Recensie: Weerloos aanwezig zijn

30 november 2015 , door Kees 't Hart
| | | |

Later vandaag in De Groene Amsterdammer, nu op Athenaeum.nl: Kees 't Hart over Wessel te Gussinklo's roman Zeer helder licht: 'Toch schreef Wessel te Gussinklo al deze ingrediënten zijn roman binnen en hij slaagde erin een zeer fraaie, geestige, vaak ontroerende en soms pijnlijke roman te produceren. Zoals alleen hij dat kan. Het zit ’m in de stijl natuurlijk. En in de blik.'
Athenaeum Boekhandel en De Groene Amsterdammer werken samen, bijvoorbeeld in boekverkoop en een tweede gezamenlijke bijlage.

N.B. Wij brachten eerder een uitgebreid fragment op Athenaeum.nl. Lees het hier.

Hoe banaal wil je het hebben? Bijna aan lager wal geraakte man van een jaar of dertig wordt verliefd op een negentienjarig meisje. Zij is van goede komaf, ook dat nog. Toekomstige romanschrijvers, don’t try this at home! Voordat je het weet loop je vast in gejammer, misverstanden, liefdesverdriet, generatiegedoe en een slecht einde.

Toch schreef Wessel te Gussinklo al deze ingrediënten zijn roman binnen en hij slaagde erin een zeer fraaie, geestige, vaak ontroerende en soms pijnlijke roman te produceren. Zoals alleen hij dat kan.

Het zit ’m in de stijl natuurlijk. En in de blik. En in het merkwaardige feit dat je Wessel te Gussinklo bent, een schrijver die al eerder met personages aan de slag ging die bol staan van te hoge verwachtingen en zichzelf daarmee voortdurend in de wielen rijden. Zie de meesterlijke roman De opdracht (1996), die niet of nauwelijks voorkomt in de toplijsten van de naoorlogse Nederlandse literatuur. Met daarin een jongen waar je zowel om moet lachen alsook met een toenemend gevoel van tragische bekommernis naar zit te kijken. Net als naar de hoofdfiguur van deze nieuwe roman.

Wander heeft veel trekken van een querulant, hij is niet bereid iets nuttigs te doen en is daar zelfs trots op. Met de studie is hij gestopt, maar hij voelt zich superieur aan iedereen en lijdt tegelijkertijd aan ernstige zelfhaat. Hij schrijft zo’n beetje een roman en koestert extreem hoge verwachtingen van het schrijverschap, hij gaat naar de hoeren en hangt verder in cafés rond, samen met andere onbenullen en warhoofden. Alleen al het beeld van dit cafébestaan van niks en onzin weet Te Gussinklo ons dwingend voor te toveren. ‘Daar was alles vertrouwd en bekend… Ach ja, die studie… Nou ja, die baan… Ja, ik schilder nog wel, maar ja, maar ja (kantelend handje). Of ze schreven. Ze hadden een ongelukkige liefde. Kaarten was hun leven; ja, ook biljarten.’ En: ‘Als ik niet drink…’ Praatjes over bier, de wijn, wijven, leuke grapjes. Kantelend handje, dat is natuurlijk zeer fraai gezien, ik moest ervan grinniken en tegelijk ook van handenwringen omdat ik mezelf met terugwerkende kracht in zo’n café zag zitten oreren.

Ik heb regelmatig echt keihard om dit boek gelachen, en dat zit ’m in de manier waarop Te Gussinklo een jaloersmakend mengsel van hoge verwachtingen en banale platvloersheid weet te brouwen. Spreektaal en de taal van het hogere, het zit bij hem allemaal dicht tegen elkaar aan en het zorgt ervoor dat je jezelf weer ziet rondlopen als verwaten jongen met hoge maar onduidelijke ambities. Wander weet alles beter, maar niet heus, is een ouwehoer eerste klas, een megalomane jongeman die niet volwassen wil worden, maar ook een hemelbestormer die je ondanks alles serieus gaat nemen, met zijn haarscherpe en pijnlijke analyses van zichzelf, en van kunst en literatuur. Ook al denk je er meteen bij: meent-ie het nou, of is het grootspraak.

Soms is het allemaal te raar voor woorden en dan weet de schrijver die woorden toch onbarmhartig te vinden
 

Met anderen durft hij nauwelijks over zijn hoge ambities te praten en juist die aarzeling, die de hele roman door blijft klinken, en die ook de schrijfstijl bepaalt, maakt dit boek schrijnend en tegelijkertijd treurig mooi. Tegenover zijn meisje Hanna dat echt haar uiterste best doet hem te begrijpen, valt hij terug in gestotter. ‘“Nou ja”, zei ik, “nou ja.” Ik stokte, plotseling een beetje ademloos. Want stil was het naast me, geen beweging, geen woord; ver weggezonken leek Hanna opeens, ver bij mij vandaan, haast of ik hier plotseling alleen zat en in eenzame waanzin voor mij uit praatte, zomaar wat in de ruimte.’ Je kunt dit pathetisch noemen en dat is het ook, maar Te Gussinklo geeft er door die merkwaardig spreektalige ‘nou ja’s’ iets weerloos aan. Verderop laat hij het Wander nog eens herhalen: ‘Ik haalde mijn schouders op. “Nou ja”, zei ik opnieuw, “enzovoort. Enzovoort.”’ En weer een bladzijde verder laat Wander zich eindelijk verleiden tot een overpeinzing vol hoge verwachtingen, die alles over hem zegt maar ook over de opvattingen over het schrijverschap van Te Gussinklo zelf: ‘Romans zou ik schrijven met de gouden woorden, de gouden beelden die mij vanzelf zouden toevallen, zoals steeds tot nu toe, over het weerloos aanwezig zijn, over de misvormde onteigenende krachten; groots en ongezegd zou alles zijn wat ik schreef.’ Dit zijn dus de gelukkige woorden waar je als schrijver steeds naar zoekt: ‘weerloos aanwezig zijn’, ‘groots en ongezegd’, en ook dat ‘de misvormde onteigenende krachten’. Wat een paradoxale woorden! Dat krijg je allemaal niet vanzelf op papier. Grote woorden zijn het ook maar in deze context van voorzichtig denken aan en spreken tot een geliefde zijn ze ineens groots, juist omdat ze een vertwijfelde aarzeling in stand houden. Schrijven moet tegelijk ook altijd een vorm van aarzelen zijn.

Ook over liefde en verliefdheid produceert deze bevlogen schrijver aan de lopende band fraaie inzichten. Onzekerheid of de liefde wederkerig is, onzekerheid over de eigen diepste drijfveren, onzekerheid over het eigen verlangen. Soms is het allemaal te raar voor woorden en dan weet de schrijver die woorden toch onbarmhartig te vinden. Wie meer te weten wil komen over de fenomenologie van de mannelijke verliefdheid kan bij Te Gussinklo terecht. De plotselinge angst bijvoorbeeld dat de geliefde toch niet mooi is, dat je je vergist hebt, dat ze toch te korte beentjes heeft, dat je dat steeds gemist hebt. ‘O mijn god, als ze maar niet al te lelijk was – want plotseling was zelfs dat, haar schoonheid eveneens betwijfelbaar. (…) Misschien had ze wel een loensende blik met van die natte ogen, of iets slaafs en wits in haar gezicht, of zo’n tand, of van die neusgaten…’ Schateren en huiveren. Alles is aarzeling en grootspraak in dit boek, verlangen en weerzin, machteloosheid en eigendunk. Wat een schitterende roman!

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum