Leesfragment: Geen kunst

02 juni 2017 , door Péter Esterházy

7 juni verschijnt Geen kunst van Péter Esterházy (1950-2016). Wij publiceren voor.

In Geen kunst wekt Péter Esterházy zijn gestorven moeder tot leven. Terwijl hij aan zijn roman werkt, bezoekt hij haar dagelijks. Tijdens het middageten praten ze met elkaar, en meestal over voetbal, met stip het favoriete onderwerp van zijn moeder. Steeds vertelt ze nieuwe verhalen. Over de jaren vijftig in Hongarije, over het ‘wonderelftal’ van Bern, over haar vriendschap met de voetbalgoden Hidegkuti en Puskás. De laatste maakte haar het hof en zorgde er in 1951 voor dat haar gezin niet werd gedeporteerd. Binnen de vier hoeken van dit speelveld positioneert de verteller zijn familieleden om hun bijzondere geschiedenis opnieuw gestalte te geven.

 

Mijn moeder als slachtoffer van de literatuur

In mijn laatste boek, inmiddels het voorlaatste, want ondertussen is ook Rubens verschenen, staat een scène waarin ik mijn moeder, die op haar sterfbed ligt, de regel van het buitenspel uitleg. Misschien overdrijf ik niet als ik stel dat dit beeld indrukwekkend is. Laten we ons de ‘opofferingsgezinde en veel geleden hebbende’ moeder voorstellen, mijn moeder, uit wie slangen naar buiten hangen, ‘merkwaardige, verre voorwerpen, waar ingewikkeld gebogen slangen uit steken, tussen de ingevallen lippen blaast de gierende wind’, haar ogen dicht, toch slaapt ze zichtbaar niet, tegelijkertijd is ze ook niet dood, dat is ook zichtbaar, haar ziel (meer dan een zucht, minder dan een godsbewijs) huist nog wel in haar, maar iets is al – zeg niet in verband met mij ‘al’ – definitief veranderd, mijn moeder is onderweg, ze is niet magerder geworden, zoals we eerst zouden denken bij het zien van de ingevallen wangen, de verlepte, hangende huid, de witheid die geen wit genoemd mag worden en die als het ware naar achteren schijnt, ze slokt het licht op, de blik, de hele wereld, deze witheid heft alles op, het voelt niet goed om ernaar te kijken, toch is het onmogelijk er niet naar te kijken. Het waren de verhoudingen die veranderd waren. Alles was scheef geworden.
Ik zeg het niet graag, maar ze kreeg een paardengezicht (in die boeken van mij waarin ze op haar sterfbed lag). Vóór de veranderingen leek ze verbluffend veel op de Engelse koningin, Elizabeth, ze was sprekend haar evenbeeld, of zo niet, want dat zou van de vooringenomenheid van de zoon getuigen, dan toch haar evenbeeld. (Mijn broers en ik hebben ook in de schoonheid van Éva Ruttkai die van onze moeder ontdekt, ons gebrek aan objectiviteit lag in dat geval in het gelijkende kapsel, denk ik, in een bepaalde tijd leek hun haar erg op elkaar, hoe ze het droegen, waarin iets van een dame school, hoewel we onder damesachtig toch de geur verstonden, odeur, jongen van mij, odeur, odeur, parfum, om concreet te zijn. Hoewel we niet alle geparfumeerden een dame noemden, een dame was in ieder geval geparfumeerd. Over de geur van Ruttkai beschikten we niet eens over betrouwbare inlichtingen. Later stond ik een keer met haar samen op toneel. Toen zag ik wat een buiging is, wat voor een uitgebreid systeem van ingewikkelde bewegingen, en hoezeer er, ondanks een goed functionerende routine, absolute aandacht voor nodig is. Ik vertelde haar dat ze op mijn moeder leek. Ze glimlachte, alsof ze me niet eens zag staan. Toch zei ze aan het einde van de avond even dat ze de groeten deed aan mijn geachte moeder. Ik kan me niet herinneren of ik ze heb doorgegeven of niet.) Ze leek dus op de koningin, want als ik iemand vroeg: lijkt ze op haar?, eigenlijk stelde ik de vraag: ze lijkt toch wel?, dan antwoordde iedereen zonder uitzondering (bijna nog met het klakken van de tong): inderdaad, of nog sterker: ongelooflijk!, hoewel onze gedachten hier in Hongarije relatief zelden (eigener beweging) naar de koningin aller Engelsen uitgingen, de jaren zestig, zeventig van de twintigste eeuw gingen niet voorbij met het regelmatig oproepen van het beeld van de onverwacht weinig aristocratische, wel fijne, maar niet verfijnde gelaatstrekken van de Engelse koningin. In nieuwsuitzendingen dook ze zo nu en dan op tussen twee gebontmutste, ik zei altijd: borstelige, leden van de erewacht, en op zulke momenten riep ik, veelal in mezelf, doch soms luidkeels uit: precies mama! Ik had een kleurenansichtkaart van haar, ook daar staat ze tussen de borsteligen. Die heb ik nog steeds en ik gebruik hem als bladwijzer, ik kijk ernaar alsof mijn moeder om een of andere reden koningin zou zijn. Ze zou zijn gekozen... nogal onverwacht en met maar een kleine meerderheid, maar met des te groter enthousiasme op de ijsschotsen van de Theems. Koningin Lilike! Op je knieën, honden! Op het ziekenhuisbed was haar kin langer gegroeid, haar ogen groot als walnoten. De scheef geworden verhoudingen werden voornamelijk door de neus uitgedrukt. Uit het gezicht van mijn moeder keek de neus van haar broer naar buiten. Uit het gekwelde, geschrobde, verzwakte gezicht een vlezige, vitale, plompe neus. Een falstaffiaanse uitpuiling uit een gotisch fundament.
Laten we ons dit voorstellen.
De doorzichtige zweetsluier glijdt met een loden gewicht over haar voorhoofd als had ze zware fysieke arbeid verricht, als verwijzend naar de slavenarbeid van de voorbije decennia, haar warrige, natte haren hangen samengeklit op haar voorhoofd, hangen moedeloos naar beneden (als in een verhaal van Mándy), aan de zijkanten, achter en boven op haar hoofd staan ze door elkaar gewoeld als in de war geraakte mussenveren. Korter dan gewend. En toen, in dat boek van mij, ging ik aan de rand van haar bed zitten, haar dij gloeide door het dekbed. Laten we niet vergeten, ze lag op sterven. Oorspronkelijk wilde ik niets zeggen, want ik had niets te zeggen. In deze waardeloze stilte, bij de slurpende geluiden van de machines die mijn moeder, haar lichaam, in leven hielden, schoot mij haar lach te binnen, de zeldzamer dan zeldzame lach van mijn moeder. Glimlachen ja – ze glimlacht als een rond gerstebroodje op de ovenschop: dit toch wat sporadischer – blijmoedig kijken ja, lachen zelden. Schateren zelden. Uitbundig lachen. ‘En toen barstte mijn moeder in een bulderende lach uit’: een dergelijke zin bestaat niet, schoot me te binnen daar, zittend aan de rand van haar bed. Met mijn zusje (beter gezegd mijn broertje, nauwkeuriger: een van mijn twee broertjes, die in de romans veelal een zusje worden, van wie ik een zusje maak, niet om dieptepsycholo - gische, eerder om praktische redenen, hooguit omwille van de dramaturgie: ik heb ons vieren niet allemaal nodig, doorgaans zijn drie richtingen voldoende) plachten we zo af en toe de vooroordelen van de macho op onze moeder te testen, volgens welke het vrouwelijke brein als zodanig onmachtig is de buitenspelregel in het voetbal te bevatten. We deden ons best om die er bij haar in te rammen, vergeefs. Ze lachte alleen (ik sluit niet uit dat dit de reden was om steeds op deze eenvoudige grap terug te komen), of ze giechelde eerder, ze giechelde blij, bijna ginnegappend, en zei dat ze het niet begreep, en niet en niet, ze begreep het niet. Ik begrijp het ook niet!, riep ze triomfantelijk en ze keek ons aan alsof wij goede kindjes van haar waren, en wij konden het gevoel hebben dat we dat inderdaad waren.
Ik streelde het dekbed, dit is dus de laatste gelegenheid. Nu zijn alle ogenblikken op een bepaalde manier de laatste, nog afgezien van het feit dat elk ogenblik dat is, uniek, en daar mag je best stil van worden. De bij voorbaat ernstige mensen kijken bij voorbaat van de kant van de dood naar het leven, zo lees ik dat. De laatste gelegenheid om haar – de facto op het laatste ogenblik – die verrekte regel van het buitenspel te doen begrijpen. Ik schaamde me niet, maar begon naar haar te murmelen, als een gebed naar de verklaard lege hemel, eerst strikt alleen de definitie – wat kon ze daar hartelijk om lachen: het moment van het do-hoor-spe-he-le-hen!, ik weet het!, en haar tranen rolden! – vervolgens de basisproblemen, de bekende valsituaties, rariteiten, bijzonderheden, vervolgens de geschiedenis van het buitenspel, het verhaal ervan en de ontologie, psychologie en mysterie, de mystiek, het wonder, de genialiteit die in zijn eenvoud schuilt, dit waren mijn laatste woorden die ik tot mijn moeder richtte en die, dat voelde ik, eindelijk niet op een stenen grond vielen, haar wimpers bewogen even en ze drukte mijn hand, zoals je dat in films ziet. Ik had niet willen hebben dat ze totaal onvoorbereid voor haar hemelse rechter zou komen te staan.

[...]

 

Copyright © Péter Esterházy, 2017/Piper Verlag GmbH, München, Berlin
Copyright Nederlandse vertaling © 2017 Györgyi Dandoy/ BV Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum