Recensie: Augustus zoals hij had kunnen zijn

30 november 2015 , door Lujzika Adema van Kooten
| | |

Hoe vertel je het verhaal van Augustus op een saillante manier, zonder te vervallen in vervelende stereotypen? John Williams koos voor de epistolaire vorm en bracht zo het levensverhaal van keizer Augustus als een zinderende geschiedenis. Na Stoner en Butcher's Crossing wordt dit na het verschijnen van de Nederlandse vertaling (natuurlijk in augustus, door Edzard Krol) ongetwijfeld een nieuwe literaire hit. Want dit is het boek waarmee de auteur wél bij leven onderscheiden is: Williams ontving voor Augustus in 1973 The National Book Award. Door lujzika adema van kooten.

N.B. Deze recensie verschijnt (ook) in het kader van de Week van de Klassieken 2014, met als thema 'Romeinse keizers'.

'Send the boy to Apollonia.' De openingswoorden zijn voor Julius Caesar en gericht aan Atia, de moeder van Augustus. De toon is meteen gezet. Hier spreekt een van de hoofdrolspelers van het verhaal, waarvan we echter weten dat hij niet lang meer overleeft. Het directe Latijn en de bijbehorende retorica, in de stijl van de brieven van Cicero, voert de lezer terug naar het door machtspelletjes beheerste Rome. Williams brengt het verhaal van Augustus geheel in de vorm van dergelijke gefingeerde documenten uit de oudheid: memoires, brieven, senaatsdecreten, reisverslagen, de bange brief van een soldaat die niet meer weet of hij voor of tegen Rome vecht… Het zou allemaal echt kunnen zijn, ware het niet dat het niet is overgeleverd.

Augustus is het verhaal van een keizer in wording: Hoe hij als negentienjarige de macht over Rome erft van zijn 'vader' Julius Caesar, hoe niemand hem serieus neemt, maar hoe hij met steun van zijn vrienden Marcus Agrippa, Maecenas en Salvidienus Rufus uiteindelijk iedereen overwint. Hoe hij daarbij voor zware keuzes komt te staan - het verraad van diezelfde Salvidienus, de onvermijdelijke moord op Cicero, de verbanning van zijn dochter - en uiteindelijk als vermoeide oude man zijn leven overdenkt en betwijfelt of het dat allemaal wel waard was. We zien jongens volwassen worden, langdurige vriendschappen maar ook vijandschappen ontstaan, liefdes opbloeien, oorlogen uitbreken en besloten worden. Nu eens met tergend langzame aanloop, dan weer in moordend tempo; altijd in documentvorm.

In de lucht

Plannen die geheim gehouden moesten worden, maar die wel stiekem in brieven en dagboeken zouden kunnen zijn vereeuwigd: het onderhuidse politieke steekspel komt intratekstueel aan het licht. Regelmatig hangt de spanning dermate in de lucht, dat de lezer voorvoelt wat er gaat gebeuren. Het over en weer vragen om extra troepen, afgewisseld met een wanhopige liefdesbrief en een besluit tot decimeren: de slagen bij Actium en bij Philippi las ik niet eerder in zo'n tempo en met zo'n spanning. Salvidienus zegt te twijfelen aan Augustus, iets later pocht de vijand dat hij overliep. Julia's brieven vanuit haar ballingschap op Pandateria laat Williams afwisselen met stukken uit de tijd dat ze nog haar vaders oogappel was, zodat de lezer stukje bij beetje doorkrijgt waarom Augustus besloot zijn enige dochter te verbannen en waarom schrijvers als Velleius Paterculus en Seneca nog enkel haar schandalen herinneren.

Vuurwerk

Williams koos voor elk karakter een passende stijl. Cicero schaart zich consequent achter de verliezende partij en denkt dat Augustus tegen hem opkijkt: 'I believe that he admires me.' Maecenas' en Ovidius' brieven zijn dichterlijk en uitvoerig en het tegenovergestelde van de korte, bondige stijl van legerfiguren Salvidienus en Marcus Agrippa. Cicero's en Caesars brieven lopen over van politieke retoriek: vriend en vijand worden door hen altijd uiterst keurig, doch duidelijk bejegend. Dan is het geestig wanneer we eindelijk een brief van Marcus Antonius lezen: 'Sentius, you gamesome old cock, Antonius sends you greetings!' De politicus stond inderdaad niet bekend om zijn tact en teergevoeligheid…

Echt vuurwerk ontstaat als karakters met elkaar botsen. Zo schrijft Marcus Antonius in een brief hoe hij de jonge Augustus, hier nog Octavius, minzaam behandelt om hem zijn beheerstheid te laten verliezen en zo het onderspit te laten delven:

‘I laughed at him. “Boy,” I said, “this is the last bit of advice I’ll give you this morning. Why don’t you go back to Apollonia and read your books? It’s much safer there. I’ll take care of your uncle’s affairs in my own way and in my own time.”
You can’t insult the fellow. He smiled a cold little smile at me and said, “I am pleased to know that my uncle’s affairs are in such hands.” […]
And that was the end of that. I think he knows where he stands, and I don’t think he’s going to make any very large plans.’

‘Ik lachte hem uit. “Jongen,” zei ik, “dit is het láátste advies dat ik je vanochtend zal geven. Waarom ga je niet terug naar Apollonia om er je boeken te lezen? Daar is het veel veiliger. Ik regel de zaken van je oom wel, op mijn eigen manier en op een moment dat het mij schikt.”
Het lukt je niet om dat ventje te beledigen. Hij glimlachte naar me met dat kille lachje van hem en zei: “Ik ben blij te horen dat de zaken van mijn oom in zulke goede handen zijn.” [...]
En daarmee was het afgelopen. Ik geloof dat hij weet wat zijn plek is, en ik denk niet dat hij wat voor grootse plannen dan ook heeft.’

De lezer weet echter meer en ziet die voorkennis bevestigd in een nagesprek in een badhuis, beschreven in de 'notes for a journal' van Salvidienus:

‘Octavius, still smiling: “Of course he was serious; but don’t you see? He was afraid of us. He was more afraid of us than we are of him, and he doesn’t know it. He doesn't even know it. And that’s the joke.”’

‘“Natuurlijk was hij serieus,” zegt Octavius, nog altijd met een glimlach. “Maar weet je, hij was bang voor ons. Hij was banger voor ons dan wij voor hem, en hij weet het zelf niet. Hij weet het zelf niet eens. Dat is het grappige.”’

'My Little Kitten'

Williams deed jarenlang vooronderzoek met een beurs in Italië, en dat is te merken. Voor classici bevat het boek talloze inside jokes. Omdat de geschiedenis voor menig lezer bekend is, zijn het deze details, die het boek haar charme geven. Zo blijkt Augustus een lijstje bij te houden van wie met wie getrouwd is op het moment. Geen overbodige luxe, voor wie weleens een stamboom uit die tijd heeft bestudeerd. De brieven van Maecenas aan Livius zijn een reactie op zijn verzoek hem te helpen bij zijn onderzoek voor een boek over de geschiedenis van Rome: Ab Urbe Condita. Geestig zijn de bijnamen die Williams zijn karakters aan elkaar laat geven: Augustus noemt zijn dochter 'Little Rome', symbolisch voor zijn vereenzelviging met de stad. Marcus Antonius heeft een spannender benaming voor zijn Cleopatra: 'My Little Kitten.'

De briefwisseling van Ovidius met Propertius is voor de doordenker. Van laatstgenoemde dichter ontbreekt na 16 v.Chr. elk spoor, zodat bijvoorbeeld Conte aanneemt dat hij rond die tijd gestorven moet zijn. Bij Williams dateren de brieven echter van 10 v.Chr., waarin Ovidius zijn mededichter constant aanmoedigt om terug te keren naar Rome en toch eindelijk weer eens iets te publiceren. Telkens zet Williams de waarheid naar zijn hand, maar nooit op een manier die niet ook gekund had.

Senex

In het laatste deel komt Augustus zelf aan het woord en lezen we hoe hij het verraad van Salvidienus ergens wel kon begrijpen, hoe hij Cicero anoniem heeft gewaarschuwd om hem te redden en hoe hij Julia juist heeft willen beschermen door haar te excommuniceren. Vergeleken met de eerdere snelheid is dit laatste deel wat langdradig. Dat is passend: het is het verhaal van een oude man, any oude man, die vermoeid terugkijkt op zijn leven en zich afvraagt of hij het wel goed heeft gedaan, of hij überhaupt iets belangwekkends heeft gedaan. Door aan zo'n figuur van statuur als Augustus dergelijke al te menselijke gedachten te geven, brengt Williams hem als geen ander tot leven:

‘For it seems to me now that when I read those books and wrote my words, I read and wrote of a man who bore my name but a man whom I hardly know. Strain as I might, I can hardly see him now; and when I glimpse him, he recedes as in a mist, eluding my most searching gaze. I wonder, if he saw me, would he recognize what he has become? Would he recognize the caricature that all men become of themselves? I do not believe that he would.’

‘Want toen ik die boeken las en mijn woorden schreef, leek ik over iemand te lezen en te schrijven die mijn naam droeg, maar die ik nauwelijks ken. Hoezeer ik me ook zou inspannen, ik kan hem nu nauwelijks zien, en als ik een glimp van hem opvang, lijkt hij in een mist te verdwijnen en onttrekt hij zich aan mijn meest onderzoekende blik. Zou hij, als hij me zag, herkennen wat hij is geworden? Zou hij de karikatuur herkennen die alle mannen van zichzelf worden? Dat zou hij vast niet doen.’

De teksten die Williams fabriceert zouden allemaal kunnen hebben bestaan, maar niets is overgeleverd. Een weemoedig gevoel blijft achter: wáren deze teksten er nog maar. Voorlopig moeten we het doen met Williams' fantasie.

Lujzika Adema van Kooten is classicus en rubrieksbeheerder Klassieke Oudheid bij Athenaeum Boekhandel.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum