Recensie: Vader en dochter

30 november 2015 , door Marja Pruis
| | | | |

Later vandaag in De Groene Amsterdammer, nu op Athenaeum.nl: Marja Pruis over Jan Siebelinks De blauwe nacht. 'Een tour de force is het ook, zoals Siebelink de in lood gegoten taal van de statenbijbel organisch verbindt met het ongrijpbare vocabulaire van de symbolisten. En dan is De blauwe nacht ook nog eens een warmbloedige, enerverende roman, hysterisch en fijnzinnig tegelijkertijd, waarin het schrijven wordt gevierd als in de beste klassieke traditie.' Athenaeum Boekhandel en De Groene Amsterdammer werken samen, bijvoorbeeld in boekverkoop en een tweede gezamenlijke bijlage.

De nieuwe roman van Jan Siebelink laat zich lezen als een zwanenzang, ware het niet dat dat een beetje morbide klinkt over een schrijver die zo duidelijk in zijn beste doen is. Zwanenzang toch omdat in De blauwe nacht twee werelden op een definitieve manier bij elkaar lijken te komen in een verzoenend visioen: de steile gereformeerde wereld van zonde en schuldbesef, en het mystieke fin de siècle van genot en overgave. Een tour de force is het ook, zoals Siebelink de in lood gegoten taal van de statenbijbel organisch verbindt met het ongrijpbare vocabulaire van de symbolisten. En dan is De blauwe nacht ook nog eens een warmbloedige, enerverende roman, hysterisch en fijnzinnig tegelijkertijd, waarin het schrijven wordt gevierd als in de beste klassieke traditie.

Simon Aardewijn heet de man in wie het woelt en gist, what’s in a name. We volgen hem begin jaren zestig, in Parijs, waar hij in de Bibliothèque Nationale de geest van Rimbaud, Voltaire, Huysmans zo nabij voelt, terwijl buiten de oorlog woedt. De ene na de andere aanslag wordt gepleegd door strijders voor een onafhankelijk Algerije; in het begin van de roman bevindt Aardewijn, of Vinterre zoals hij zich in Frankrijk laat noemen, zich in het oog van de storm als hij op een terras onder het appartement van Sartre en diens moeder bijna zelf het slachtoffer wordt van een bomaanslag. En dat net op het moment dat hij in een flirtage verwikkeld raakte met een jonge vrouw een tafeltje verderop die zich in haar rode jurk aandiende als ‘een verblindend rode vlek’. Hun gezamenlijk lot lijkt voorgoed beklonken.
Wat niet wegneemt dat Aardewijn een man op leeftijd is, gelukkig getrouwd bovendien. Zijn huiselijk paradijs koestert hij zo’n zestig kilometer buiten Parijs, in Médan, het vroegere domein van Emile Zola, met vrouw Martha, dochter Elsa en kleindochter Cielke, en hond Diderot. Zijn kleindochter laat hij aan de rand van de vijver zien hoe het ondoordringbare zich kan openbaren: ‘Als je wat langer naar één plek keek, zag je onder dat dunne laagje drijvend stof de heldere diepte.’

Aardewijn is een aandachtig kijker, naar vrouwen vooral, hij ziet meteen de welving van hun borsten, of ze wel of niet een bh dragen, peilt de naaktheid onder hun kleding. In Judith, de vrouw in de rode jurk, vindt hij zijn evenknie in de zucht naar eeuwig heil. Een van de eerste dingen die ze tegen hem zegt: ‘Jij, Simon, op mijn kamer. Dat heeft met het Eeuwige te maken.’

Passie, orde en ambitie strijden in Aardewijns gemoed om voorrang, net als schoonheid en destructie. In het proefschrift waaraan hij werkt – ongewoon, op zijn leeftijd – moet het allemaal samenkomen, maar in de praktijk krijgt hij amper een letter op papier. Ondertussen leeft hij het leven zoals idealiter dat proefschrift, gewijd aan À rebours van Huysmans, eruit zou zien: vraatzuchtig en onverzadigbaar. Voortdurend laveert hij tussen genot en pijn, straf en verlossing, gematerialiseerd in de drie vrouwen om hem heen, op zeker moment zelfs vier, nog afgezien van de hoeren.

Van Martha houdt hij, zo zegt hij telkens tegen zichzelf. Zij is de enige met wie hij zijn huis wil delen, bij wie hij op zijn gemak is, wier gezicht hem nooit verveelt. Haar tragiek is dat zij hem verleidde op een leeftijd dat hij nog niet wist wat hij, seksueel, met haar aan moest. De herinnering aan haar tóen, zoals ze haar haren losmaakte, haar benen vaneen deed, is van een La grande bellezza-achtige schoonheid. Dit maakt ook zijn liefde voor haar zo niet gratuit, en zijn hang naar hoeren en vampierachtige meisjes vooral nogal menselijk. ‘In zijn hoofd was altijd alles mogelijk.’

Met Aardewijn creëerde Siebelink een personage dat zichzelf beziet, en ook dat maakt hem zo aanvaardbaar. ‘Ja, dat oud-zijn, dacht hij, ik kan er niet onderuit.’ Hij weet hoezeer hij het onmogelijke verlangt, om zowel toen, in de negentiende eeuw, als nu te willen leven, om trouw te willen zijn maar ook niet, om wat goed is kapot te willen maken, en dan het alleronmogelijkste: zijn dochter te willen omvatten.

‘Hij voelde de lust naast haar te liggen, onder of op haar, zonder verder te willen gaan. […] Haar vasthouden, in een allesomvattende omhelzing.’ Judith is in feite slechts een substituut, zoals het bezoek aan de hoeren, het ‘liederlijk klooster’ vlak bij metrostation Strasbourg-Saint Denis waar de triomfboog zich kromt als ‘een in elkaar gedoken beest’, een vorm van rituele schoonwassing is. Bij Judith blijven slapen kan alleen met een gerust hart als hij net Martha nog heeft gesproken en er niks aan de hand is. ‘Hij wenste een leven in overgave, maar precies zoals hij dat wilde.’

Ronduit ontroerend is hoe Siebelink in de dochterfiguur niet alleen de werkelijk onmogelijke liefde vangt, maar ook de vergevende blik. Zij beziet haar vader voor wie hij is, een lichtzinnig flaneur die voortdurend mistast, en accepteert zijn gedrag als passend bij hem. ‘Je begint met iets en je laat het afweten.’

De blauwe nacht is, zij het met heel andere accenten dan in Knielen op een bed violen, opnieuw het verhaal van een zoon die in het gerede moet zien te komen met waarmee zijn vader hem opvoedde, het decreet van Calvijns predestinatie. ‘Met het Heilige, met het Sublieme was hij grootgebracht en hij had er zijn leven lang naar gehunkerd zonder het werkelijk deelachtig te worden.’ In De blauwe nacht blijkt dat het een, het geloof, de weg heeft geplaveid voor het ander, het mystieke. Maar ook dat het een hem nooit verlaten heeft.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum