Recensie: Een geschiedenis van avonturiers en buitenbeentjes

11 april 2014 , door Ruth Kief
| | |

November 2012: Jaap Scholten treedt op bij Crossing Border. Voorafgaand aan het optreden wordt hij naar zijn kleedkamer gebracht waar een stewardessenkoffertje op hem wacht. Het koffertje is bij het theater voor hem afgegeven, maar niemand weet door wie. Wanneer Scholten het openmaakt blijkt het vol te zitten met materiaal van en over zijn familie. Deze brieven, dagboeken en foto's vormden de basis voor de prachtige uitgave Horizon City, 'een onvolledig en historisch niet noodzakelijkerwijs altijd correct portret van een familie'. Onvolledig en misschien deels onjuist, maar ook zeer geslaagd. Door ruth kief.

Het streven naar onafhankelijkheid

Familie is vanaf het begin van zijn schrijversloopbaan een belangrijk onderwerp in Scholtens werk. Zowel zijn debuut, Tachtig, als zijn laatste roman, De wet van Spengler, thematiseert nadrukkelijk de verhouding tussen de mannelijke ik-figuur en diens familie. Maar waar het in de romans vooral over de directe familie gaat - broers, ouders en ook grootouders - schrijft Scholten nu over zijn voorouders. (De ondertitel van het boek - Een onvolledig en historisch niet noodzakelijkerwijs altijd correct portret van een familie van opgejaagde menisten, grootindustriëlen, kleinwildjagers, collectioneurs, polygame avonturiers, dromers en dappere vrouwen - roept de vraag op of we hier wel echt met een non-fictiewerk te maken hebben. Ik ben geneigd te denken van wel, maar hoe dan ook, fictie of non-fictie, interessant is het zeker.) Scholten stamt van vaders- en moederskant af van uiterst succesvolle Twentse fabrikantenfamilies. Hoewel de economische invloed van deze fabrikanten al vanaf de eerste helft van de twintigste eeuw tanende is, wordt hij niettemin grootgebracht in hun traditie. Deze specifieke familiecultuur, zo betoogt Scholten in Horizon City, vindt zijn oorsprong in de doopsgezinde achtergrond van een groot aantal van zijn voorvaderen.

'Ik heb nog nooit een levend familielid kunnen betrappen op enige devotie, of zelfs maar kerkbezoek, maar wel zie ik bij bijna alle familieleden sporen van de doopsgezinde cultuur: het streven naar onafhankelijkheid, een sterke gemeenschaps- of familiezin, afkeer van grote woorden en een heimelijk verlangen tot clanvorming.'

Het is vooral dat streven naar onafhankelijkheid dat Scholten lijkt te intrigeren. Veruit de meeste plek in het boek is ingeruimd voor avonturiers en buitenbeentjes, voor diegenen die niet klakkeloos met de heersende mores meegingen. Zo schrijft Scholten onder meer over Tijs Lammerink (1775-1845), de arme boerenzoon die erin slaagt fortuin in de handel te maken. Over Conrad Carel Käyser (1876-1939), de ontdekkingsreiziger naar wie het Surinaamse Kaysergebergte vernoemt is. En over oudoom Charles Theodoor (Chuck) Stork (1893-1966) die niet in de voetsporen van zijn vader en grootvader treedt, maar naar Amerika gaat om zijn eigen geluk te beproeven. Chuck maakt een paar keer fortuin, maar raakt het geld ook steeds weer kwijt. Hij sterft uiteindelijk berooid in een kleine nederzetting nabij El Paso, Texas.

Tante Anna

Mijn favoriete buitenbeentje is oudtante Anna Scholten (1874-1949), 'die een beetje gek was, maar niet zo gek als gedacht werd'. Als dochter van een succesvolle fabrikant ontvangt ze een solide en royale dividenduitkering, en die stelt haar in staat haar eigen koers te volgen. Anders dan de meeste vrouwen in die tijd trouwt Anna niet. En daar is ze trots op, getuige het feit dat ze op haar vijftigste verjaardag een groot feest geeft om te vieren dat ze nog steeds niet getrouwd is. Maar dan ontmoet ze oog-, neus- en keelarts Klaas van der Wal en wordt stapelverliefd. Jammer genoeg wimpelt Klaas haar voorstel om samen een glaasje champagne te drinken af, maar Anna laat zich niet snel uit het veld slaan: ze begint - volledig buiten Klaas om! - met het plannen van hun huwelijk. Wanneer de familie Scholten ontdekt dat Anna huwelijksannonces heeft laten drukken en ook al advertentieruimte in de lokale krant voor een huwelijksaankondiging reserveerde, besluiten ze haar op te laten nemen in het Zwitserse sanatorium Bellevue. Dezelfde inrichting waar ook Vaslav Nijinski, Max Scheler, Otto Dix en Martin Buber enige tijd verbleven. Anna spendeert enkele ongelukkige jaren in Bellevue, maar het lukt de artsen niet om haar milde gekte definitief te beteugelen. Gelukkig maar.

Het zijn niet alleen de kleurrijke figuren die dit boek zo interessant maken, het zijn ook de verbanden tussen kleine, persoonlijke geschiedenissen en grote geschiedenis. Het verhaal van de opname van Anna Scholten is hier een goed voorbeeld van. Ludwig Binswanger, het toenmalige hoofd van sanatorium Bellevue, was een levenslange vriend van Sigmund Freud en Carl Jung en Bellevue was een van de eerste sanatoria waar de psychoanalytische methode toegepast werd. De roemruchte patiënte Anna O. (alias Bertha Pappenheim) was er in de zomer van 1892 opgenomen geweest. En er zijn de twee nichtjes, Anne Maclaine Pont (1916-1969) en Ankie Stork (1921), die tijdens de Tweede Wereldoorlog betrokken raakten bij het Utrechts kindercomité en erin slaagden zo'n honderd kinderen uit de klauwen van de nazi's te redden. O en en passant speelde Anne ook nog even Jan Camperts 'De achttien dooden' aan Geert Lubberhuizen door. Lubberhuizen zorgde dat het gedicht gedrukt werd - 'Geert was altijd heel handig in dingen regelen,' zegt Ankie daarover tegen Scholten - en van de opbrengst van de verkochte gedichten financieren ze een deel van de kinderopvang.

Laat mijn naam zijn als een keten

Dit zijn zo even twee voorbeelden, maar Scholten stipt met elk uitgelicht familielid steeds ook een stukje moderne westerse geschiedenis aan. Zo worden historische gebeurtenissen als de industriële revolutie en de Tweede Wereldoorlog, die in geschiedenisboeken nogal eens wat abstracts krijgen, concreter doordat duidelijk wordt wat voor impact ze hadden op de levens van mensen. Daar komt bij dat Scholten een prettige gids is, door zijn lichte, vaak liefdevolle toon en doordat hij ons onderdeel maakt van zijn eigen worsteling met zijn familie. De doopsgezinde familiecultuur die hij in het bovenstaande citaat kort omschrijft, heeft iets tegenstrijdigs. Het lijkt tenminste een paradox, dat streven naar onafhankelijkheid gecombineerd met een sterke gemeenschaps- of familiezin, en afgaande op een aantal van Scholtens persoonlijke anekdotes in Horizon City en zijn deels autobiografische roman Tachtig heeft hij hier als schrijver ook mee geworsteld: wat is mijn plaats als individu, kan ik in dit (familie)verband überhaupt een individu zijn? Het schrijven van Horizon City stelde hem in staat deze tegenstelling te overkomen. Aan het eind van zijn boek schrijft hij vrij naar Neeltje Maria Min:

'Noem me bij mijn naam, laat mijn naam zijn als een keten. Naar wie ik liefheb wil ik heten. Het besef slechts een schakel te zijn in een keten stond me vroeger erg tegen. Nu bevalt het me meer en meer. Dat hele idee van je eigen "unieke leven" is natuurlijk niets anders dan adolescentenhysterie. Al levend leef je vanzelf je eigen unieke leven. En langzaamaan word je wie je bent.'

Door zijn familiegeschiedenis te achterhalen en zijn achtergrond te omarmen, vindt hij antwoord op zijn vragen over individualiteit, zo lijkt het. En kan het niet zijn dat het vermogen om de wereld in te trekken en iets voor jezelf op te bouwen juist verbonden is met die gemeenschaps- en familiezin; is het niet makkelijker om avontuurlijk te zijn als je uit een sterke clan komt?

Ruth Kief is webboekverkoper bij Athenaeum.nl. Daarnaast werkt ze aan een documentaire over haar familie ten tijde van de Tweede Wereldoorlog.

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum