Leesfragment: Over vriendschap. De praktische filosofie van Kant

21 februari 2020 , door Donald Loose
| | | | |

Donald Loose staat op de shortlist van de Socratesbeker 2020 met zijn boek Over vriendschap. De praktische filosofie van Kant. Tijd voor een fragment, uit het zesde hoofdstuk! (Update 21 juni: Loose wint de prijs!)

Immanuel Kant besluit zijn laatste grote werk over de zeden met beschouwingen over vriendschap. Jarenlang rondde hij er zijn ethiekcolleges mee af. De hele praktische filosofie van verlichtingsdenker Kant blijkt veel genuanceerder dan de gerenommeerde plichtenleer suggereert. Het spreekwoordelijk geworden dualisme van ideaal en werkelijkheid, plicht en geluk, rede en gevoel, liefde en respect, afstand en toenadering, bekentenis en geheim, intentie en verwachting is juist telkens afgestemd op een verhoopte mogelijke synthese. Hoe zeldzaam ook (zij is ‘een zwarte zwaan’) de vriendschap bestaat wel degelijk. In dialoog met klassieke premoderne auteurs (Aristoteles, Montaigne), kritische tijdgenoten (Von Kleist, Schiller), latere wijsgerige beschouwingen (Ricoeur, Levinas, Jankélévitch, Derrida) en evocaties uit de literatuur (Proust, Marai) krijgt Kants idee van vriendschap hier haar eigen fijnzinnig profiel. Vriendschap is een deugd en onze opvatting daarover is niet alleen verweven met seksuele geaardheid, schoonheidsidealen en persoonlijk welzijn, maar ook met maatschappelijke thema’s van politieke en religieuze aard. Het boek ontsluit aldus de gehele praktische filosofie van Kant en het illustreert haar blijvend belang voor de huidige samenleving.

 

Liefde

Liefde is wellicht de meest ambigue term in de context van Kants idee van vriendschap. Die kan dan ook gemakkelijk aanleiding geven tot verwarring en misvatting. Wanneer we aan de liefde denken als hitsige dan wel gevaarlijke liaisons, zoals vooraanstaande achttiende-eeuwse tijdgenoten (Casanova, Beaumarchais, Goldoni, Marivaux, Choderlos de Laclos) haar schetsten, dan geeft Kant niet thuis. Zoals dat bij elk gevoel het geval is, moet ook hier de rede de baas blijven. Kant maakt daarom een onderscheid tussen een passionele liefde en de liefde die we voor een ander opbrengen wanneer we de deugd van welwillendheid voor andermans doelen cultiveren, zoals in een vriendschapsrelatie. Liefde als affect kan op zich geen richtlijn bieden voor onze deugdenplicht. Anderzijds moeten we ook in de redelijke welwillendheid het gevoel niet geheel elimineren. En zoals het respect in de vriendschapsrelatie in balans moet zijn met de welwillendheid, zo moet onze liefdevolle welwillendheid altijd gepaard gaan met respect.

Passionele liefde versus liefdevolle welwillendheid

Proust heeft aan Kant geen boodschap, getuige de onverholen sneer naar ‘de symposia van Königsberg, “met zuurkool maar zonder gigolo’s, onverteerbaar en kuis, waar de grote afvallige van het protestantisme aan het platoniseren ging”’. Dat is dan deels ten onrechte, want Kant was een gezellige tafelgenoot, die zijn gastmaal allerminst tot zuurkool beperkte. Proust had, anders dan Kant, sowieso geen hoge dunk van vriendschap. Ze is volgens hem verspilde tijd en een riskant genoegen, omdat het afhankelijk is van de ander, van iets wat buiten jezelf ligt en dus altijd verloren kan gaan. Bovendien ervaar je maar zelden het genot dat je de verschillen tussen je eigen ziel en die van een ander kunt uitwissen en niet ziet toenemen. Vriendschap betekent volgens Proust afstand doen van je ware zelf. Je blijft aan de buitenkant van jezelf in oppervlakkige conversaties, in plaats van af te dalen in de diepte van je ware zelf. We proberen de verveling te compenseren door achteraf, als we weer alleen zijn, de emoties op te roepen die vriendschappen teweegbrachten. Dat is een illusie, want we zijn geen gebouwen waaraan je van buitenaf stenen kunt toevoegen, maar bomen die het sap uit hun eigen wortels halen om hun kruin te laten groeien. Hoe naïef was zelfs Nietzsche dat hij meende dat je er enige intellectuele waarde aan kon verlenen! Alle inspanning leidt er slechts toe dat we het enig werkelijke en onmededeelbare deel van onszelf opofferen aan een oppervlakkig zelf, dat niet zoals dat andere zelf het genot in zichzelf vindt, maar een verwarde vertedering ondervindt bij die uiterlijke stutten, gehuisvest in een vreemde individualiteit, of geluk ontleent aan de bescherming die men biedt. Je moet stralen van welbehagen en goedkeuring, en kwaliteiten van de ander bewonderen die je bij jezelf tekorten zou noemen en zou willen corrigeren.
Dan is liefde fascinerender, omdat je zowel afdaalt in je eigen onbekende zelf als geïntrigeerd raakt door het onbekende deel van de ander. Proust was vooral gefascineerd door de onmogelijke liefde, haar listen en haar zelfbedrog. Liefde beperkt zich niet zoals de vriendschap tot wat we gemeen hebben en de gelijkheid die al met al verveelt, maar ze laat onze eigen duistere kant raken met de alteriteit van de ander. Een liefde van Swann schetst de verwikkelingen van die passie, zoals die verder in alle toonaarden in de Recherche wordt onderzocht en ontplooid. De eigen niet-inzichtelijke alteriteit en die van de ander zijn met elkaar verstrengeld, waardoor we door elkaars geheim gefascineerd raken, zonder dat ooit te achterhalen. Jaloezie om dat onachterhaalbaar vreemde in de ander en in zichzelf wordt de allesoverheersende drijfveer van de relatie waarin beiden verstrikt raken. Die passie blijft een vorm van zelfbedrog, want wat de een vermoedt als zijn eigen geheime kant, is geenszins wat de ander als de duistere kant van hem of haar duidt. Noch is die identiek aan de vermoede duistere kant van die ander of aan wat die ander er zelf van vermoedt. In Een liefde van Swann meent de hoofdfiguur dat hij Odette liefheeft omwille van haar gelijkenis met een portret van Botticelli, terwijl hij eigenlijk geobsedeerd is door de twijfel of ze andere mannen ontmoet. Juist dat wordt de enige drijfveer van zijn relatie en precies dat maakt hem, gezien zijn betere stand, voor haar fascinerend, al maakt ze zichzelf wijs dat ze best wel van hem houdt. Liefde is de obsessie voor een doorlopend misverstand. Swann ziet het uiteindelijk zelf in: ‘En dan te bekennen dat ik jaren van mijn leven heb vergooid, dat ik heb willen sterven, dat ik mijn grootste liefde heb beleefd met een vrouw waar ik niet van hield, die mijn soort niet was.’
Levinas loofde het in Proust dat hij de alteriteit tenminste ernstig nam.
Kant heeft ook respect voor de rol van het geheim in relaties – het ding op zich kennen we niet, ook niet onszelf en al evenmin een andere persoon –, maar hij staat er welwillender tegenover. De morele vriendschap waarover Kant het heeft, houdt naast de fundamentele gevoelsmatige dimensie van het respect wel degelijk een liefdescomponent in. Ook die affectieve dimensie krijgt in de deugdenleer echter een redelijke en zo een morele kwalificatie. De deugdenleer gaat van het morele a priori uit en past dit toe op de natuurlijke menselijke vermogens, niet andersom. Natuurlijke affectie genereert uit zichzelf geen ethiek. Die antropologische basis is niet zonder belang, maar Kant is een koele minnaar. Hij houdt zich verre van de mogelijke verwarring tussen passionele liefde, liefde als affectie in het algemeen en een liefdevolle welwillendheid. Hij ontkent de wereld van de passie en de liefde als emotionele overrompeling niet, maar hij beschouwt ze als niet meer dan de natuurlijke, antropologische aanleg waarop de rede greep moet hebben in de deugdzame liefde. De liefde die in de vriendschap als een deugdenplicht aan de orde is, is geen verliefdheid of spontane liefde – want verliefdheid kan niet worden opgelegd –, maar een actieve welwillendheid. Nog minder is ze een onredelijke overmacht van het gevoel op de rede, zoals in de passie (Leidenschaft) van de verliefdheid (Verliebtheit) het geval is.
Spontaan is liefde, als een natuurlijk affect, verweven met zelfliefde (kpv 5:22). We houden spontaan van datgene waar we superieur aan zijn, en wat dus onze zelfliefde streelt. We houden daarom gemakkelijk van wat geen respect van óns vereist: van vogeltjes, van honden, jonge dieren (Refl. 1471). Volgens de collegeaantekeningen van Vigilantius merkt Kant op dat liefde, zoals water, altijd gemakkelijker neerwaarts stroomt dan omhoog. Zo kun je echtelijke liefde begrijpen, omdat beide partners superieur zijn vanuit hun eigen perspectief. De man acht zich fysiek en maatschappelijk superieur, de vrouw affectief en erotisch. Ze zijn respectievelijk dominant in het verhevene en het schone (27:670). Het verhevene impliceert namelijk een dominantie van de wil op de natuur; het schone koestert de harmonie van de natuur. In het volgende hoofdstuk zal blijken dat dergelijke tegenstellingen worden gerelativeerd doordat natuurlijke verschillen in een culturele context worden gesublimeerd.

Liefde is als algemeen antropologisch en natuurlijk gegeven een affect. Ze kan als verliefdheid een passie worden. Ze is dan evenwel nog van een andere aard dan bijvoorbeeld hebzucht of eerzucht, omdat ze – als ze eenmaal bevredigd is – tegelijk ophoudt als passie, althans ten aanzien van dezelfde persoon, terwijl hebzucht of eerzucht nooit bevredigd zijn. Montaigne noemde het typisch voor het vuur van de liefde. Hij verwijst naar Ariosto’s Orlando furioso. De liefde jaagt ‘als een jager op een haas, die hij slechts begeert zolang deze hem ontloopt en die hij veracht zodra hij hem gevangen heeft’.

Zoals de jager op de prooi blijft jagen
In kou en hitte, over berg en strand,
Maar haar niet acht, als hij haar heeft gevangen,
En slechts naar hen die vluchten blijft verlangen,
Zo zijn de jongelui die u beminnen.

Ook voor Kant is passionele verliefdheid mogelijk, zolang de ander weigert, maar een passionele liefde is onmogelijk omdat ze als affect niet permanent – fysiek noch emotioneel – hetzelfde doel kan willen en ingewilligd kan zien. ‘Wie liefheeft houdt zijn ogen nog open, maar wie verliefd is, is voor de tekorten van de beminde ziende blind, al zal die na de bruiloft wel haar ware gelaat tonen.’ Zowel affect als passie sluit als zodanig de rede uit. De eerste doet dat slechts momentaan en privatief, terwijl de rede er altijd nog vat op zou kunnen hebben. De tweede sluit redelijkheid in morele zin actief uit, omdat ze er op pragmatisch verstandelijke wijze tegenin gaat om met overleg haar boosaardig doel te bereiken. Als verliefdheid is liefde moreel stuurloos en gevaarlijk, omdat haar passionele vasthoudendheid aan een doel, dat intrinsiek onmogelijk standvastig kan zijn, iets van de waanzin heeft en de suprematie van de rede tegenwerkt (Anthropologie §74 en 80). Hier doemt de mogelijkheid van het radicale kwaad al op. Dat bestaat namelijk in de ontologisch voorgegeven hang naar de omkering in de geestelijke vermogens van de rede en de affecten, waarbij de neiging de rede domineert. Daar waar een moreel geordend bestaan de emotie stuurt en onderwerpt aan een redelijke normativiteit, vergoelijkt de door en door slechte mens op rationele wijze voor zichzelf de almacht van de passie die hem leidt. Het kwaad is radicaal, omdat het in de wortel (in radice) van de beslissing de prioriteit van de rede miskent. De kwaadaardige mens gaat de omkering van de prioriteit in zijn motieven voor zichzelf goedpraten en redelijk verantwoorden.
Liefde kan als natuurlijk affect echter ook moreel gemobiliseerd worden tot welwillendheid (amor benevolentiae), die gereguleerd is volgens algemeen geldende principes. Dat is de liefde die in de vriendschap een plaats heeft naast respect. Als Kant het over mensenliefde heeft als een gevoeligheid voor een morele verplichting, dan moeten we voor ogen houden dat die gevoeligheid zelf niet kan worden opgelegd en geen plicht kan zijn. De liefdesplicht kan niet louter slaan op een gevoel of sentiment (Wohlgefallen, amor complacentiae), want het is voor mij niet mogelijk dat gevoel al dan niet te willen hebben. Ik kan wel willen liefhebben, maar of ik van iemand houd, hangt niet van mijn wil af. Ik houd niet van iemand omdat ik dat wil, en het kan dus ook niet worden opgelegd. Een plicht om lief te hebben, is in die zin een onding (ms 6:401, 450 e.v.). Voor zover liefde een deugdenplicht is, gaat het over welwillendheid, over het goede voor een ander te willen doen (Wohlwollen, amor benevolentiae, tue deinem Nebenmenschen wohl). De affectieve component speelt dus wel degelijk een motiverende rol, net als bij Aristoteles, maar de specifiek moreel motiverende impact op het gevoelsleven is een effect van de praktische rede. ‘Het morele gevoel is een vermogen door een moreel oordeel te worden geaffecteerd. Als ik verstandelijk oordeel dat een handeling moreel goed is, dan ontbreekt er nog zeer veel opdat ik haar zou uitvoeren. Als mijn oordeel me evenwel beweegt tot het uitvoeren van die handeling, dan is dat door het morele gevoel’ (Vorlesung Ethik. Mrongovius, 27:29-37). Het inzicht hoe dat in zijn werk gaat, noemt Kant daar ‘der Stein der Weisen’ (vgl. kpv 5:72).
In de Beobachtungen über das Gefühl des Schönen und Erhabenen merkt Kant op dat naast de spontane welgezindheid (Wohlgewogenheit) ook de gedienstigheid (Gefälligkeit) een gevoeligheid is die weliswaar mooi en aantrekkelijk is, maar geen deugd. Het is een neiging de ander te plezieren door vriendelijkheid (Freundlichkeit), door zijn verlangens in te willigen en ons gedrag aan te passen aan zijn gevoelens. De buigzaamheid van een dergelijk hart is weliswaar goedaardig, maar je kunt haar geen deugd noemen. Zonder regulerende principes leidt ze evengoed tot ondeugd. Vriendelijk zijn in eigen kring leidt gemakkelijk tot onrecht voor wie erbuiten valt. Bovendien verleidt het zo iemand tot leugenachtigheid. De ware deugd is geënt op principes, die haar des te verhevener en nobeler maken naarmate ze meer algemeen zijn. Die principes zijn geen speculatieve regels, maar vormen het bewustzijn van een gevoel dat in het hart van ieder mens leeft (das Bewußtsein eines Gefühls, das in jedem menschlichen Busen lebt). Dat houdt veel meer in dan spontaan medelijden of vriendelijkheid. Het is een gevoel voor zowel de schoonheid als de waardigheid van de menselijke persoon. Het eerste ligt aan de basis van een algemene welgezindheid; het tweede van een algemene achting. Beide maken samen de deugd uit en ze worden in de vriendschap in concreto naar haar beider volkomenheid beoogd. Ze verenigen welgezindheid en vriendelijkheid met respect tot een welwillendheid die tegelijk nobel en verheven is.
Daarom zijn er naast de deugdenplichten, die als plichten tot respect vereist zijn, ook liefdesplichten en vereist waarachtig respect omgekeerd ook concrete welwillendheid. De deugdenplichten tot respect zijn we elkaar altijd verschuldigd (schuldig) zonder dat de verplichting van de een afhankelijk is van het handelen van de ander. Liefdesplicht in de zin van welwillendheid is als deugdenplicht ten opzichte van de ander verdienstelijk (verdienstlich), want je bent het zelf niet verschuldigd, terwijl de ander er op zijn beurt wel door verplicht wordt. Wie ik een weldaad bewijs, staat bij mij in de schuld, of hij dat nu wil of niet. Daarom hoort bij de authentieke praktijk van de liefdesplicht onder vrienden intrinsiek ook de plicht tot respect. Juist omdat we de ander door onze weldadigheid kunnen vernederen, vraagt de deugdenplicht ons onze liefdesdienst als louter verplichting op te vatten en deze zo ook bij de ander te doen overkomen. We behoren hem te respecteren en moeten hem zijn zelfrespect kunnen laten behouden (ms 6:449). Liefde en respect kunnen we weliswaar als aparte gevoelens onderscheiden, maar ze komen concreet altijd samen voor, hoewel het ene gevoel het andere kan domineren.
De liefdesplicht en de plicht tot respect zijn in die zin wezenlijk verweven, doordat liefdesplicht kan worden begrepen als de bereidheid de doelen van de ander tot de jouwe te maken. Dat veronderstelt op zich de plicht tot respect van de ander. Het betekent namelijk het respect voor de morele wet dat je de ander nooit louter als middel van je eigen doelen opvat, maar hem of haar als doel op zich beschouwt (6:450). Dat impliceert dat de ander de door hem beoogde doelen naar eigen inzicht moet kunnen stellen.
De vriendschappelijke relatie, die opgevat als een morele relatie (bloß moralische Freundschaft) in wezen het geïntendeerde maximum van die aantrekking en distantie representeert, is een relatie die de maximale intentie (Gesinnung) heeft zowel de achting als de liefde, opgevat als welwillendheid, onderling wederkerig (wechselseitig) vanuit een moreel goede wil in gelijke mate ten aanzien van een concrete ander te willen opbrengen. Liefde en respect zijn als morele verplichtingen geen louter affectieve aangelegenheid, want strikt genomen leggen zij praktische handelingsmaximes op (ms 6:449). Het zijn immers geen strenge plichten. Vriendschap opgevat als het maximum van een wederzijdse intentie tot zowel gelijke achting als liefde is zo een synthetiserend sluitstuk van de deugdenplicht in zijn beide varianten en van de morele gezindheid als zodanig.

[...]

pro-mbooks1 : athenaeum