Leesfragment: Witte honger

18 december 2016 , door Aki Ollikainen
| |

Vorige maand verscheen Witte honger, de door Annemarie Ras uit het Fins vertaalde roman van Aki Ollikainen. Lees bij ons een fragment!

Witte honger is de emotionele geschiedenis van een vrouw die alles op alles zet om haar kinderen een beter leven te geven. Deze roman is geschreven door de Finse schrijver Aki Ollikainen. Finland, 1867. 

Marja laat haar man en boerderij achter en maakt met haar twee kinderen een voettocht dwars door het winterse landschap. Ze wil Sint-Petersburg bereiken, het centrum van het Russische Rijk waartoe Finland behoorde, waar genoeg brood is voor iedereen. De natuur is onherbergzaam, en veel hulp hoeft Marja niet te verwachten. Wanneer ze het ten einde raad bijna wil opgeven, ontmoet ze een jongeman die haar wil helpen. Maar is hij wel te vertrouwen?

Aki Ollikainen weet met weinig woorden een groot verhaal neer te zetten. Witte honger werd genomineerd voor diverse prijzen, waaronder de Finlandia prijs en de Man Booker International Prize.

 

Wit is de kleur van de dood. Tijdens begrafenissen kleedt men zich in het zwart, de levenden althans. Ook de overledene is in het zwart gehuld, omdat die de beste kleren draagt die hij bij leven heeft bezeten, maar het gezicht is altijd wit. Wanneer de ziel de mens verlaat, blijft alleen het wit over.
Het gezicht van Juhani verliest zijn kleur. Eerst verdween het rood, de kleur van het bloed. Het werd geel, toen verdween ook het geel, en het grijs bleef over, dat nu verbleekt en langzaam richting wit gaat.
Juhani strekt zijn hand uit. Uit de wijd geopende mond, diep uit het binnenste van de man, klinkt gerochel. Hij probeert iets te zeggen, maar Marja wendt haar gezicht af naar het raam. IJsbloemen bedekken het vensterglas, ze zijn lelijk, bespotten de zomerse beemden, deze bloemen van de dood. De rijp verspreidt zich als onkruid vanaf het raamkozijn via de naden tussen de balken over de muur. Het ergst is de deur; de sneeuw baant zich door de kieren een weg naar binnen en omlijst de deuropening als de dood die van zins is zijn intrek te nemen in het hutje.
Marja legt Juho op het bankje neer en wikkelt de deken strakker om het kind heen. Daarna loopt ze naar de andere kant van de kleine kamer en buigt ze zich over het gelaat van haar man. Juhani’s wangen zijn verschrompeld en worden bedekt door een armzalig baardje, dat meer lijkt op een door vorst geteisterd gewas. Zijn ogen zijn twee wakken in het ijs van een meer zonder vis. Hij leeft, dat is te zien aan de beweging van de borstkas; zijn hijgen is geruisloos.
‘Jezus, Marja… Jezus… Help…’
‘Altijd weer die Jezus.’
Marja loopt terug naar de andere muur van de kamer en pakt Juho op. Mataleena legt wat houtblokken op de zwakke vlammen.
‘Leg alles erop,’ fluistert Marja.
‘We moeten sparen, als we niet voor nieuw hout zorgen.’
‘Vergeefse moeite.’
Mataleena knielt naast haar vader neer en voelt diens hete voorhoofd. Ze probeert de deken te schikken. Vader pakt zijn kind bij haar pols en slaagt erin de schaduw van een glimlach op zijn gezicht te toveren.
‘Lieve kind, geef me iets te drinken.’
Mataleena staat op om water te halen uit de ketel die op de oven staat.
‘Bevroren,’ zegt Marja.
Mataleena kijkt in de ketel. Op de bodem ligt een plasje water, bevroren. Wanneer ze de ketel naar het licht draait en haar gezicht in de opening duwt, ziet ze haar spiegelbeeld.
‘Haal sneeuw,’ zegt Marja.
‘De zon,’ zegt Mataleena bij de deur.
De storm is heel even gaan liggen. De wolken maken plaats voor de zon, die de ijsbloemen op het vensterglas zilver kleurt. De kamer wordt opgesierd door iets wat aan het leven herinnert: op de vloer tekent zich een kruis af, gevormd door het lattenwerk van het raam.
Mataleena komt weer binnen, ze draagt sneeuw in de kom die ze met haar handen heeft gevormd. Ze wil die in de ketel stoppen om te laten smelten, maar Marja houdt haar tegen.
‘Vergeefse moeite, stop het rechtstreeks in zijn mond.’
Voorzichtig wrijft Mataleena de sneeuw tegen de gesprongen lippen van haar vader, hem langzaam voerend, alsof ze stukjes zoet brood aan een klein kind geeft. Uit Juhani’s mond klinkt het ratelende geluid van een spinnende kat.
Marja laat haar blik de kamer rondgaan. Nu moeten ze vertrekken, voordat de storm weer komt opzetten; daarna zullen ze zelfs het volgende huis niet halen maar nog vóór de rivier de Pajuoja ineenzakken en onder de sneeuw begraven worden. Niet het vertrek jaagt angst aan, maar de gedachte dat ze misschien zouden moeten terugkeren. Ze moeten zo ver mogelijk bij hun pachtershuisje op de hoeve van Korpela vandaan zien te komen. Het enige wat hier nog rest is de dood.
Marja plukt een stukje stro uit Juho’s mondhoek. Het dennenschorsbrood is al enige tijd op. Korstmos durft ze niet meer te gebruiken nadat Lauri van boer Paju stierf toen hij korstmosbrood had gegeten. Het was aan het eind van de zomer, een jaar of wat geleden, in de tijd dat ze eigenlijk hadden moeten oogsten. Boer Lehto zei dat Lauri aan een vergiftiging was overleden. De boer had in de krant gelezen dat korstmos op de juiste manier behandeld moest worden als je er meel van wilde maken.
‘Mataleena, we moeten vertrekken.’
‘Papa is te zwak.’
‘We moeten papa achterlaten.’
Mataleena duwt haar gezicht in de deken ter hoogte van haar vaders buik en snikt. Juhani kijkt Marja aan en probeert iets te zeggen. Marja staat op en loopt naar hem toe. Ze houdt haar hoofd schuin en kijkt onderzoekend naar het gezicht van haar man.
Wat probeert hij te zeggen? Juhani kan opnieuw alleen maar gerochel uitbrengen. Hij grijpt Marja bij de arm, en Marja probeert hem niet los te schudden maar kijkt haar man nieuwsgierig in de ogen. Vraagt hij om hulp of genade, of spoort hij hen aan om te gaan? Begrijpt hij überhaupt nog iets? Marja kijkt hem langdurig aan, maar kan er niet achter komen.
Ze bindt haar kerksjaal om Juho’s hoofd en wikkelt daar ook nog een halsdoek omheen. Op haar eigen hoofd zet ze de bontmuts van Juhani. Ze draait hem een paar keer rond in haar handen, besluit uiteindelijk dat ze hem beter binnenstebuiten kan dragen.
‘Trek aan wat je kunt vinden,’ raadt ze Mataleena aan. Zelf hult ze zich in de zwarte wollen jas van Juhani. Die ziet eruit als een rouwgewaad; Juhani is een lange man. Was. Ze pakt zijn wanten, geeft die van haarzelf aan Mataleena. De wanten van Mataleena trekt ze Juho aan, over diens eigen wanten.
‘We moeten hout halen voor papa,’ zegt Mataleena.
Marja werpt een blik op Juhani en gaat naar buiten. Het licht dringt haar neus en ogen binnen, dringt door tot onder haar kleren, komt via alle lichaamsopeningen binnen en vult heel even de leegte die door de honger is uitgegraven.
Marja staat met gespreide benen en laat de zon de vrieslucht waarin haar lichaam is gehuld opwarmen. Dan waadt ze over het pad dat door de sneeuwstorm aan het oog is onttrokken naar de stal, in de hoop daar iets te vinden wat verbrand kan worden. Ze heeft niet de moed om naar binnen te gaan maar grijpt een deurplank vast die toch al gammel aanvoelt. Ze trekt eraan, met het hele gewicht van haar magere lichaam. De roestige spijker knarst wanneer hij loslaat, en Marja valt op haar achterwerk. De sneeuw vangt haar zachtjes op.
Binnen in huis trapt ze de plank in tweeën tegen de bank. Mataleena streelt met een want over de rug van Juhani’s hand, Juho leunt met zijn hoofdje tegen het voorhoofd van zijn vader. De jongen ziet er in die houding schattig en vreemd uit, Marja wordt overvallen door melancholie. Ze voelt hoe haar kaak begint te trillen, maar spuugt haar tranen als speeksel in de brandruimte van de oven.
Mataleena voert haar broertje mee naar de deuropening, Marja stopt de laatste strobroden in Juhani’s hand. Ze vult de ketel met sneeuw en zet hem dan naast het bed neer, zodat haar man erbij kan.
‘Meer dan dit kan ik niet opbrengen,’ fluistert ze. Hij grijpt haar schouder vast en probeert zich overeind te worstelen, wat hem niet lukt. Hij slaagt erin nog iets onbegrijpelijks te rochelen voordat hij weer achterover zakt. Marja tilt zijn hand van haar schouder en legt die op zijn borstkas. Ze drukt haar lippen tegen Juhani’s voorhoofd, en dan onverwacht ook tegen zijn lippen, laat ze daar lange tijd rusten, ademt nog één laatste keer samen met haar man in hetzelfde ritme.

Buiten verbaast Marja zich erover dat de ski’s nog niet zijn opgestookt, ondanks het gebrek aan hout, maar daar is ze nu dankbaar voor. Er steekt een lichte wind op, die sneeuw tegen de grijze muur van het huisje blaast. Langzaam dringt de sneeuw over de drempel heen naar binnen, als om te controleren of daar iets te eten te halen valt. De wolken drijven voor de zon langs maar houden niet stil om die te verbergen.
Juho hangt bij zijn moeder op de rug, Mataleena gaat achter haar op de ski’s staan. De stokken zijn iets te lang voor Marja. De deur van het huis staat wijd open, net zoals Juhani’s mond. Marja verbiedt Mataleena terug te gaan om de deur dicht te doen.
‘Zo is het barmhartiger.’
Een koude wind veegt door de rivierbedding van de Pajuoja. Sneeuwtongen hebben de steile randen van de beek afgevlakt, de wilgenstruiken worden bijna begraven in de sneeuwhopen, slechts een paar donkere punten steken uit de verstikkende witte deken. Marja skiet voorzichtig een sneeuwtong af.
Eenmaal beneden wankelt Mataleena, waarna ze op haar gezicht in de sneeuw valt. Ze probeert overeind te komen, maar belandt op haar rug.
Marja durft zich niet voorover te buigen om het meisje overeind te tillen, omdat ze bang is dat Juho zal vallen. De jongen hangt slapjes op de rug van zijn moeder, met zijn armen om haar hals geslagen. Marja reikt Mataleena haar skistok aan om op te steunen. Het kind is helemaal kapot. Als het om iemand anders ging dan Mataleena, om Juhani bijvoorbeeld, had ze de stok gebruikt om hem een genadeklap op het voorhoofd te geven, denkt Marja. Mataleena weet op de been te komen en gaat wankelend weer achter op de ski’s staan.
‘Een ander was blijven liggen,’ laat Marja zich ontglippen. Mataleena drukt zich stevig tegen de rug van haar moeder aan, en zo staan ze heel even met zijn drieën op het ijs van de Pajuoja, zonder vooruit te komen. Marja zou het liefst willen opgeven en zich in de sneeuw willen laten vallen. Dan verzamelt ze haar krachten en dwingt ze zichzelf de reis voort te zetten.
Kwaad denkt ze aan Juhani, aan hoe die weigerde te eten en alles aan haar en de kinderen gaf. Dat was dom, hij had voor zichzelf moeten zorgen, opdat hij in staat zou zijn geweest de verantwoordelijkheid voor zijn gezin te dragen. Zij en de kinderen zouden met minder ook wel in leven zijn gebleven, maar nu, zonder Juhani, konden ze de winter in Korpela niet trotseren.
Juhani’s keuze was niet een kwestie van edelmoedigheid; lafheid, dat was het geweest.
Al snel na de Pajuoja duikt in de verte Lehtovaara op; daarachter ligt de hoeve van de familie Lehto. Vanaf de top van de heuvel is aan de horizon de kerktoren te zien; die steekt op dezelfde manier uit het witte landschap omhoog als de wilgentakken op de oever van de Pajuoja.
Midden in de woonkeuken bij Lehto thuis staat een grote ton. Boer Lehto zit aan tafel, de handen gekruist, en kijkt de bezoekers achterdochtig aan.
‘Hebben de bewoners van Korpela hun huis nu ook al moeten verlaten om te gaan bedelen?’
‘Eén nachtje maar, zodat we morgenvroeg verder kunnen?’
‘Hoe gaat het met Juhani?’
‘Slecht.’
Lehto’s blik valt op zijn eigen handen. Er wellen tranen op in zijn ogen, hij kijkt uit het raam, vervolgens naar het vuur dat in de open haard brandt. De boerin komt uit het slaapvertrek en loopt op Marja af om haar te omhelzen. De kinderen sluipen verlegen in de richting van de ton.
‘Daar zit teer in. Dat houdt ziekten buiten, teer houdt ze op afstand,’ zegt Lehto.
De boerin begint de kinderen uit hun bovenkleding te helpen. Wanneer ze het gezicht van Mataleena ziet, begint ze te kreunen. ‘Mijn goede God! Ik ga onmiddellijk pap koken.’
De boer waarschuwt hen ervoor niet te veel te eten, een honge - rige buik kan geen voedsel verdragen. Marja kijkt rond in de woonkeuken. Vergeleken met Korpela oogt alles schoon en opgeruimd. Het vuur in de open haard schept een huiselijk, warm licht.
‘Heeft Juhani het leven verloren?’
‘Leven deed hij allang niet meer. Hij is achtergebleven om te sterven.’
‘Heb je hem achtergelaten?’
‘Hij was net zomin in staat om te vertrekken als om verder te leven. Had ik hem uit zijn lijden moeten verlossen?’
‘Er wordt gezegd dat er her en der ook al doden zijn opgegeten,’ mengt de boerin zich in het gesprek.
Lehto werpt een kwade blik op zijn vrouw.
‘Vrouwenpraat.’
‘Papa wordt toch niet opgegeten?’ fluistert Juho.
‘Natuurlijk niet, papa gaat naar de hemel.’
‘Maar als iemand het huis binnengaat en hem opeet?’
‘Moeder de vrouw vertelt alleen maar spookverhalen,’ zegt Lehto geruststellend tegen Juho.

Zodra ze de pap ophebben vallen Juho en Mataleena op de bank in slaap. Lehto zit in de schommelstoel en kijkt naar de vlammen. Marja staart door het raam naar de duisternis, de boerin zit aan de andere kant van de tafel en staart naar haar.
‘Het zijn deemoedige tijden, een aardappel is nauwelijks van een bosbes te onderscheiden,’ zegt Lehto.
‘Kunnen jullie… ergens naartoe? Naar familie ergens?’ vraagt de boerin.
‘Konden we maar ergens heen waar in ieder geval nog brood is.’
‘Nog even en dan moet je daarvoor naar Sint-Petersburg. En ik weet niet of ze daar nog brood hebben,’ verzucht de boer.
‘Laat een van die twee kinderen toch hier. Niet dat wij brood overhebben, maar eentje zouden we kunnen opnemen. Dat meidje kan toch al flink werken,’ stelt de boerin voor.
‘Mataleena geef ik niet weg!’ snauwt Marja, waarna ze stilletjes in snikken uitbarst.
‘Ik… ik weet niet wat ik… zonder Mataleena… in mijn eentje met Juho,’ stamelt Marja.
‘Laat de jongen hier,’ zegt de boer.
‘Juho?’
‘We kunnen Korpela zodanig onderhouden dat Juho er te zijner tijd… Al kan het altijd nog zijn dat jullie terugkeren. Het is niet gezegd dat jullie…’
‘Ik geloof niet dat we ooit naar Korpela zullen terugkeren,’ zegt Marja.
‘Slaap er nog een nachtje over. We zouden goed voor de jongen zorgen,’ zegt Lehto.
De boerin zegt dat ze er zeker van is dat Marja en de kinderen de volgende kerst weer in hun huisje in Korpela zullen vieren. Uit het overdreven enthousiasme van de boerin leidt Marja af dat de Lehto’s niet verwachten dat ze hun bedelreis zullen overleven. Ze wenst het echtpaar een goede nacht, loopt naar het bankje bij de deuropening en gaat daarop liggen, op haar zij. De wind jaagt aan de andere kant van de deur als een hongerige roedel wolven. Marja staart naar de teerton in het midden van de woonkeuken; de slaap stijgt op uit de ton en slokt haar in zich op.

 
© 2016 Nederlandse vertaling Ambo|Anthos uitgevers en Annemarie Raas

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum