Recensie: Cave Risum: aapjes en ezels in het antieke Rome

30 november 2015 , door Lujzika Adema van Kooten
| | | |

Onderzoekers staan vaak lijnrecht tegenover elkaar als het gaat om humor en de lach. Want in hoeverre kun je daar iets zinnigs en generieks over beweren? In Laughter in Ancient Rome waagt Mary Beard zich desalniettemin aan het onderwerp, waarin talloze voorbeelden zorgen voor een vermakelijke en tevens diepgaande verhandeling over de Romeinen en hun lach. Wanneer lachte de Romein om wie of wat en waarom? Wat had de Romein met aapjes en ezels? Waarom werd Cicero beschouwd als de grootste lolbroek? En: zijn de Romeinen de uitvinders van de grap? Door lujzika adema van kooten.

N.B. Eerder besprak Lujzika Adema van Kooten Beards boek Confronting the Classics. Lees haar recensie op Athenaeum.nl.

Het is het jaar 192. De dan nog jonge Romeinse senator Dio Cassius bevindt zich in het Colosseum, maar ook in een precaire situatie. Hij kan namelijk zijn lachen haast niet inhouden bij wat hij als show voorgeschoteld krijgt. Maar hij weet dat als hij nu in lachen uitbarst, zijn hoofd zal rollen. Voor hem staat keizer Commodus (niet bekend om zijn zachtzinnigheid) verkleed als Hercules met in zijn linkerhand het afgehakte hoofd van een struisvogel en met zijn rechterhand een bloederig zwaard hooghoudend, te grijnzen naar de senatoren op de eerste rij. Dio Cassius weet zijn lach te bedwingen door te kauwen op laurierblaadjes en ontkomt zo aan de onthoofding die zijn lachende buren wel ten deel valt.

De passage is illustratief voor de verschillende onderwerpen die Beard in het kader van de Romeinse lach behandelt. De herkenbaarheid van het moeten inhouden van een (slappe) lach bij het aanschouwen van iets belachelijks, maar ook de dreigende en imponerende grijns jegens een tegenstander. En de kanttekening, want hoe serieus moeten we deze passage nemen? Dio Cassius schrijft jaren na de gebeurtenis, in een tijd dat Commodus al lang geen keizer meer was. Door Commodus uit te lachen (al is de lach gesmoord) neemt Dio op rigoureuze wijze afstand van een inmiddels uit de gratie geraakte keizer en zijn bewind. Bij de Romeinen is de lach nooit neutraal.

Ambitieuze onderneming

Laughter in Ancient Rome vloeit voort uit lezingen die Beard aan Berkeley gaf. Theorieën van Freud, Bergson of Bakhtin zijn volgens haar te eenzijdig; zelf gaat ze in op de Romeinse lach in alle vormen. Wanneer lachte de Romein, in hoeverre kunnen we zijn grappen volgen en wat zijn verborgen achtergronden? Of, in Beards woorden:

'What is this risus, and whose risus is it anyway?'

Het is een ambitieuze onderneming. Want in hoeverre is een lach te begrijpen, vooral als die stamt uit de culturele en politieke context van ruim tweeduizend jaar geleden? Herhaaldelijk, soms zelfs iets te vaak, benadrukt Beard zelf de gevaren van haar onderzoek en van de neiging van collega-classici om grappen op een al te moderne manier uit te leggen:

'But in any individual case we must not assume that successful translation between the Roman world and our own is possible. There is a danger that the question “What made the Romans laugh?” might be converted, by an act of spurious empathy, into the question “What do I think would have made me laugh, if I were a Roman?”'

We zien het probleem bij de duiding van een van de bekendste vondsten uit Pompeii: een vloermozaïek met een hond en de tekst ‘Cave Canem’ (Pas op voor de hond). Wij vinden dat misschien grappig, zo’n zogenaamd gevaarlijke hond waar je als bezoeker simpelweg overheen loopt, maar hoe kunnen we beoordelen of de Romeinen daar ook zo over dachten?

Cave canem. Uit besproken boek

Hahahae

Dat de lach van Romeinen hetzelfde klónk als nu weten we door komedieschrijvers Plautus en Terentius, die hun karakters laten lachen met de bekende klank ha(ha)hae. Het woord doet als onomatopee vertrouwd aan. Dat geldt echter niet voor de Romeinse glimlach. Want glimlachten Romeinen eigenlijk wel? “By and large, in our terms, no,” zegt Beard. Het woord ridere wordt soms dan wel vertaald als glimlachen, maar dat beschouwt Beard als misleidend: glimlachen had geen of in ieder geval niet dezelfde sociale en culturele betekenis in het antieke Rome als nu. Dat zet aan tot denken; keer op keer verzet Beard zich overtuigend tegen de alomtegenwoordige neiging om de Romeinen naar ons eigen evenbeeld te herscheppen.

Aapjes en ezels

De eerste helft van het boek bestaat uit een theoretisch kader, dat gebruikt kan worden als achtergrond bij de casestudies in de tweede helft. Van lange verhandelingen over humor tot kleine grapjes her en der om de morele of ethische waarden van gelach te benadrukken: op de meest onverwachte plaatsen is iets over de Romeinse lach terug te vinden. De vele tekstvoorbeelden uit de Oudheid reiken van evidente keuzes als de Philogelos, Terentius, Plautus, Macrobius en Apuleius tot minder voor de hand liggende (maar daardoor niet minder relevante) voorbeelden als Galenus, Vergilius’ vierde ecloga, de Historia Augusta en de verder vrij droge Strabo. Komische types als de scurra, de parasitus en de ongrijpbare mimus passeren herhaaldelijk de revue.

De tekstvoorbeelden leveren charmante anekdotes en geestige weetjes. Plinius beschrijft een speciale bron met lachwater en een plant met magische bladeren waarvan mensen moeten lachen (er wordt nog steeds gediscussieerd of hij cannabis bedoeld kan hebben). De meest kietelige zone van het menselijk lichaam waren de lippen. Cicero stond eeuwen later nog bekend als the most infamous funster, punster, and jokester of classical antiquity, niet zozeer door zijn sarcasme en satire in redevoeringen zoals die tegen Catilina of Verres, maar vooral wegens het bestaan van een verzameling geintjes van de grote redenaar. Daarnaast blijken de Romeinen wat betreft humor een bijzondere fascinatie te hebben gehad voor apen en ezels (vooral als die vijgen eten), wellicht om hun mislukte imitatio van mensengedrag, maar het blijft toch moeilijk te duiden. Beroemde agelastoi lachten volgens de overlevering enkel om deze dieren en verschillende afbeeldingen van apen illustreren het dubbelzinnige woord ridiculus: actief/positief ‘grappig’ dan wel passief/negatief ‘belachelijk’.

Apen. Uit besproken boek

Keerzijde van de lach

Dat de lach niet altijd leuk is, leren we van de nare grappen van sommige keizers, in het bijzonder natuurlijk Caligula, Commodus en Elagabalus. Eerstgenoemde verplichte de man wiens zoon hij zojuist had laten ophangen, de avond lachend door te brengen. Op de vraag waarom de man dat kon doen, was zijn antwoord: ‘Ik heb nog een zoon.’ Ook niet lachen kan een politieke boodschap hebben. ‘Nemo vitia ridet’ (Niemand lacht om fouten) oordeelt Tacitus over de Germanen, waarmee hij het volk tegenover de Romeinen plaatst: wie niet kan lachen om fouten, is primitief en barbaars. Net als in het voorbeeld van Dio blijkt politieke betekenis telkens nauw verbonden met de lach: ‘goede’ keizer Augustus werd juist herinnerd om zijn fijnzinnige geestigheid.

Ridiculus

Met Laughter in Ancient Rome heeft Beard wederom een zeer enthousiasmerend en onderlegd boek over haar geliefde Romeinen geschreven. Ze citeert veelal in Latijn (en in enkele gevallen Grieks) en het geheel is voorzien van verdiepende noten en een uitgebreide bibliografie. Ondanks haar vele waarschuwingen dat we niet moeten denken dat de Romeinen te begrijpen zijn, brengt ze hun wereld zo toch dichtbij.

Het boek eindigt met een boude uitspraak: de grap zoals we die nu kennen, zou een Romeinse uitvinding zijn. Helemaal overtuigend is haar redenering hier niet, en ze haast zich dan ook herhaaldelijk te zeggen dat de stelling eigenlijk onbewijsbaar is. Maar toch. Misschien is de lach van de Romeinen dan toch herkenbaarder dan gedacht, veel van hun grappen zijn tenminste nog altijd ridiculus.

Lujzika Adema van Kooten is classicus en rubrieksbeheerder Klassieke Oudheid bij Athenaeum Boekhandel.

 

Laughter in Ancient Rome door Mary Beard is te koop bij Athenaeum Boekhandel en te bestellen via Athenaeum.nl. Het wordt gratis thuisbezorgd.

MINDBOOKSATH : athenaeum