Leesfragment: Ik was Amerika

27 november 2015 , door Gustaaf Peek

2 september verschijnt de nieuwe roman van Gustaaf Peek, Ik was Amerika. 21 september treedt hij op in Spui25, waar hij met Arjen Fortuin zal spreken over zijn inspiratiebronnen. Vanavond kunt u al de eerste pagina's van zijn boek lezen en de trailer bekijken, en uw exemplaar reserveren of bestellen.

Dirk, een Nederlander vechtend voor de nazi's, wordt door de geallieerden gevangengenomen in Noord-Afrika. Samen met duizenden Duitse krijgsgevangenen wordt hij overgebracht naar een van de vele kampen in de VS. Het kampleven in Texas is confronterend. De mannen eten goed, leren Engels, voeren toneelstukken op, maar ze moeten ook tussen de zwarte arbeiders op de katoenvelden werken. Dirk sluit vriendschap met de tractorrijder Harris en ontmoet diens mysterieuze halfzuster, Cicely. Zesendertig jaar later keert Dirk terug naar Amerika. Hij reist over de lange wegen van het land richting Texas. Harris wacht in Houston op zijn oude vriend. De oorlogsjaren zullen de mannen nog eenmaal samenbrengen.

Zie ook het artikel in de VPRO Gids: 'In voorbereiding: Ik was Amerika van Gustaaf Peek'.

 

Let me be by myself in the evenin’ breeze,
And listen to the murmur of the cottonwood trees,
Send me off forever but I ask you please,
Don’t fence me in.

 

De jongen rende tussen de hoge maïs over het veld. Door de wind roffelden rond hem de volle stengels, maar de jongen bleef onzichtbaar onder het golvende dek. Hij droeg zijn nieuwe schoenen. De vorige dag had het geregend en hij voelde zijn voeten wegzakken in de verboden modder. De scherpe bladeren striemden zijn handen en gezicht.
Het vuur kwam dichterbij. Vonken waren van het huis op het veld gesprongen. Over de akker dreef zwarte rook. Hij keek niet om en hield de smalle paden tussen de stokken aan zoals hij deed wanneer hij speelde dat hij verdwaalde. Er was een weg vlakbij, maar hij besefte dat de mannen hem weer konden zien als hij het veld zou verlaten. De woorden van zijn moeder waren niet duidelijk geweest.
Hij struikelde. Even het ferme besluit om te blijven zitten, zich stil te houden op de zachte aarde, de ogen dicht, te wachten tot alles voorbij was. Maar hij stond weer op en rende verder, door de eindeloze rijen die hem toelieten en tegenhielden. Hij dacht niet meer aan zijn schoenen.

 

Het was hier.
Dagen van suiker. Ze wisten dat ze geluk hadden gehad. Hoge hekken, een zacht bed, de lange witte lopen van de wachttorens. De verbeelding van vechtende mannen getemd door volle pannen. Ze kauwden tot hun uniformen knelden. Gott mit uns, hun cipiers saboteerden hun riemen.
Ze waren gewend aan de hitte. Ze kregen voetbalvelden. Achter de barakken verrees een kapel. Iemand had de ramen ingegooid, iemand had het kruis met urine gedoopt. De laatste gelovigen moesten poetsen voor hun preken. In het kamp lachten ze alsof ze een mop hadden gehoord.
Niet iedereen was ongehavend aangekomen. Verborgen ogen en verminkte huid, plukken haar die door de slordige zwachtels prikten, verband dat bruin was geworden, gekartelde baarden langs de wonden. Ze waren helden en te veel een herinnering.
Het leek niet op Texas.
Ze rookten en wachtten en leerden de nieuwe woorden voor begroeting en afscheid. Wie geen strepen op zijn schouders droeg, moest werken. Ze hielpen de vijand. Ze wilden bijna blijven. ’s Avonds zagen ze flikkerende beelden van thuis. Verbrokkelde straten, steden als geknakte silhouetten zonder achterkant. Ze schreven lange brieven aan zwijgende geboortehuizen.
Terugkeer. Iemand riep New York. Iedereen hoopte aan de goede kant van de coupé te zitten voor het beste uitzicht, voor een glimp van iets groots. Elke hoge gevel aan de horizon kreeg hongerige blikken, maar ze bleven rijden.
Ze kregen de platte hallen van een haven, de geur van smeltende teer in de zon. Ze stonden op de kade, klaar omgeteld te worden, en keken naar het water.
De angst van een kind dat iets kostbaars heeft gebroken en niet meer naar huis durft.

