Leesfragment: Onder de Amstel

26 november 2022 , door Jerzy Gawronski
| | |

1 mei verschijnt Onder de Amstel. Stadsvertellingen over Amsterdam met archeologische vondsten van de Noord/Zuidlijn uit Damrak en Rokin, onder redactie van Jerzy Gawronski. Lees bij ons een fragment.

De grote beeldatlas SPUL/STUFF, met 15.000 voorwerpen die tijdens de aanleg van de Noord-Zuidlijn waren gevonden, werd uitverkoren tot mooiste boek ter wereld en was binnen no time nergens meer te krijgen. Het is inmiddels een collector’s item. In vervolg hierop verschijnt nu De bodem van de Amstel. Wederom onder redactie van voormalig stadsarcheoloog Jerzy Gawronski, gaat een groot aantal specialisten in op de betekenis van de vondsten uit de Amstel. Het zijn bijzondere bronnen voor de stadsgeschiedenis van Amsterdam.

N.B. Eerder schreef Roel Salemink op onze site lyrisch over SPUL/STUFF.

 

I Archeologie op Damrak en Rokin
Een materiële geschiedenis van Amsterdam

Ontstaan in een storm

De geschiedenis van Amsterdam begint met de rivier de Amstel. Aan de monding werd in de 12de eeuw een nederzetting gevestigd die in de daaropvolgende eeuwen uitgroeide tot een stad. Toen hier de eerste huizen verrezen, stroomde de Amstel al enkele millennia door het Amstelland. De waterloop sleet een twaalf meter diepe bedding uit, waarin zich sedimenten ophoopten met zaden, pollen, takjes, botjes en andere natuurlijke bestanddelen. Deze fysieke natuurlijke resten vertellen ons samen met geologische gegevens over de ontwikkeling van het veenlandschap waar later Amsterdam zou ontstaan. Tussen 4000 en 1000 v.Chr liep hier eerst het Oer-IJ, een stelsel van getijdengeulen dat uitmondde in zee ten noorden van Castricum. Rond 1050 v.Chr ontstond een zoetwaterrivier in het Oer-IJ-stelsel, de prehistorische Amstel. Door stagnerende afwatering vanaf 100 n.Chr slibde de Oer-IJ-verbinding met zee dicht en werd de Amstel een traag stromende rivier met stokkend water en een drassige monding, die via de geulen van het Oer-IJ uitwaterde op een oostelijk gelegen gesloten waterbekken, het Almere. Toch was het veen geen verlaten gebied dat pas in de middeleeuwen bewoond zou worden. Schaarse neolithische en vroege bronstijd scherven en stenen werktuigen uit 2700-1800 v.Chr. wijzen op de komst van de eerste bewoners die wijdverspreid in het veen tijdelijke seizoensnederzettingen stichtten, ook op een locatie waar later het Rokin zou stromen. Vondsten uit de late ijzertijd (1100-50 v.Chr.), de Romeinse tijd (50 v.Chr.-450 n.Chr.) en de vroege middeleeuwen (450-1000) wijzen op een voortdurende bewoning, zij het incidenteel en kleinschalig.
Dan, in de laatste decennia van de 12de eeuw, wordt het land geteisterd door stormvloeden. Monniken, die belangwekkende gebeurtenissen in hun annalen vastlegden, noteerden de Allerheiligenvloed van 1170 als een van de heftigste met verstrekkende gevolgen voor het landschap en de waterhuishouding. Veenbanken in de kop van Noord-Holland bij Wieringen slaan weg, de zee stroomt het land in en de gesloten veenplas van het Almere verandert in korte tijd in de Zuiderzee, een binnenzee waar verbindingen met de Waddenzee zorgen voor eb en vloed. Ook aan de zuidelijke kant erodeert het veen. Het bescheiden veenstroompje waarin de Amstel uitdruppelde, wordt opengescheurd tot een open water tussen Amstelland en Waterland, het IJ. Met een monding op het open IJ is de Amstel een rivier geworden waarin het water gaat stromen. Vanuit een gesloten landschap is nu een verbinding ontstaan met de Zuiderzee, de Noordzee en verder, zo ver je kan varen. Tot zover het natuurlijke verhaal.

Landschap: Holoceen (veen doorsneden met getijdengeulen: 3000-1000 v.Chr.) 6-4 m-NAP Vegetatie: planten (Klokbeker periode: 2400- 2000 v.Chr.) 9,65-9,15 m-NAP. Uit: Jerzy Gawronski (red.), Onder de Amstel

Stedelijke groei

Al in de 11de eeuw was de veenontginning van Amstelland op gang gekomen en waren er tal van boerderijen en gehuchten ontstaan. Archeologische bewoningssporen uit de 11de en 12de eeuw zijn teruggevonden op verschillende plaatsen rond Amsterdam, zoals Diemen, Ouderkerk, Sloten, Sloterdijk en Osdorp. Maar de Amstelmonding was te nat voor akkerland en bouwgrond. Dat veranderde definitief toen er aan het eind van de 12de eeuw een directe verbinding via het IJ met de Zuiderzee ontstond, waardoor het waterpeil van de Amstel daalde en de oevers tot bewoning uitnodigden. De eerste bewoners aan de monding van de Amstel ter hoogte van het Damrak en Rokin vestigden zich voor 1200, maar aan dit voorzichtige begin van Amsterdam maakten overstromingen in 1214 en 1219 al snel een einde. Het onstuimige weer dat het landschap lang had geteisterd, leek daarna ten einde te komen en de Amstelmonding werd een plek waar men zich permanent kon vestigen. Rond 1225 werden de eerste huizen op de westelijke oever van de Amstelmonding gebouwd, waaruit een eeuwenlange bebouwing zou voortkomen.

Arent Arentsz, Vissers aan de Amstel te Amsterdam in de nabijheid van het buiten De Pauwentuin, olieverf op paneel, circa 1625-1630 (Rijksmuseum, Amsterdam: SK-A-2625). Uit: Jerzy Gawronski (red.), Onder de Amstel
Arent Arentsz, Vissers aan de Amstel te Amsterdam in de nabijheid van het buiten De Pauwentuin, olieverf op paneel, circa 1625-1630 (Rijksmuseum, Amsterdam: SK-A-2625).

Toch was het gevaar van overstromingen allerminst geweken. Als gevolg van de grootschalige afwatering waarmee veenontginningen gepaard gaan, daalde de bodem. Er waren dijken nodig om akkers en bouwgrond te beschermen en huizen moesten op verhogingen, terpen, worden gebouwd. Zo ook in Amsterdam. Tussen 1260 en 1275 werd er een dam in de Amstelmonding gebouwd waar de zuidelijke IJdijken vanuit het westen (Haarlemmerdijk) en het oosten (Zeedijk-Diemerzeedijk) op aansloten. De eerste Amsterdammers trokken uit de omliggende dorpen in het al twee eeuwen oude agrarische ontginningsgebied, naar de Amstelmonding, maar ze vestigden zich hier niet als boeren. De vroegste huizen uit het begin van de 13de eeuw leken op die uit Diemen en soortgelijke boerendorpen, maar hadden geen stallen. Amsterdam begon als een nederzetting van nieuwkomers uit het boerenachterland die inspeelden op de nieuwe economische mogelijkheden die de landschappelijke veranderingen hun boden. De nederzetting Amsterdam was van begin af aan ingericht voor productie, vervoer en handel van goederen. Na het verkrijgen van stadsrechten in 1342 groeide de nederzetting van een lokaal centrum uit tot een handelsstad, van regionale en gaandeweg internationale orde, en uiteindelijk, in de 16de eeuw, tot een metropool op wereldniveau.
De manier waarop de stad vorm kreeg, werd bepaald door een samenspel van factoren. In de eerste plaats waren dat de inwoners, die niet alleen stelselmatig in aantal toenamen en voor groei zorgden (van circa 1000 in 1200 tot circa 100.000 in 1600 en circa 870.000 in 2000), maar ook constant van samenstelling en herkomst veranderden en zo een divers en internationaal cultureel en sociaal stadsbeeld creëerden.4 Dan was er de economische ontwikkeling waar de groei en neergang van de scheepvaart en de haven als een rode draad doorheen liepen. Amsterdam kent een complexe topografie die in een reeks van bouwfasen totstandkwam, met een middeleeuwse kern die van de 16de tot de 20ste eeuw uitdijde met ringen van grachten, opeenvolgende havengebieden en verschillende buurten. Verschillende periodes van stedelijke groei wisselden elkaar af en zorgden voor een kenmerkende infrastructuur met eigen bouwmethoden en -stijlen, zoals de grachtengordel, de Jordaan en de Westelijke en Oostelijke eilanden.

Oudezijds Achterburgwal 17 t/m 39A (v.l.n.r.), circa 1970. Links: ingang Boomsteeg (foto: Archief Dienst Ruimtelijke Ordening, afdeling A. Stadsarchief Amsterdam: 10009A001934). Uit: Jerzy Gawronski (red.), Onder de Amstel
Oudezijds Achterburgwal 17 t/m 39A (v.l.n.r.), circa 1970. Links: ingang Boomsteeg (foto: Archief Dienst Ruimtelijke Ordening, afdeling A. Stadsarchief Amsterdam: 10009A001934).

Opgraving in de stadsrivier: Nieuwe Brug en Rokin

De constante factor in de ruimtelijke ontwikkeling van de stad en het stedelijk leven dat in 1200 begon en doorloopt tot de dag van vandaag, is de rivier de Amstel. De Amstel was de ruimtelijke kern waaromheen de gebouwde stad zich met een Oude en een Nieuwe Zijde vormde. Tegelijkertijd was de rivier een waterloop in een dicht stedelijk weefsel die gaandeweg steeds intensiever werd gebruikt om afval in te storten. Dit laatste vindt zijn oorzaak in de universele reflex van mensen die, waar ook ter wereld, hun afval bij voorkeur in de buurt storten en in open water – of het nu rivieren, oceanen, grachten of meren zijn. Hoe intensief dat kan zijn, merken we nu goed aan bijvoorbeeld de ongebreidelde massa van plastic die zich in onze binnenwateren en wereldzeeën heeft opgehoopt. Ook de Amstel is vervuild, met historisch afval uit de gehele bestaansperiode van Amsterdam, afkomstig uit woonhuizen, werkplaatsen, kloosters, kerken en kantoren. Kortom, de rivier bevat een afvalpakket van zeer uiteenlopende materialen en voorwerpen die in de loop der eeuwen door de Amsterdammers werden gebruikt en weer afgedankt. Of per ongeluk werden verloren, dat kan natuurlijk ook.
Hoe omvangrijk en gevarieerd die materiële neerslag in de stadsrivier is, werd duidelijk bij de aanleg van de Noord/Zuidlijn. De nieuwe metrolijn rijdt sinds 22 juli 2018 en doorkruist het historische stadscentrum vanaf het Centraal Station tot aan de 19de-eeuwse ring. Aangezien de bodem vanwege de langdurige en intensieve bouwgeschiedenis van dit deel van de stad een hoge archeologische verwachting had, is vanaf de start van de metro-aanleg in 2003 archeologisch onderzoek integraal in het bouwprogramma opgenomen. Dit liep tot 2018 en is uitgevoerd door een archeologisch projectteam onder leiding van de stadsarcheoloog van Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam. De belangrijkste onderzoekslocaties waren het Damrak en het Rokin, die beide in de bedding van de Amstel waren gesitueerd. De bouwputten waren zo’n 25 meter diep met onderin grondlagen die uit de laatste IJstijd (10.000 jaar geleden) stammen. De eerste twaalf meter bestond uit de verschillende bodemlagen van de rivier de Amstel, die zoals werd verwacht veel archeologische resten bevatte. Hoewel beide vondstplaatsen onderdeel waren van dezelfde Amstelbedding, hadden ze een geheel eigen cultureel-historische context. Dit vindt zijn oorzaak in de afwijkende functies van Damrak en Rokin binnen de stedelijke topografie.
Het archeologisch onderzoek in het Damrak was beperkt tot de locatie van de Nieuwe Brug, waar drie caissons voor de metrotunnel werden afgezonken. De topografische context van de vondsten is bepaald door de geschiedenis, het gebruik en de stedelijke betekenis van de Nieuwe Brug binnen de structuur van de stad. De verschillende functies die deze oeververbinding aan de monding van de Amstel door de eeuwen heen heeft gehad, variërend van militair verdedigingspunt tot sociale en economische ontmoetingsplek, wordt weerspiegeld in het soort vondsten dat bij de Nieuwe Brug boven water kwam. De archeologische vindplaats van het Rokin betreft een omvangrijker stuk Amstelbedding: hier werd een station gebouwd in een 200 meter lange bouwput in het noordelijk deel van het Rokin achter de Dam tot aan de Langebrugsteeg. Topografisch gezien is hier sprake van een veelsoortig stuk stad dat zich rond het door de Dam afgesloten deel van de Amstel heeft ontwikkeld, met een eeuwenlange opeenvolging van kloosters en kerken, ziekenhuizen, werkplaatsen, winkels, kantoren en woonhuizen.
De vindplaatsen onderscheiden zich ook van elkaar vanwege de datering van de vondsten. Dit vindt zijn oorzaak in de fysieke omstandigheden van de Amstelbedding. De bouwput in het Damrak is op de rivierbodem in open water aangelegd, waardoor de jongste materiële overblijfselen uit de 20ste eeuw dateren met 2005 als sluitingsdatum. Het historisch zwaartepunt van de vondsten ligt op de 15de en 16de eeuw, vanwege bouwingrepen bij de brug, waaronder de aanleg van een sluis in de 17de eeuw. Als sluitingsdatum van het Rokin-complex geldt 1937, het jaar waarin dit deel van het Rokin werd gedempt: de vondstverzameling dateert hier vooral van de 16de tot de vroege 20ste eeuw. Een bescheiden aantal vondsten kwam verder van het Stationsplein ten noorden van de Nieuwe Brug, waar de IJ-haven was gesitueerd, en de kunstmatige bedding van de Vijzelgracht in de grachtengordel ten zuiden van het Rokin.

Kermis op de Dam, 1996 (foto: Harold Strak: foto/tijdopname van zelf geprepareerd glasnegatief in zelf gemaakte camera, 33,5 x 44,5 cm). Uit: Jerzy Gawronski (red.), Onder de AmstelKermis op de Dam, 1996 (foto: Harold Strak: foto/tijdopname van zelf geprepareerd glasnegatief in zelf gemaakte camera, 33,5 x 44,5 cm).

700.000 vondsten, spiegel van de stad

Het archeologisch onderzoek heeft een collectie van bijna 700.000 vondsten opgeleverd, die hoofdzakelijk bestaat uit opzettelijk gedumpt afval. Afval is een fenomeen binnen de archeologie waarover vanaf de jaren 1970 tal van theorieën zijn ontwikkeld voor reconstructie en verklaring van gereamenselijk gedrag. Archeologische theoretici en sociale wetenschappers richtten hun aandacht eerst vooral op de processen die aan het produceren van afval ten grond slag liggen en op de analyse van afval als een ‘ordeloze’, willekeurig gevormde vondstgroep. Tegenwoordig is afval onderdeel van een breed onderzoeksgebied over materiële cultuur binnen de geestesen sociale wetenschappen met tal van verschillende invalshoeken, zoals consumptiepatronen, identiteit, waarde, ruimtelijke patronen, gender, sociale differentiatie of hygiëne, waarbij ook verbindingen met moderne materiële cultuur en bijbehorende begrippen als duurzaamheid worden gelegd.
Wat de afvalverzameling van de Noord/Zuidlijn zo bijzonder maakt, is niet alleen de omvang en het gevarieerde karakter ervan. De betekenis van de vondsten is bovenal opmerkelijk vanwege hun herkomst uit een (voormalige) waterloop, de Amstel, de hoofdslagader in het stedelijk waternetwerk. Doorgaans speelt een archeologische opgraving in de stad zich af op één bepaald perceel of groep percelen. Wat daar wordt gevonden, heeft betrekking op de specifieke gebruiks- en bewoningsgeschiedenis van die ene bouwlocatie. In het geval van de Damrak- en Rokin-opgravingen geven de vondsten geen beeld dat door één sociale groep, huishouden of ambachtelijk bedrijf bepaald is, maar juist een open afspiegeling van de stad als geheel. Het afval en de verloren voorwerpen zijn verbonden met alle bewoners, in ieder geval met meer dan de specifieke bewonersgroep bij een doorsnee perceelopgraving. Daarom kan deze collectie gezien worden als een ‘objectieve’ dwarsdoorsnede van de materiële cultuur die in de stad circuleerde. Vanwege de goede conserveringsomstandigheden voor het behoud van metalen en organische materialen, is de Amstel-vondstcollectie ook gevarieerder dan bij vindplaatsen op vaste bodem doorgaans het geval is.
Een dergelijke collectie krijgt pas betekenis na identificatie en ordening van de vondsten. Hoe goed ook geconserveerd, archeologische resten bestaan doorgaans uit beschadigde en incomplete voorwerpen, enkele gave vondsten daargelaten. De eerste ordening van aardewerkscherven, botten of metalen onderdelen gebeurt aan de hand van waarneembare kenmerken, zoals materiaalsoorten of afmetingen. De tweede, meer abstracte, identificatie is de reconstructie van het oorspronkelijke, complete voorwerp en de functionele betekenis ervan. Waarvoor diende het? Dit is kortweg de vraag waarmee een functionele catalogus opgezet kan worden. Door hieraan interpretaties te koppelen over de datering en herkomst van vondsten kan een chronologisch overzicht worden gemaakt van verschillende functionele groepen van voorwerpen. Ook op de Noord/Zuidlijn-collectie is functionele catalogisering toegepast, zodat met de archeologische vondsten een nieuwe informatiebron over de geschiedenis van de stad beschikbaar zou komen.
Als gemeentelijk project stond voorop dat de collectie van afval en verloren voorwerpen uit de Amstelbedding voor een groot publiek toegankelijk zou worden. Met dat doel zijn in 2018 drie verschillende producten gerealiseerd: een beeldatlas (Spul. Catalogus archeologische vondsten Noord/Zuidlijn Amsterdam), een website (https:// belowthesurface.amsterdam) en twee vitrines met vondsten in het Station Rokin. De website presenteert circa 20.000 vondsten in een tijdlijn: een chronologisch overzicht van 119.000 v.Chr tot 2005 n.Chr., dat overblijfselen uit zowel de prehistorische als de historische stedelijke fase omvat. Tevens biedt de website toegang tot een functionele catalogus, opgezet volgens dezelfde ordening als gebruikt in de fotocatalogus, met 13.000 vondsten en de stations-vitrines met bijna 10.000 vondsten. Die ordening gaat niet uit van de functie of het gebruik van het afzonderlijke voorwerp, zoals vaak gebruikelijk is bij archeologische catalogi. Speciaal voor de Amstel-opgraving is een abstractere indeling ontwikkeld waarmee de vondsten geordend kunnen worden op basis van hun functie binnen de stad als geheel. We hebben immers te maken met een vondstcollectie uit de stadsrivier die de doorsnee Amsterdamse materiële cultuur verbeeldt. Voor alle steden geldt dat hun functioneren – ontwikkeling, groei of neergang – wordt gekenmerkt door een samenspel van ruimtelijke, logistieke, technologische, sociale, economische en culturele factoren. Van dergelijke factoren is een structuur afgeleid van 10 hoofdcategorieën van urbane eigenschappen als basis voor de onderverdeling van stedelijke materiële cultuur: Gebouwen en constructies (ruimtelijke omgeving), Interieurinrichting- en benodigdheden (inrichting), Distributie en transport (infrastructuur), Ambacht en industrie (productie), Voedselbereiding en -consumptie (levensonderhoud), Wetenschap en technologie (kennis), Wapens en bewapening (veiligheid), Communicatie en overdracht (uitwisseling), Spel en recreatie (ontspanning) en Persoonlijke artefacten en kleding (gemeenschap van individuen). Elk van de 700.000 vondsten heeft een plek binnen een van deze stedelijke functionele categorieën: daarbinnen zijn ze (in Spul en op de website) verder onderverdeeld naar individueel gebruik, materiaal en datering.

Een van de twee vitrines tussen de roltrappen van station Rokin (noordzijde) met een deel van de 10.000 tentoongestelde vondsten. (foto: Harold Strak, 2021). Uit: Jerzy Gawronski (red.), Onder de AmstelEen van de twee vitrines tussen de roltrappen van station Rokin (noordzijde) met een deel van de 10.000 tentoongestelde vondsten. (foto: Harold Strak, 2021).

Verhalen over Amsterdam

Met dit functionele catalogusmodel is een eerste stap gezet om elke vondst, nu geplaatst binnen de context van de stad, nader te interpreteren als een materiële bron over de geschiedenis van Amsterdam. Maar meer dan een element in een functioneel model, is een materieel overblijfsel ook een informatiedrager met specifieke eigen technische, sociale, economische of cultuur-historische betekenissen. Wat betekent een opschrift op een bordje, waar duidt een jaartal op een object op, waar is het gemaakt, hoe is het gemaakt, uit welke tijd dateert het, welke maatschappelijke relatie heeft een specifiek object, welke historische personen zijn verbonden met de gebruiksgeschiedenis ervan, welke bewerking onderging het voorwerp, wat is de technische of culturele betekenis van een object? Kortom: de werkelijke betekenis van deze bodemvondsten uit de Amstel schuilt in de bijdrage die ze vanuit de materiële werkelijkheid kunnen leveren aan ons beeld over het verleden van Amsterdam en zijn inwoners. In verhouding tot historische bronnen belichten de archeologische overblijfselen in de eerste plaats het dagelijks leven. Anders dan archiefstukken, dagboeken, schilderijen, prenten of foto’s, is de informatie die in materiële overblijfselen ligt opgesloten, verbonden met praktische processen van alledag. Daarom zijn archeologische vondsten uiteindelijk, naast alle wetenschappelijke waarden, bovenal dragers van verhalen, verbonden met het persoonlijk leven van hun makers en gebruikers, met grote of kleine historische gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in de stad zelf of in relatie met de stad elders in de wereld.
Als vervolg op het functionele overzicht van Spul staat in deze bundel het historisch narratief centraal. Met de 107 verhalen over een vondst of een groep vondsten worden de meest uiteenlopende onderwerpen uit het verleden van Amsterdam aangesneden. Het gaat over het dagelijks leven, zoals koten vertellen over spelende kinderen op de Nieuwe Brug of een stuk hout over werkscheepjes op het IJ. Gebroken suikerpotten informeren ons over de verbinding van Amsterdam met slavenarbeid op de plantages in Suriname, zoals kaurischelpen dat doen over de slavenhandel. Een ijzeren tang refereert aan de lakenindustrie, een van de economische pijlers van middeleeuws Amsterdam, en belicht details van het textielproductieproces, terwijl een radiatordop verhaalt van de opkomst van het autoverkeer in de stad en een bijzonder voertuig uit de art-deco stijlperiode. Scherven belichten het cultuurhistorisch verleden, vertellen over smaak, beeldtaal, welstand en wereldwijde handelscontacten. Vondsten brengen vroegere winkels en etablissementen aan het Damrak en het Rokin tot leven, verhalen over het culinair gedrag van de bewoners, geven verbinding met het religieuze leven, van katholieke en joodse Amsterdammers, voorwerpen van Afrikanen en Chinezen wijzen ons op het internationale karakter van de leefgemeenschap, en er zijn vondsten die een bepaalde gebeurtenis in herinnering brengen, zoals een aardbeving, religieuze processies of een oproer.
De verhalenverzameling is uiteenlopend van inhoud, maar volgens een vast stramien opgezet. De vondsten worden gepresenteerd in een chronologische volgorde die is afgeleid van de archeologische objectdatering. Soms is de indeling scherp, met een jaartal of een afgebakend tijdvak, bijvoorbeeld vanwege een inscriptie of de relatie met een bekende historische gebeurtenis, maar over het geheel wordt de chronologie gebaseerd op de archeologische datering met brede tijdvakken of met een lange doorlooptijd gebaseerd op het gebruik of de depositie van het specifieke object. Het chronologisch kader dient vooral om het idee van een reis door de tijd te geven, van oud naar nieuw. Verder begint elk artikel met een foto van het archeologisch object of objecten, zodat visueel duidelijk is dat elk verhaal binnen de chronologie van de stad uitgaat van een tastbare vondst. In elk artikel wordt gezocht naar een verdieping van de materiële werkelijkheid met historische bronnen. Steunafbeeldingen van relevante documenten, beelden of museale voorwerpen dienen als visuele historische verbinding. Het resultaat is een archeologische caleidoscoop, weliswaar selectief, maar bovenal bedoeld om het potentieel van de vondsten uit de Amstel van Damrak en Rokin over het voetlicht te brengen als bronnen voor stadsvertellingen over Amsterdam.

Pagina’s 332-333 uit de beeldatlas Stuff (Gawronski et al., Stuff. Van Zoetendaal/De Harmonie, Amsterdam 2018). Uit: Jerzy Gawronski (red.), Onder de Amstel
Pagina’s 332-333 uit de beeldatlas Stuff (Gawronski et al., Stuff. Van Zoetendaal/De Harmonie, Amsterdam 2018).

Pagina’s 532-533 uit de beeldatlas Stuff (Gawronski et al., Stuff. Van Zoetendaal/De Harmonie, Amsterdam 2018). Uit: Jerzy Gawronski (red.), Onder de Amstel
Pagina’s 532-533 uit de beeldatlas Stuff (Gawronski et al., Stuff. Van Zoetendaal/De Harmonie, Amsterdam 2018).

 

Van Zoetendaal/De Harmonie Uitgevers © Amsterdam 2022

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum