Recensie: Een blokje om met Robert Walser

30 november 2015 , door Pieter Hoexum

Wat is heerlijker dan zomaar, omdat je daar toevallig zin in hebt, de deur uit te lopen en een blokje om te gaan, rond te lopen en rond te kijken... oftewel: een ommetje in de buurt te maken? Het is moeilijk te zeggen wat daar nu precies, of zelfs ongeveer, zo aangenaam aan is. Het is zelfs, zo hebben wandeldenkers van Solnit tot Gassendi, van Gros tot Lemaire, heel eenvoudig om het moeilijk te zeggen. Maar Robert Walser licht in enkele verhalen in De vrouw op het balkon een flinke tip van de sluier op. Hij kent het geheim van de charme van het wandelen.

Ik wandel dus ik ben

Een omweg. Sinds ik een paar jaar geleden de stoepen bij mij in de buurt heb ontdekt en verken probeer ik erachter komen wat er nu zo goed en belangrijk is aan stoepen en dus aan het ommetje, aan het blokje om. Op zoek naar literatuur stuitte ik om te beginnen op een boek dat meteen een van de mooiste bleek: Wanderlust van Rebecca Solnit.

Grofweg komt Solnit daar tot de conclusie dat wandelen zo aangenaam is omdat tijdens een wandeling bijna vanzelf en vanzelfsprekend een harmonie ontstaat van lichaam, geest en wereld. Je benen, hoofd (zintuigen) en de omgeving lijken wel voor elkaar gemaakt: zo lang je wandelt is alles dik in orde. Pierre Gassendi bespotte Descartes’ ‘Cogito ergo sum’ (‘Ik denk dus ik ben’) door op te merken: ‘Ik wandel dus ik ben’. Misschien moeten we Gassendi’s opmerking wel heel serieus nemen.

Zonder wandelgoeroe vooruit

Maar ook weer niet al te serieus, want dat is het moeilijke van wandelen: als je er echt ernst mee maakt mislukt het. Je raakt de weg kwijt. Wandelen is geen heilig moeten maar dient terloops plaats te vinden. In zijn vorig jaar vertaalde onlangs vertaalde Wandelen. Een filosofische gids gaat Frédéric Gros bijvoorbeeld te ver. Het begint veelbelovend: ‘Wandelen is geen sport,’ zo luidt de eerste zin. Hij heeft daarmee natuurlijk groot gelijk.

Het lukt Gros vervolgens ook fraai te omschrijven, te karakteriseren, wat wandelen dan wél is: ‘Om te vertragen is er nooit iets beters verzonnen dan wandelen. Om te wandelen heb je alleen maar twee benen nodig. De rest is onzin. Wil je sneller? Ga dan niet wandelen, maar zoek iets anders: rijden, skiën, vliegen. […] [Als] je wandelt, is er maar één ding dat telt: de intensiteit van de hemel of de schittering van het landschap.’

Het zal de Nederlandse lezer wellicht nog vaag bekend voorkomen, uit een boek dat Ton Lemaire jaren geleden al schreef over wandelen en filosofie: Wandelenderwijs; hij schrijft daarin: ‘Voor een aandachtig en geduldig wandelaar, bevrijd van de druk van werk, zorg en haast, kan de wereld misschien haar eigenlijke gezicht laten zien.’ Maar net als Gros kan Lemaire de neiging zich op te stellen als gids niet of onvoldoende weerstaan. Beide ontpoppen zich als wandelgoeroe. Daarmee zadelen ze de arme wandelaar op met ondraaglijke pretenties. Wandelaars zitten ook helemaal niet op een gids te wachten, zij gaan hun eigen gang wel.

‘Je hoeft niet veel bijzonders te zien’

Pas bij enkele van de onlangs vertaalde verhalen ‘prozastukjes’ van Robert Walser vindt de vraag zijn punt van bestemming. Die stukjes zijn net zo oppervlakkig en geestig als diepzinnig en ernstig. Er valt veel over het kleine boekje te zeggen, en dat doet Cyrille Offermans ook in zijn nogal lang uitgevallen nawoord. Anders kun je er W.G. Sebald nog op nalezen, in zijn bundel Logies in een landhuis. (Sebald zelf is natuurlijk ook een typisch wandelaar-schrijver, bijvoorbeeld in De ringen van Saturnus.)

Walser zelf spant de kroon, hij kan het in een paar onopgesmukte zinnen zeggen, zoals bijvoorbeeld in ‘Kleine voettocht’, een verhaal – als het zo al mag heten – van één bladzijde. Een verhaal van niks eigenlijk, waarin niet veel gebeurt en meer gezegd wordt dan getoond. Walser doet gelukkig niet aan creative writing, of ‘mooischrijverij’.

Walser brengt eenvoudigweg kort verslag uit van een mooie wandeling die hij maakte: ‘Ik liep vandaag door de bergen. Het weer was miezerig en het hele landschap was grauw. Maar de weg was zacht en hier en daar heel goed.’ Zo begint het stukje. Dan volgen toch nog wat bijzonderheden, die ook weer niet al te bijzonder blijken. Waarna Walser besluit: ‘Je hoeft niet veel bijzonders te zien. Je ziet zo al veel.’ Dat is precies het mooie van wandelen en gaat, zover ik weet, nergens anders op.

Pieter Hoexum  is filosoof, publicist (voor o.a. Trouw) en huisman. Hij was boekverkoper bij Athenaeum Boekhandel. Zijn boek Gedenk te sterven. De dood en de filosofenverscheen in 2003, mei 2014 verschijnt Kleine filosofie van het rijtjeshuis. Hij heeft een website, pieterhoexum.wordpress.com.

MINDBOOKSATH : athenaeum