 

I

Naast de zanger op het podium glom een kerstboom. Rode slingers en een gebroken, halve ster in de top. Toen de zanger een lied aanhief over een verloren liefde, richtte hij zich tot de boom. Hij ging op de knieën, de armoedige slingers werden de rode rafels van haar ontrouw. Vooraan bij het podium gooiden de vrouwen hun armen in de lucht en kirden dat hij haar moest vergeten.
Harris zat aan een tafel achterin. Hij zag de zanger weer opstaan en naar zijn publiek grijnzen. Het lied kreeg een happy ending door de dood van de weggelopen vrouw. De zaal joelde, schreeuwde haar goedkeuring uit over deze rechtvaardigheid. Harris dronk zijn glas leeg en pakte zijn jas, die opgevouwen onder zijn stoel had gelegen. Hij liep langs de lange bar naar de uitgang. Buiten deed hij zijn jas aan, koele lucht klampte zich vast aan zijn bezwete gezicht. Hij vroeg aan een voorbijganger hoe laat het was.
pj’s lag vlakbij, op de hoek van Valentine en Buckner. De letters waren met wit krijt naast de deur gekrast. Harris duwde de deur naar binnen open en zocht naar bekende gezichten. Hij hield zijn jas aan en ging bij de bar staan.
– Is er nog bier?
– Een beetje. Ik geef je een klein glas.
– Ik ga niet voor een heel glas betalen.
Harris zag niemand met wie hij wilde praten. Hij nam kleine slokken. Door de warmte voelde hij de stugge en schurende kraag van zijn jas in zijn nek. Naast hem was iemand op een kruk in slaap gevallen.
Laatste slok. Hij voelde in zijn zak naar zijn geld. De munten waar zijn vingers mee speelden zouden nog een glas kunnen betalen.
Een man gekleed in een uniform kwam binnen. Wie hem zag stopte met praten en stootte de persoon naast zich aan. Harris stond vlak bij de deur en had hem onmiddellijk opgemerkt. Het was geen gewone soldaat, maar Harris kon de strepen op zijn schouders niet lezen. Deman in uniform liep naar de bar. Harris zag de moeite die het de man kostte om de korte afstand te overbruggen, de zwalkende handen op rugleuningen en zelfs op schouders, maar niemand wendde zich af. Tegenover de barman hees de man in uniform zich op een kruk.
– Zo! Bier. In een normaal, mooi groot glas. Ik weet dat jullie nog hebben.
De barman pakte een glas, de soldaat of officier zou zijn bier krijgen. Harris liet de munten in zijn zak. Hij zag de man het glas in een teug leegdrinken.
– Goed, goed! Nog een.
Het glas gleed over het natte hout naar de barman. Twijfel zonder aarzeling, Harris herkende het, de barman vulde het glas. Mensen pakten hun jassen, schuifelden naar de uitgang.
– De vijand is hier. In ons mooie land. We hebben hem binnengelaten.
De man in uniform nam een slok van zijn volle glas. Hij keek langs de barman naar de muur.
– Het enige wat ik wil is een drankje in de stad. De vijand krijgt al genoeg. Ze krijgen ons bier. Daarom neem ik jullie bier.
Harris besloot ook dat het tijd was om te gaan. Hij liep langzaam achteruit. De soldaat gooide zijn glas rakelings langs de barman tegen de muur.
– Mijn glas is weer leeg. Nog een.
De klap had de muur bekrast. Harris bleef staan, zag druppels en glas op hoofd en schouders van de barman.
Deman stond op en bukte om zijn kruk op te tillen. De barman deed een stap achteruit. De kruk werd een slaghout. De man in uniformbegon glazen van de toog te slaan. De barman bedekte zijn gezicht.
Harris had nog nooit een blanke man aangeraakt. Het kwam niet in hem op de kruk af te pakken, de armen van de soldaat te bedwingen.
De glazen waren op, de man raakte lucht. Hij leek de kruk nauwelijks meer te kunnen opheffen. De vloer was nat, hij verloor zijn evenwicht en viel voorover, landde op de scherven. Hij had meerdere pogingen nodig om weer op te staan, zijn handen maakten rode afdrukken op de poten van krukken, op de bruine toog.
De woede was weg. Verwarring droop uit zijn ogen. Alsof hij iets sinisters had gezien in de gebarsten spiegel van de vloer. De man in uniformstrompelde naar de uitgang, verdween naar buiten.
