Recensie: Een crisis van de democratie?

30 november 2015 , door Pepijn Corduwener
| | | | |

Er is ook een crisis van de parlementaire democratie. De kiezer heeft weinig vertrouwen meer in gezagsdragers en stemt telkens een andere partij, een protestbeweging of helemaal niet. Dat bedreigt het voortbestaan van de naoorlogse orde, het politieke midden en gedeelde democratische waarden als tolerantie voor andersdenkenden en gelijkheid voor de wet. Dat is althans het beeld in de publieke opinie. In De wankele democratie matchen drie politicologen het beeld met de feiten. Het levert eindelijk een scherpe nuance op die hopelijk een nieuwe richting geeft aan de maatschappelijke discussie. Door pepijn corduwener.

Het gaat goed met het vertrouwen in de democratie...

Het gezamenlijke werk van Jacques Thomassen, Carolien van Ham en Rudy Andeweg is een heldere, maar soms wat droge diagnose over hoe het er met onze democratie nu werkelijk voorstaat en hoeveel legitimiteit ons politieke bestel nog heeft onder de bevolking. Het werk vloeit voort uit de onderzoeksagenda van de KNAW, waarin de vraag óf de democratie zich in een legitimiteitscrisis bevindt al enige jaren een centrale plek inneemt. Om deze vraag, alsmede oorzaken en mogelijke oplossingen van de veronderstelde crisis te beantwoorden, baseren de auteurs zich op voorgaand eigen onderzoek, een rijke hoeveelheid secundaire literatuur, opinieonderzoek en gesprekken met burgers in zogenaamde focusgroepen.

 

Hun wat tegenstrijdige conclusie luidt dat er in Nederland geen sprake is van een legitimiteitscrisis van de vertegenwoordigende democratie. Alle alarmistische geluiden ten spijt: het gaat op veel vlakken juist de goede kant op met burgerlijk vertrouwen in democratische instellingen. De perceptie van politieke polarisatie neemt af, de overlap tussen kiezers en Tweede Kamerleden op een links-rechtsschaal is haast 90% en vertrouwen in democratische instituties als regering en rechterlijke macht zijn al decennia stabiel. Vergeleken met onze buurlanden doet Nederland het zelfs opvallend goed. Ruim 50% van de Nederlanders heeft vertrouwen in het parlement. Dat lijkt wellicht laag, totdat je het afzet tegen Groot-Brittannië (25%), om nog maar te zwijgen van Spanje of Italië (beide onder de 10%).

… maar niet iedereen heeft dat even sterk

Dus ruim driekwart van de Nederlanders toont zich tevreden met het functioneren van de democratie. Is er dan helemaal niets aan de hand met de relatie tussen Den Haag en ‘de mensen in het land’? Toch wel, laat dit boek zien.

Ten eerste is de democratie niet voor iedereen even legitiem. Zoals ook het boek Diplomademocratie al inzichtelijk maakte, is er een verschil tussen hoog- en laagopgeleiden, al neemt dat verschil tegen de verwachting in niet toe. Ten tweede laten gesprekken met de focusgroepen zien dat de persoonlijke invulling die aan ‘democratie’ wordt gegeven nogal uiteenloopt. Ook hier spelen opleidingsverschillen een rol, maar opvallend is vooral dat terwijl men de manier waarop vrijheid in ons land is gegarandeerd sterk waardeert, dat minder het geval is voor de wijze waarop politieke beslissingen worden genomen.

Het duidt op een derde uitkomst van het onderzoek: de politieke versnippering als gevolg van de bekende ‘zwevende kiezer’. In de woorden van een deelnemer aan de focusgroepen: ‘We hebben te veel verschillende meningen.’ Deze verdeeldheid zorgt enerzijds voor een groeiend idee dat stemmen en invloed op regeringsbeleid weinig meer met elkaar te maken hebben, en anderzijds voor gebrek aan Haagse daadkracht, effectiviteit en leiderschap. Vier op de tien kiezers ziet wel iets in een sterke leider.

Maar de kiezer kan wél beter kiezen

Na deze heldere feitenpresentatie volgt de analyse van de auteurs. Deze is verfrissend weinig paternalistisch. In tegenstelling tot nog altijd gangbare verklaringen over PVV-stemmers als weinig geïnteresseerde proteststemmers of zwevende kiezers als twijfelende lastposten die regeringsvorming bemoeilijken, zien de auteurs de hedendaagse burger als een politiek geëmancipeerde en rationele kiezer die basis van inhoudelijke argumenten een keuze maakt die het dichtst bij zijn/haar ideologische overtuiging staat en bovendien regeringspartijen op hun merites beoordeelt. Oftewel: ‘Kiezers zijn juist bewuster gaan kiezen.’ De gemiddelde Nederlandse burger is bovendien steeds mondiger en beter opgeleid en kan dus ook steeds beter in de democratie participeren.

Politici moeten beter luisteren, bestuur moet beter werken

Veel empirisch materiaal wijst op het tegendeel, maar de auteurs wagen zich dus niet aan de conclusie dat alle zorgen over een legitimiteitscrisis slechts een storm in een glas water zijn. De gevaren voor de toekomst liggen vooral op het gebied van de politieke stabiliteit. Het is op dat gebied dat het boek ook wat creatiever had kunnen zijn in de mogelijke oplossingen. Voorstellen om door middel van een herziening van het kiesstelsel tot een tweepartijensysteem te komen worden erg gemakkelijk terzijde geschoven. Hetzelfde geldt voor de invoering van directe vormen van democratie, wat volgens de auteurs gemakkelijk zou kunnen leiden tot het creëren van valse verwachtingen en de voorspelling dat vooral hoger opgeleiden met meer kennis en vaardigheden hiervan zouden profiteren.

De oplossing ligt dan ook in ‘responsiviteit’ en ‘good governance’. Politici moeten ‘beter luisteren’ en ‘rekening houden’ met opvattingen van burgers die het gevoel moeten hebben dat ze serieus worden genomen. Tegelijk moeten de standaarden van onze democratie ook op het gebied van ‘outputlegitimatie’ omhoog: de kwaliteit van de verzorgingsstaat, de welvaart en het ambtenarenapparaat zijn aandachtspunten. Dat zijn zonder meer belangrijke punten en ze worden terecht genoemd, maar de vraag blijft of dat genoeg is om het crisissentiment te doen verminderen.

Feiten bij het debat

Het boek laat de lezer uiteindelijk met een belangrijke vraag achter. Het betoog dat we ons niet in een legitimeitscrisis bevinden is overtuigend, maar hoe verklaren we het verschil tussen al het empirisch materiaal dat niet op een crisis duidt en de structurele toon van het publieke debat die op het tegendeel wijst? Is dat alleen ‘media marketing’, zoals auteur Carolien van Ham in een interview suggereerde? Of is er meer aan de hand?

In beide gevallen doet De wankele democratie wat het zou moeten doen: het boek voorziet het debat van feiten en het roept nieuwe vragen op die de discussie over de veronderstelde ‘legitimiteitscrisis’ van een nieuwe richting kunnen voorzien. Het is daarmee een waardevolle bijdrage aan de discussie over de staat van de Nederlandse democratie.

MINDBOOKSATH : athenaeum