Leesfragment: 1q84

25 juni 2010 , door Haruki Murakami
|

Ruim een jaar voor de Amerikaanse en overige Europese edities, verschijnen morgen bij Atlas de eerste twee delen van de nieuwe driedelige romancyclus van Haruki Murakami, 1q84, in de vertaling van Jacques Westerhoven. In Japan groeiden de twee delen met ruim twee miljoen verkochte exemplaren vorige zomer al uit tot megabestsellers.

1q84 draait om Aomame, fitnessinstructrice en moordenares, en Tengo, die wiskundeonderwijzer is en doet aan valsheid in geschrifte. Op het eerste gezicht hebben zij niets met elkaar te maken, maar gaandeweg wordt duidelijk dat hun paden elkaar heel vroeger ooit gekruist moeten hebben. Even lijkt het alsof dit weer gaat gebeuren. Maar hoe? Aomame raakt verzeild in een parallelle wereld, die ze 1q84 noemt.

Deze Nacht alvast het begin van 1q84.

 

1. Amoame: Schijn bedriegt

De radio in de taxi stond op een fm-station dat een klassiek concert uitzond. Janáceks Sinfonietta – geen werk dat bij uitstek geschikt lijkt voor een taxi die vaststaat in een file. De chauffeur, een man van middelbare leeftijd, hield zijn oren dan ook niet gespitst. Zoals een in het vak vergrijsde vissersman op de boeg van zijn boot staat om te zien wat een niet veel goeds belovende getijdenstroom gaat doen, zo keek hij met misprijzend op elkaar geperste lippen naar de lange rij auto’s die bumper aan bumper voor hem stond. Aomame zat diep weggezakt op de achterbank en luisterde met gesloten ogen naar de muziek.
    Hoeveel mensen zouden er op deze wereld zijn die bij het horen van het eerste deel van Janáceks Sinfonietta kunnen zeggen: ‘Hé, dat is Janáceks Sinfonietta?’ Waarschijnlijk schommelt dat aantal ergens tussen ‘heel weinig’ en ‘bijna niemand’. Maar om de een of andere reden kon Aomame het.
    Janácek schreef deze kleinschalige symfonie in 1926 en gebruikte als openingsthema een fanfare die hij eigenlijk had gecomponeerd voor een sportevenement. Aomame probeerde zich voor te stellen hoe Tsjechoslowakije er in 1926 had uitgezien. Aan het langdurige bewind van de Habsburgers was tegelijk met de Eerste Wereldoorlog eindelijk een eind gekomen, en de mensen dronken er nu Pilsener bier, maakten coole, echte machinegeweren, en genoten van de plotselinge vrede die nu in Centraal-Europa heerste. Franz Kafka was twee jaar eerder in ongelukkige omstandigheden gestorven. Het zou niet lang duren voor Hitler opeens als vanuit het niets verscheen om dit mooie, gezellige land op te slokken, maar op dat moment wist nog niemand wat voor vreselijke dingen de toekomst brengen zou. Dit is misschien wel de gewichtigste les die de geschiedenis aan de mensheid kan leren: ‘Op dat moment wist nog niemand wat de toekomst brengen zou.’ Terwijl ze naar de muziek luisterde, hoorde Aomame de wind over de velden van Bohemen waaien en liet ze haar gedachten gaan over de manier waarop de geschiedenis in elkaar zit.
    Negentienzesentwintig was het jaar waarin keizer Taisho stierf en de Showa-periode begon.* Ook in Japan stond een akelige, donkere tijd voor de deur. Het korte intermezzo van modernisme en democratie was al bijna achter de rug en het fascisme zou gaandeweg aan invloed winnen.
    Naast sport was geschiedenis een van de dingen waar Aomame het meest van hield. Romans las ze maar zelden, maar van boeken over geschiedkundige onderwerpen kon ze geen genoeg krijgen. Wat haar zo aantrok in geschiedenis was dat alle feiten in wezen aan een bepaald jaar en een bepaalde plaats waren verbonden. Het kostte haar weinig moeite om jaartallen te onthouden. Als ze eenmaal doorhad wat een gebeurtenis te maken had met wat er daarvoor of daarna of terzelfder tijd plaatsvond, volgden de jaartallen vanzelf, ook zonder ze in het hoofd te stampen. Op de middelbare school had ze voor geschiedenisproefwerken dan ook altijd de beste cijfers van haar klas in de wacht gesleept. Elke keer dat ze iemand tegenkwam die problemen had met jaartallen, stond ze raar te kijken. Hoe kon iemand met zoiets eenvoudigs zoveel moeite hebben?
    Aomame. Zo heette ze echt. Haar grootvader aan vaderskant was afkomstig uit de prefectuur Fukuoka, op het eiland Kyushu, en ergens in de bergen daar moest een stadje of een dorpje zijn waar meer mensen met die familienaam woonden, maar zijzelf was daar nooit geweest. Voor haar geboorte had haar vader alle banden met zijn ouderlijk huis verbroken, en haar moeder had hetzelfde gedaan. Om die reden had ze geen van haar grootouders van beide kanten ooit ontmoet. Ze ging zelden op reis, maar de enkele keer dat ze dat deed, verzuimde ze nooit om in het telefoonboek van het hotel te kijken of er mensen in stonden die ook Aomame heetten. Maar in geen van de steden, groot of klein, die ze tot nu toe had bezocht, had ze ooit zo iemand gevonden. Het was haar dan telkens weer te moede, alsof ze een schipbreukeling was die moederziel alleen ronddobbert op de wijde oceaan.
    Wanneer ze zich moest voorstellen, geneerde ze zich altijd. Elke keer dat ze haar naam zei, keek de ander haar vreemd of zelfs perplex aan. U heet Aomame? Inderdaad. Dat schrijf je met de karakters voor ‘groen’ en ‘boon’, en je spreekt het uit als ‘Aomame’. Toen ze nog voor de zaak werkte, had ze altijd visitekaartjes bij zich, en daar had ze heel wat mee te stellen gehad. Wanneer ze haar kaartje overhandigde, bleef de ander vaak stokstijf staan kijken, alsof hij opeens nietsvermoedend een overlijdensbrief in handen gestopt had gekregen. Als ze aan de telefoon haar naam zei, hoorde ze soms onderdrukt gegrinnik aan de andere kant. Wanneer haar naam werd omgeroepen als ze op haar beurt wachtte bij de dokter of voor een loket in het stadhuis, keken alle hoofden op, naar haar, met blikken die duidelijk zeiden: ‘Iemand die Aomame heet? Hoe ziet díé eruit!’
    Af en toe waren er mensen die haar per abuis ‘mevrouw Edamame’ (Jongeboon) noemden – of ‘Karamame’ (Tuinboon), dat kwam ook wel eens voor. En dan moest ze dat altijd verbeteren: ‘Nee, het is niet Edamame (of Karamame), maar Aomame – Groeneboon. Het lijkt allemaal ook zo op elkaar, hè?’ En dan bood de ander met een bedeesd lachje zijn verontschuldigingen aan, met de toevoeging: ‘Maar het is ook zo’n zeldzame naam.’ Hoeveel keer in haar dertigjarige leven had ze die woorden wel niet gehoord? Hoeveel keer had ze over haar naam dezelfde flauwe grapjes horen maken? Als ik met een andere familienaam was geboren, had mijn leven er misschien heel anders uitgezien. Als ik een afgezaagde naam had gehad als Sato, Tanaka of Suzuki, had ik een beetje meer ontspannen kunnen leven. Dan had ik een tolerantere kijk op de wereld gehad. Misschien.
    Ze sloot haar ogen en concentreerde zich op de muziek, en terwijl ze het mooie, sonore geluid van het in unisono spelende koper tot zich door liet dringen, besefte ze opeens dat het geluid veel te fraai was voor een taxiradio. Hoewel de radio eerder zacht stond dan hard, was de klank diep en vol, en waren de boventonen prachtig te horen. Ze deed haar ogen open en ging naar voren zitten om de stereo die in het dashboard was ingebouwd eens goed te bekijken. Het was een trots fonkelend, gitzwart apparaat. De naam van de fabrikant kon ze niet onderscheiden, maar ze zag zo ook wel dat het van bijzonder hoge kwaliteit was, met talloze knopjes, en panelen met elegant verschijnende groene cijfertjes. Ze nam aan dat het bepaald niet goedkoop was geweest. Een gewoon taxibedrijf zou zijn auto’s nooit uitrusten met zo’n schitterende geluidsinstallatie.
    Ze keek de auto eens goed rond. Vanaf het ogenblik dat ze was ingestapt, was ze in gedachten verzonken geweest, en daarom was het haar niet eerder opgevallen, maar hoe je het ook bekeek, dit was geen normale taxi. De kwaliteit van het interieur was voortreffelijk en de achterbank zat buitengewoon comfortabel, maar wat haar nog het meest opviel, was de stilte. De auto leek te zijn uitgerust met geluidsisolatie, zodat het lawaai van buiten nauwelijks naar binnen drong. Je kon je in een opnamestudio wanen. Waarschijnlijk was dit een eenmansbedrijf. Er waren genoeg eigenaars van zulke bedrijven die niet op een paar centen keken als het om hun taxi ging. Haar ogen zochten naar de chauffeurspas die in elke taxi zichtbaar moet zijn en waarop ook de naam van het bedrijf vermeld moet staan, maar ze kon hem niet vinden. Toch wilde het er bij haar niet in dat dit een illegale taxi was. Hij had een standaardmeter die het verreden bedrag correct aangaf. Op dit ogenblik stond hij op 2150 yen. Toch was de chauffeurspas nergens te zien.
    ‘Wat een mooie auto! Hij is zo heerlijk rustig,’ zei ze tegen de rug van de chauffeur. ‘Wat voor merk is dit?’
    ‘Een Toyota Crown Royal Saloon,’ antwoordde de chauffeur kortweg.
    ‘Je kunt er de muziek zo goed in horen.’
    ‘Het is een heel rustige auto, dat is een van de redenen waarom ik hem heb gekozen. Wat geluidsisolatie betreft zijn er in de hele wereld maar weinig auto’s die aan Toyota kunnen tippen.’
    Aomame knikte en zakte terug op de achterbank. Iets in de manier van spreken van de chauffeur zat haar dwars. Hij klonk alsof hij voortdurend naliet iets belangrijks te zeggen. Bijvoorbeeld (en het is nadrukkelijk maar een voorbeeld) toen hij zei dat er op de geluidsisolatie van Toyota-auto’s niets aan te merken viel, liet hij doorschemeren dat ze op andere punten misschien wél tekortschoten. En dan die pregnante, voelbare, korte stilte die hij op zijn woorden liet volgen – die bleef als een denkbeeldig miniatuurwolkje in de beperkte ruimte van de auto hangen en zorgde ervoor dat ze zich op een onbestemde manier wat minder op haar gemak ging voelen.
    ‘Hij is inderdaad heel rustig,’ zei ze, om dat wolkje te verjagen. ‘En de stereo – die is werkelijk klasse.’
    ‘Het was een hele beslissing toen ik hem kocht,’ zei de chauffeur, op de toon van een gepensioneerde stafofficier die over een strategische missie uit zijn carrière vertelt. ‘Maar als je de hele dag in een auto zit, wil je een zo mooi mogelijk geluid horen. En bovendien...’
    Ze wachtte tot hij zijn zin zou afmaken, maar dat deed hij niet. Ze sloot nogmaals haar ogen en concentreerde zich op de muziek. Wat voor mens Janácek was geweest wist ze niet, maar het was vrijwel zeker dat hij zich nooit had kunnen voorstellen dat een van zijn composities ooit zou worden beluisterd in het stille interieur van een Toyota Crown Royal Saloon die onwrikbaar vastzat in een file op een snelweg in het Tokyo van 1984.
    Ze vond het echter vreemd dat ze de muziek op de radio meteen had herkend als Janáceks Sinfonietta. En waarom wist ze dat die in 1926 was geschreven? Ze was geen uitgesproken fan van klassieke muziek. Ze had ook geen persoonlijke herinneringen aan de naam Janácek. En toch, zodra ze die eerste paar maten hoorde, was er in een reflex allerlei kennis bij haar opgekomen – alsof een hele zwerm vogels door het open raam haar kamer binnen was komen vliegen. Maar dat niet alleen. De muziek bezorgde haar ook de merkwaardige gewaarwording dat haar hele lichaam werd verdraaid. Niet dat ze pijn voelde, of ongemak. Het was alleen alsof alle componenten van haar lichaam fysiologisch werden verwrongen. Ze begreep er niets van. Werd deze mysterieuze sensatie door de Sinfonietta veroorzaakt?
    ‘Janácek,’ zei ze, half onbewust. Toen het woord eruit was, wilde ze dat ze het niet in de mond had genomen.
    ‘Wat zegt u?’
    ‘Janácek. De componist die deze muziek heeft geschreven.’
    ‘Die ken ik niet.’
    ‘Het is een Tsjechische componist,’ legde ze uit.
    ‘Nee toch!’ zei de chauffeur, alsof hij diep onder de indruk was.
    ‘Is dit een eenmansbedrijf?’ vroeg ze, om het gesprek een andere wending te geven.
    ‘Inderdaad,’ zei de chauffeur. En toen, na een korte tussenpoos: ‘Ik doe dit in mijn eentje. Het is mijn tweede auto al.’
    ‘Ik moet zeggen: hij zit uiterst comfortabel.’
    ‘Dank u wel. Maar tussen haakjes, mevrouw.’ De chauffeur draaide zijn hoofd een heel klein stukje haar kant uit. ‘Mag ik vragen of u haast hebt?’
    ‘Ik heb een afspraak in Shibuya. Daarom heb ik u de snelweg op gestuurd.’
    ‘En hoe laat is uw afspraak?’
    ‘Om halfvijf,’ zei ze.
    ‘Het is nu kwart voor vier. Dat haalt u niet.’
    ‘Duurt deze file dan zo lang?’
    ‘Ik neem aan dat er ergens voor ons een zwaar ongeluk is gebeurd, want een gewone file is dit niet. We staan al een paar minuten zo goed als stil.’
    Aomame vroeg zich bevreemd af waarom de chauffeur de verkeersinformatie niet aanzette. Dit was een catastrofale file op een snelweg, zo erg dat het verkeer niet eens stapvoets kon rijden. Normaal zet je dan als taxichauffeur je radio op de speciaal daarvoor bestemde golflengte, zodat je weet waar je aan toe bent.
    ‘Weet u zoiets dan zonder dat u naar de verkeersinformatie luistert?’ informeerde ze.
    ‘Daar heb je niets aan,’ zei de chauffeur met een stem die op een bepaalde manier hol klonk. ‘Alles wat ze zeggen is voor de helft gelogen. De Snelwegcorporatie zendt alleen informatie uit die háár uitkomt. Voor wat er hier en nu werkelijk aan de hand is, kun je alleen vertrouwen op je eigen ogen en je eigen oordeel.’
    ‘En úw oordeel is dat deze file zich voorlopig nog niet oplost?’
    ‘Dat zit er voorlopig niet in,’ zei de chauffeur, en hij schudde zachtjes zijn hoofd. ‘Dat garandeer ik u. Als het verkeer zó vastzit, zijn de snelwegen in Tokyo een hel! Is uw afspraak belangrijk?’
    Ze dacht na. ‘Ja, héél belangrijk. Ik moet een cliënt ontmoeten.’
    ‘Dan hebt u een probleem. Het spijt me verschrikkelijk, maar ik denk niet dat u op tijd komt.’
    De chauffeur trok een paar keer met zijn nek, alsof hij daar spierpijn in had. De rimpels achter in zijn nek bewogen op en neer zoals bij een prehistorisch beest. Aomame lette er niet speciaal op, maar toen ze het zag, moest ze opeens denken aan het scherpe, spitse voorwerp onder in haar schoudertas. Haar handen begonnen lichtjes te zweten.
    ‘Wat denkt u dat ik moet doen?’
    ‘U kúnt niets doen. Dit is een snelweg, dus tot we bij de volgende afrit komen, kunnen we geen kant uit. Even een zijweggetje inslaan om u af te zetten bij het dichtstbijzijnde station, zoals bij een gewone weg, zal hier moeilijk gaan.’
    ‘En waar is de volgende afrit?’
    ‘Bij Ikejiri. Maar tegen de tijd dat we daar zijn, kon het wel eens avond zijn.’
    Avond? Ze probeerde zich voor te stellen hoe het zou zijn om tot de avond in deze taxi opgesloten te zitten. Janáceks Sinfonietta duurde nog steeds voort. Met sourdines gedempte strijkers klonken op de voorgrond om te hoog opgelopen emoties te kalmeren. Het onaangename, verdraaide gevoel van daarnet was al een heel stuk minder geworden. Wat kon dat in godsnaam geweest zijn?
(...)

* De moderne Japanse jaartelling begint opnieuw met elke keizerlijke regering. De regeringsperiode van keizer Yoshihito (1912-1926) stond tijdens diens leven al bekend als de Taisho-periode, en Yoshihito’s postume naam was keizer Taisho. Na zijn dood werd hij opgevolgd door zijn zoon Hirohito (1926-1989), maar de naam van de regeringsperiode werd Showa. Na Hirohito’s dood veranderde de naam van de regeringsperiode in Heisei.

© Haruki Murakami. Nederlandse vertaling: Jacques Westerveld en Uitgeverij Atlas, 2010

MINDBOOKSATH : athenaeum