Alles kwam langzaam weer in beweging. Stoelen werden rechtop gezet, de barman pakte een bezemen begon het glas bij elkaar te vegen. Maar niemand sprak, handelingen werden in zwijgende samenzwering verricht. Harris veegde zijn voorhoofd af met een zakdoek en liep naar buiten.
De soldaat was weg, opgegaan in de vlokkerige menigte op straat. Harris vroeg aan voorbijgangers naar de tijd, maar niemand had een horloge. Plotseling stond een oudereman naast hem en klopte hem op de schouder.
– Het is na twaalven. Gelukkig 1943, jongen.
Harris wenste de man hetzelfde. Ze lachten naar elkaar en Harris voelde zich verlegen worden, tot het geluid van vuurwerk hem afleidde. De oudere man trok zijn strooien hoed dieper over zijn ogen en wandelde verder.
Vlakbij galmde een klap, gedempt door de holle klank van metaal. Harris keek om en zag in een steeg een groepje kinderen wegrennen van een rokende vuilnisbak. Verderop gilden vuurpijlen voorbij, hun vonkende staarten dun en fel boven de silhouetten van de daken. Deuren sloegen open. Mensen stroomden naar buiten, mannen droegen flessen in hun handen en onder hun armen, hun vrouwen waggelden achter hen aan, hielden de glazen vast. Alleen de muzikanten zaten nog binnen, de lege tenten spuwden muziek, de straat werd een radio waarvan alle kanalen tegelijkertijd om aandacht vroegen. Auto’s stuitten op de feestende horde, het verkeer kwam toeterend tot stilstand. Harris besloot de weg op te lopen en zigzagde langs de auto’s en karren en demensen, wier hoeden steeds schuiner op hun hoofden stonden. Hij dacht aan de vechtpartijen die later zouden uitbreken, de mannen die de eerste dag van het nieuwe jaar wakker zouden worden op de betonnen matras van de dronkenmanscel. Een vrouw trok aan zijn mouw en noemde hem bij een naam die niet de zijne was. Harris zag een man achter haar dichterbij komen en hij veegde de mompelende vrouw van zich af, zonder om te kijken ging hij verder, weg van de mensen en de muziek en de claxons.
De straten werden snel donkerder. Een koppel passeerde hem. Harris zag de contouren van een uniform, maar het was niet dezelfde man van eerder. Deze soldaat was een kop groter, zijn brede lichaam trok het uniform strak. De vrouw droeg een jurk die hij herkende. Sissy had hem diezelfde jurk vorige week laten zien, een groene jurk met twee strikken aan de voorkant, hij had niet durven vragen hoe ze aan het geld was gekomen. De vrouw die gearmd met de soldaat liep, leek even lang als Sissy. Harris deed zijn kraag omhoog en volgde de twee.
Sissy had hem niet verteld waar ze oudejaarsavond zou doorbrengen. De vrouw die op haar leek moest lachen om iets wat de soldaat zei, ze sloeg hem speels op de arm. Ze bleven staan en Harris stapte een schaduw in. De vrouw legde beide handen op de borst van de soldaat, ze bracht haar gezicht omhoog. Harris wilde dichterbij komen,maar de straat was te verlaten, het feestgedruis te ver weg om zijn voetstappen nog te verhullen. Hij zag hoe de soldaat haar omarmde. De brede soldaat en de jonge vrouw die op Sissy leek kusten lange tijd.
Toen hun ogen weer zichtbaar werden onder het vale straatlicht wist hij dat ze verder zouden wandelen, niet naar het bed van de man, dat zou nietmeer zijn dan een brits in een overvolle barak, maar naar haar huis of kamer. Het koppel liep verder, de groene jurk bijna geheel omgeven door het grote uniform van de man. De soldaat moest iets hebben gezegd, want opeens hoorde Harris een hoge lach. De lach van zijn jeugd, van hun tijd samen, de lach waarmee ze wie ook maar kon aansteken met haar vreugde. De groene jurk van Sissy deinde van hemvandaan, haar lach vervaagde.
Harris draaide zich om en liep in de richting vanwaar hij was gekomen. Terug naar de straat van gebroken glas, het rumoer van vermoeide instrumenten.

 

II

Bij het eerste licht waren ze tevoorschijn gekomen. Alle witte stof die ze konden vinden hadden ze afgescheurd of uitgetrokken en aan stokken en armen gebonden. Er werd kort geschoten, maar haastig geschreeuw suste de lopen van de overkant. Ze liepen traag richting de trillende schimmen van helmen en tanks.
Hij had dorst. Zijn veldfles had hij tijdens de lange nacht leeggedronken. Zand in zijn ogen, mond, zijn huid schuurde tegen zijn kleren. Blijkbaar liep hij niet goed, want hij voelde hoe iemand zijn rechterarm op de schouders nam om zijn stappen te ontzien. Hij rukte zich los en gebaarde dat er niets aan de hand was, dat hij kon lopen. Hij keek naar beneden, een rood gat in zijn laars bij de tenen, hij kon het zich niet herinneren.
Er kwam een jongen naast hem lopen die zijn witte lompen in de lucht stak als een nieuw vaandel. De jongen begon te zingen. Hij kreeg anderen mee, de kapitein riep dat ze moesten ophouden. De jongen bleef staan en zwaaide zijn vlag. Hij zong alleen.

Hij had niet gereageerd op de Engelse vragen, had alles in het Duits geantwoord. They’re the worst, hoorde hij iemand zeggen. Daarna voegde hij zich weer bij zijn kameraden in de lange rij.
Handen als magneten klopten op al hun zakken, beroofden hen van elke splinter metaal. Insignes, medailles, geluksamuletten, gespen van riemen. Ze moesten zichzelf als vreemdelingen zien om te verbergen wat hun land en afkomst kon verraden.
Hij had eindelijk zijn bebloede laars uitgetrokken. Materiaal van sok en laars had zich met de wond vermengd. Hij spoelde de gestolde koek weg met water, ontdekte dat hij de toppen van zijn derde en vierde teen miste. Hij waste zijn voet nogmaals en vroeg om verband en sulfer aan de hospik. De opluchting toen het gele poeder prikte en stak.

Ze werden de woestijn uit gereden. Hij had gewacht met instappen, wilde niet voor in het donker zitten. Hij kon de chauffeur zien van de vrachtauto achter hen, de knikkende armen aan het stuur door de hobbelige weg. Ze passeerden trage karren voortgesleept door paarden, gesluierde vrouwen op ezels, kinderen in de berm die hun vingers op hen richtten, schokkende schouders door de terugslag van denkbeeldige geweren. Hij gooide zijn handen op zijn hart, deed alsof hij was geraakt, lachte.

In het gedrang op de kade had hij brood en gedroogde vis weten te kopen. Korte, lenige jongens in lange kaftans lieten zich niet door de slordige wachten tegenhouden en hielpen hun waar in mouwen en broekspijpen te proppen. Zijn voet was stijf geworden. De treeplank naar het schip schommelde, hij hield zich stevig vast aan het touw. Ze mochten niet bovendeks blijven, ze daalden smalle trappen af naar hete vrachtruimtes. De kapitein gaf hem de taak het ruim schoon te houden. Hij wees op zijn bebloede laars. De kapitein had zijn handen op zijn rug, beval hem zijn laars uit te trekken. Het leer had zich om zijn gezwollen voet geklemd, hij wrikte aan het koppige leer. De kapitein gebaarde dat iemand hem moest helpen trekken,maar de hospik kwam tussenbeide en vertelde over de missende tenen. De kapitein trok zijn kin op, liep verder.
Hij probeerde te slapen om te ontkomen aan de deining van het schip. Het lukte hem niet om weg te blijven, zijn dromen duwden hem terug, een huis dat hij niet herkende, zand dat snel tot zijn gezicht steeg, zwemmende bewegingen, geen lucht. Hij werd wakker met open mond, had zijn slaap pratend verlaten. Daarna dorstig, bezweet.
Toen ze het ruim mochten verlaten voor frisse lucht was hij verrast dat er nog meeuwen rondvlogen zo ver van de kust. Hij ging bij de anderen van het 334ste staan. Het overvolle dek, de relingen voor de nieuwsgierigen en de zieken, de jonge wachten die op daken stonden, hun geweren naast hun benen. De stemmen van alle mannen luid maar ijl op de echoloze zee. Hij geloofde de anderen niet. Zelfs al zouden ze de rest van de oorlog moeten werken, als de verliezers, als slaven. Ze bibberden onder hun nieuwe jassen die hun lichte uniformen bedekten en klaagden over de reis, het eten. Sommigen tuurden over zee, praatten over demogelijke ogen van periscopen, probeerden grappen te maken over zoveel oneerlijkheid van het lot.

Bij het zien van de eerste, kabbelende streep land moesten ze onmiddellijk het dek verlaten. Hij draalde, deed alsof zijn verwonding hem traag maakte. Het liefst bleef hij staan, armen op de reling, en wachten tot hij het land kon ruiken achter de scherpe brandstoflucht van het schip, tot de streep uiteenviel in bomen en huizen of de beweeglijke drukte van een haven. Maar de officieren duldden geen vertraging en bulderden hun bevelen. In het ruim voelde hij de lome manoeuvres van het schip. Het land was even licht als de vlaktes die ze hadden achtergelaten. Hij keek rond en zag hallen en vaten met het woord Virginia. Sommige van zijn kameraden waren verbaasd, noemden alles een façade, wachtmaar, dreigden ze, hierachter beginnen de ruïnes.
Ze werden gecontroleerd, ondervraagd, gedesinfecteerd. Een arts keek naar zijn voet. De hele reis had hij de wonden schoon proberen te houden, zijn neus had hij vaak op het verband gelegd om de dodelijke rot te bezweren. De arts wikkelde het verband los, neuriede, trok met een pennetje aan de slordige hechtingen.
– You’ll live. Better yet. You’ll walk.
Hij kreeg een kruk en moest aansluiten bij de gewone rij. Ze liepen op asfalt, waren de enigen op straat, en een attractie. Families met kinderen stonden op de daken van hun huizen, die geen bomgaten vertoonden. Sommige van zijn kameraden zwaaiden, kinderen zwaaiden terug tot hun ouders hun armen weer hadden bedwongen. Overal auto’s aan de stoepen, als in een film. Hij had het warm en trok de rugzak van zijn schouders, hij drapeerde zijn jas over zijn kruk. Voor hem zag hij mannen hun nekken droogvegen.
Ze kwamen langs een veld waar mensen in vodden rechtop gingen staan en hun werk lieten rusten om te kijken naar de stroom uniformen. Affe, Affe.
Dichte rookpluimen sloegen uit de locomotief. Op de daken van de coupés stonden gewapende wachten. Hij moest denken aan cowboys die elkaar achternazitten op een rijdende trein. Hij stapte in, zocht naar een plaats bij het raam.
De stoelen waren zacht. Hij hield zijn kruk onhandig naast zich zodat alleen nog een kleine persoon naast hem kon zitten. Telkens als hij bijna in slaap viel, stootte hij met zijn gewonde voet tegen de zitting voor hem om wakker te blijven. Voor de bomen met grijze baarden aan hun takken, de reclameborden voor tandpasta en sigaretten, de bemoste grafstenen, de akkers met rijen maïs of katoen, de autowrakken als de karkassen van grote dieren langs het spoor.

[...]

Copyright © 2010 Gustaaf Peek
Copyright foto ©Maaike Hermes

Uitgeverij Querido

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum