Recensie: Van een afstandje toekijken

30 november 2015 , door Kees 't Hart
| | | | |

Later vandaag in De Groene Amsterdammer, vandaag al op Athenaeum.nl: Kees 't Hart over Tom Lanoyes Gelukkige slaven: 'Lanoye wisselt razendsnel af tussen huivering, doortrapt medeleven en verwoestende lachbuien. Niets is wat het lijkt in deze we-gaan-met-z’n-allen-naar-de-afgrond-roman. Nog een voorbeeld van Lanoye’s verlekkerde en soms huiveringwekkende schrijfwerk.'
Athenaeum Boekhandel en De Groene Amsterdammer werken samen, bijvoorbeeld in boekverkoop en een gezamenlijke bijlage.

N.B. Zie ook onze voorpublicatie uit de roman.

Dit boek is een potboiler. Geheel in de over-the-top-stijl van de avonturenroman uit de vorige eeuw, met deze keer geen edele helden die alle tijgers en beren op hun pad moeiteloos verslaan en er met het meisje vandoor gaan. Zulk soort helden daar heeft Tom Lanoye een broertje dood aan en dus krijgen we twee losers, die allebei Tony Hanssen heten en uiteindelijk elkaar tegenkomen, ze blijken in hetzelfde schuitje te zitten. Ze roepen allebei de ellende over zich af en onnozelaars zijn het ook, al doen ze zich graag als superieure bluffers voor. Deze roman vergroot alles uit: begeerte, oplichterij, het graai-kapitalisme, wildstropen, de vervuiling, noem het maar op en daarbij komt nog een beetje heimwee naar het België van vroeger. Negers, Chinese grootkapitalisten, ongure Zuid-Amerikanen, ze komen allemaal voorbij, alsof we een Kapitein Rob-verhaal lezen, maar Lanoye maakte er zeker geen flauw avonturenverhaaltje van. Hij pepert ons al onze vooroordelen met volle kracht in. Hij laat ons ongegeneerd in de huid van zijn benarde helden kruipen en probeert ons deelgenoot te maken van hun foute opvattingen over zo ongeveer alles. Hij zet hierbij een uitermate concrete, opgejaagde en uiterst trefzekere stijl in die de scènes in schrille kleuren schildert. Lanoye is een virtuoos schilder van menselijk onbenul, doortrapt verlangen naar macht en tegelijk naar verlossing, die uiteraard nooit komt. Alles is zwartgallig, verloederd en klaar voor vernietiging.

Lanoye’s roman sluit naadloos aan bij het doemdenken dat de laatste tientallen jaren in de romankunst zo’n hoge vlucht neemt. Het is niks en het wordt niks. Neem nu de scène waarin hij een van die losers introduceert. ‘We treffen hem aan duizend kilometer verderop, in de schaamspleet onder de tropisch gezwollen buik van Brazilië, de open wond genaamd Rio de la Plata. Rivier van Zilver. Ze is breed als een zee, ze ruikt naar petroleum en ingewanden en ze is het voorgeborchte van de Atlantische Oceaan – een deinend, koningsblauw universum vol verborgen gasvelden, scheepswrakken en walviskadavers.’ En dan zoomt de camera vanaf dit brede en fraaie panorama in op de evidente nitwit Tony Hanssen die in een toeristenhotel de echtgenote van de Chinese grootkapitalist Bo Xiang probeert te bevredigen. We zien het allemaal voor ons, want Lanoye stelt er een eer in zo filmisch mogelijk te schrijven. En kijk eens naar dit zinnetje dat er zomaar bij staat: ‘Boven hun hoofden wiekt een gammele ventilator, de charmante antieke airco steunt en rammelt luider dan het bed.’ Met dit soort details zitten we natuurlijk op de eerste rij van het spetterende schrijfwerk. Tony is dus haar gigolo, werkt zich rot, het wil maar niet lukken, maar het moet lukken want: ‘Hoedt u voor de wraak van een gekrenkte vrouw op leeftijd.’ Typerende Lanoye-wending. Ineens komt er een andere vertelstem het verhaal binnen die zich ermee begint te bemoeien. Lanoye werkt in deze roman steeds met dit soort kleine commentaar-terzijdes. Hij laat deze cynische stem alle drijfveren van de antihelden doorprikken en voorziet ze van smalend commentaar. Op deze manier probeert hij ons deelgenoot te maken van het geheel, we beleven het allemaal mee. We lezen het verhaal plus het commentaar daarop.

Neem de scène in een Chinees casino, op zich al een klassiek ingrediënt van de potboiler. Eerst zitten we in het hoofd van Tony: ‘Niemand lette op hem, hij zocht met niemand contact.’ Maar even later begint de commentator zich ermee te bemoeien. ‘Hij (Tony dus – KtH) was al een van hen, zonder onderscheid van rang of ras, taal of afkomst.’ Zulk soort dingen denkt die Tony niet, daar is hij een te groot warhoofd voor. En dan vervolgt de commentator: ‘Ze waren met z’n allen toegetreden tot de congregatie van de toevalstreffer, de broederschap van de buitenkans.’ Op deze manier zitten we steeds in de koppen van de beide Hanssens en we kijken van een afstandje toe. Lanoye wisselt razendsnel af tussen huivering, doortrapt medeleven en verwoestende lachbuien. Niets is wat het lijkt in deze we-gaan-met-z’n-allen-naar-de-afgrond-roman. Nog een voorbeeld van Lanoye’s verlekkerde en soms huiveringwekkende schrijfwerk. Wanneer Tony in Zuid-Afrika een stroper bij een drenkplaats heeft neergeschoten (zelf wil hij een neushoorn doden) ziet hij dat deze nog niet helemaal dood is. En dan dit: ‘En ook al bezat het rulle zand van de drenkplaats een geluiddempend effect, en ook al had de man nog maar een been van zijn beide benen ter beschikking om te trappelen, het geroffel klonk Tony in de oren alsof iemand tekeerging op een beschuldigend tamboerijn, een verwijtende keteltrom zo groot als deze drenkplaats zelf.’ Wie graag goed wil leren schrijven, moet deze zin maar eens flink bestuderen: Lanoye drukt je echt met je neus op alles wat er te zien en te horen is en levert daarbij zeer gewaagde beelden.

Dit is een fraaie soap opera, dat is wel duidelijk, maar uiteindelijk bleef er bij mij, ondanks mijn bewondering voor opzet en uitvoering, toch ook een gevoel hangen van vrijblijvendheid en afstandelijkheid. Misschien zit er te weinig Lanoye in, zit er te weinig van hemzelf in die twee losers. Hij lacht ze uit, briljant, dat wel, maar dat is het dan. Het boek was uit en ik dacht er al niet meer aan. Want zo erg als met die twee is het bij mij allemaal nog niet. En bij Lanoye ook niet, daar kun je donder op zeggen. Ik moest keihard om ze lachen, ik haatte ze ook en ik keek bewonderend naar het fraaie literaire vertoon dat de schrijver op ze losliet. Maar het bleef bij kijken, bewonderen en vage gevoelens van leedvermaak over hun ondergang. Gelukkig ontsprong ik zelf de dans. En Lanoye ook.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum