt.

Liesbeth van de Grift is universitair docent Nederlands-Duitse (politieke) geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen. In haar Veni-onderzoeksproject ‘Brave New Worlds: Internal Colonization in Europe, 1900-1940' vergelijkt zij de ontginning en inrichting van ‘nieuw' land in het Interbellum in verschillende Europese landen, met name Duitsland, Nederland en Zweden.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum