Leesfragment: De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet

27 november 2015 , door David Mitchell
| |

Dit was een voorpublicatie (d.d. 22 mei 2010) uit David Mitchells roman De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet (The Thousand Autumns of Jacob de Zoet), vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema. We hernemen hem in het kader van de nominatie voor de Europese Literatuurprijs. Nieuwsgierig geworden? Bestel uw exemplaar. En lees vooral ook over de andere nominaties:

  • Niccolò Ammaniti, Jij en ik, vertaald uit het Italiaans door Etta Maris
  • Silvia Avallone, Staal, vertaald uit het Italiaans door Manon Smits (zie ook onze recensie)
  • Alessandro Baricco, Emmaüs, vertaald uit het Italiaans door Manon Smits (zie ook onze recensie en de voorleesvideo)
  • Laurent Binet, HhhH, vertaald uit het Frans door Liesbeth van Nes (zie ook de toelichting door de vertaler)
  • Julia Blackburn, Wij drieën, vertaald uit het Engels door Paul van der Lecq (zie ook de voorpublicatie in onze Nacht)
  • Jean-Marie Blas de Robles, Waar de tijgers thuis zijn, vertaald uit het Frans door Karina van Santen, Martine Vosmaer en Martine Woudt (zie ook de voorpublicatie in onze Nacht)
  • Mircea Cartarescu, De Wetenden, vertaald uit het Roemeens door Jan Willem Bos (zie ook de voorpublicatie in onze Nacht)
  • Emma Donoghue, Kamer, vertaald uit het Engels door Manon Smits
  • Jon Fosse, Slapeloos, vertaald uit het Noors door Marianne Molenaar (zie ook de voorpublicatie in onze Nacht)
  • Almudena Grandes, IJzig hart, vertaald uit het Spaans door Mia Buursma en Ans van Kersbergen (zie ook de toelichting door de vertaler)
  • Jens Christian Grøndahl, Dat weet je niet, vertaald uit het Deens door Annelies van Hees (zie ook de voorpublicatie in onze Nacht)
  • Edgar Hilsenrath, Het sprookje van de laatste gedachte, vertaald uit het Duits door Elly Schippers (zie ook de toelichting door de vertaler)
  • Siegfried Lenz, Een minuut stilte, vertaald uit het Duits door Gerrit Bussink (zie ook de toelichting door de vertaler)
  • Charles Lewinsky, De verborgen geschiedenis van Courtillon, vertaald uit het Duits door Elly Schippers (zie ook de voorpublicatie in onze Nacht)
  • Ricardo Menéndez Salmón, De schending, vertaald uit het Spaans door Bart Peperkamp
  • David Mitchell, De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet, vertaald uit het Engels door Harm Damsma en Niek Miedema
  • Marie NDiaye, Drie sterke vrouwen, vertaald uit het Frans door Jeanne Holierhoek (zie ook de voorpublicatie in onze Nacht en onze recensie)
  • Bernhard Schlink, Zomerleugens, vertaald uit het Duits door Nelleke van Maaren (zie ook de voorpublicatie in onze Nacht)
  • Uwe Timm, Halfschaduw, vertaald uit het Duits door Gerrit Bussink (zie ook de voorpublicatie in onze Nacht)
  • Jáchym Topol, De werkplaats van de duivel, vertaald uit het Tsjechisch door Edgar de Bruin (zie ook de voorpublicatie in onze Nacht)

 

Eind 1799 vertrekt Jacob de Zoet naar het eilandje Decima. Het is de verste handelspost van de voc in Japan, dat verder afgesloten is van de wereld. Als jonge griffier moet hij de corruptie aantonen van het vorige opperhoofd. Dat valt niet goed bij zijn landgenoten die ook hun graantje meepikten, maar het brengt hem de vriendschap van een Japanse tolk. De Zoet komt in de ban van Orito, een Japanse vroedvrouw die, als dank voor het redden van een baby, mag studeren bij de Nederlandse arts Marinus op Decima. Meegesleept door liefde en werk doorziet De Zoet niet het verraad van de man die hij het meest vertrouwt en de naderende gevolgen. Bedrog en vertrouwen, liefde en lust, schuld en geloof, koelbloedige moord en wonderlijke onsterfelijkheid spelen een rol in deze fantastische roman, die uiterst levendig het bestaan schildert van gewone – en buitengewone – mensen die gevangen zitten in de aardverschuiving tussen Oost en West.

 

II

De hut van kapitein Lacy van de Shenandoah, voor anker in de haven van Nagasaki

De avond van de 20ste juli 1799

‘Hoe moet een mens,’ vraagt Daniel Snitker, ‘anders aan zijn gerechte beloning komen voor alle beledigingen die wij hier dagelijks van die uitzuigers met hun spleetogen hebben te slikken? “De onbezoldigde dienstknecht,” zo zeggen de Spanjaarden, “mag in zijn eigen loon voorzien,” en bij God, voor een keer hebben die Spanjolen nog gelijk ook. Wie garandeert mij dat de Compagnie er over vijf jaar nog is om ons uit te betalen? Amsterdam ligt op de knieen, onze scheepswerven zitten zonder werk, onze manufacturen liggen stil en onze graanschuren zijn leeggeplunderd. In Den Haag zetelen praalhanzige marionetten die worden bespeeld vanuit Parijs, de Pruisische jakhalzen en de Oostenrijkse wolven hebben lak aan onze grenzen, en sinds het prijsschieten bij Kamperduin zijn we godbetert een zeevarende natie zonder vloot. De Engelsen vegen hun gat met ons af: die hebben de Kaapkolonie, Coromandel en Ceylon ingepikt, en het is zo klaar als een klontje dat ze nu al azen op hun volgende vette kluif: Java zelf. Zonder onpartijdige vaartuigen als dat van deze yankee hier’ — hij werpt een laatdunkende blik op kapitein Lacy — ‘zou Batavia verhongeren. In dergelijke tijden, Vorstenbosch, is een pakhuis vol goederen die gretig aftrek zullen vinden het enige waar een mens staat op kan maken. Waarom, bij God, zou ú hier anders zijn?’
De oude, op traan brandende lantaarn zwaait sissend heen en weer.
‘Dat,’ vraagt Vorstenbosch, ‘was uw laatste verweer?’
Snitker slaat zijn armen over elkaar. ‘Ik heb maling aan die krijgsraad van u!’
Kapitein Lacy laat een reusachtige boer. ‘Komt van de knoflook, heren.’
Vorstenbosch richt zich tot zijn klerk: ‘Dan kunnen wij thans overgaan tot het boekstaven van ons oordeel…’
Jacob de Zoet knikt en doopt zijn ganzenveer in de inkt: ‘… krijgsraad van u’.
‘Heden, de twintigste July van het jaar Onzes Heeren Zeventienhonderd en Negenennegentig, bevind ik, Unico Vorstenbosch, als nieuwbenoemd Opperhoofd van de factorij Deshima bij Nagasaki, handelend op last van Zijne Excellentie Pieter Gerardus van Overstraten, Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië, in aanwezigheid van Kapitein Anselm Lacy van de Shenandoah, Daniël Snitker, Waarnemend Opperhoofd van voornoemde factorij schuldig aan het navolgende: grove nalatigheid en plichtsverzuim…’
‘Ik heb,’ houdt Snitker staande, ‘geen enkele van mijn ambtelijke plichten verzuimd!’
‘“Plichten”?’ Vorstenbosch gebaart naar Jacob dat hij moet wachten.
‘Onze pakhuizen zijn tot de grond toe afgebrand terwijl ú, mijnheer, zich in een of ander bordeel onledig hield met enkele deernen, een feit dat u wijselijk hebt weggelaten uit het ratjetoe aan leugens dat u uw Dagregister verkiest te noemen en dat, als een Japannese tolk niet toevallig zijn mond voorbij had gepraat…’
‘Het zijn vuile ratten die mij zwartmaken omdat ik hun streken doorzie!’
‘Noemt u het feit dat er in de nacht van de brand op Deshima geen brandspuit te vinden was een kwestie van “zwartmaken”?’
‘Misschien dat beklaagde de spuit had meegenomen naar het Huis met de Blauweregen,’ merkt kapitein Lacy op, ‘om indruk op de dames te maken met de lengte van zijn brandslang.’
‘Die brandspuit,’ werpt Snitker tegen, ‘viel onder de verantwoordelijkheid van Van Cleef.’
‘Ik zal uw Secunde verwittigen van de loyale wijze waarop u het voor hem hebt opgenomen. Over naar het volgende punt, mijnheer De Zoet: Beklaagde heeft verzuimd de drie eerstaanwezenden van de factorij de vrachtbrieven van de Octavia te laten tekenen.’
‘Waar maakt u zich in vredesnaam druk om! Een simpele administratieve vergissing.’
‘Een “vergissing” die frauduleuze Opperhoofden de gelegenheid biedt de Compagnie op tientallen wijzen op te lichten. Reden waarom Batavia stáát op drievoudige machtiging. Volgende punt: “Ontvreemding van compagniesgelden ter bekostiging van Particuliere Vrachten”.’
‘En dát,’ bijt Snitker zijn opvolger toe, ‘is een flagrante leugen.’
Uit een valies aan zijn voeten haalt Vorstenbosch twee porseleinen, in oosterse stijl gemodelleerde beeldjes tevoorschijn. Het ene stelt een scherprechter voor die met geheven bijl klaarstaat om het tweede, een geknielde gevangene — de handen gebonden en de blik reeds op de toekomende wereld gericht — te onthoofden.
‘Waarom toont u me deze’ — Snitker kent geen enkele schaamte —
‘snuisterijen?’
‘Het is een vaststaand feit dat twee gros van deze beeldjes zijn aangetroffen in uw Particuliere Vracht, aangemerkt als “vierentwintig dozijn beeldjes van Arita-porselein”. Wijlen mijn echtgenote koesterde een warme genegenheid voor Japannese curiosa, ik weet dus enigszins waarover ik spreek. Wat dunkt u, kapitein Lacy, wat zouden deze opbrengen wanneer ze, laten we zeggen in een Weens venduhuis, verkocht werden?’
Kapitein Lacy wikt. ‘Twintig gulden per stuk?’
‘Alleen al deze kleintjes vijfendertig gulden. De vergulde courtisanes, boogschutters en vorsten vijftig. Wat levert twee gros dan op? Laten we onze schatting aan de lage kant houden — per slot van rekening wordt er in Europa oorlog gevoerd, hetgeen de markt ongewis maakt — en zeggen dat ze vijfendertig gulden per stuk opbrengen, dan wordt dat, vermenigvuldigd met twee gros… hoeveel, De Zoet?’ Jacobs telraam biedt uitkomst. ‘Tienduizend en tachtig gulden, mijnheer.’
Lacy laat een geïmponeerd ‘Hee-haw!’ horen.
‘Geen onaardige winst,’ verklaart Vorstenbosch, ‘voor koopwaar die op kosten van de Compagnie is verkregen, doch in de vrachtbrieven — niet door getuigen ondertekend, uiteraard — in úw handschrift, Snitker, vermeld staat als “Particulier Porselein van Waarnemend Opperhoofd”.’
‘Het voormalige Opperhoofd, God hebbe zijn ziel,’ — Snitker wijzigt zijn verhaal — ‘heeft ze mij vóór hij op hofreis ging testamentair nagelaten.’
‘Dus Hemmij voorzág dat hij op de terugreis uit Edo zou komen te overlijden?’
‘Gijsbert Hemmij was een buitengemeen behoedzaam man.’
‘Toon ons dan zijn buitengemeen behoedzame testament.’
‘Het document’ — Snitker veegt zijn mond af — ‘is bij de brand verloren gegaan.’
‘Wie waren de getuigen? Mijnheer Van Cleef? Fischer? De aap?’ Snitker slaakt een zucht van ergernis. ‘Wat een kinderachtige tijdverspilling. Goed, neem dan uw tiende. Maar ook geen fractie meer, of ik laat die vervloekte prullen in de haven smijten, dat zweer ik u.’
Vanuit Nagasaki komt feestgedruis aangewaaid.
Kapitein Lacy ledigt zijn stierenneus in een koolblad.
Jacobs bijna versleten ganzenveer heeft moeite de woordenwisseling bij te houden. Zijn hand begint pijn te doen.
‘Ik vraag mij af,’ zegt Vorstenbosch, ogenschijnlijk vol onbegrip,
‘waarop u doelt met dat “tiende”. Mijnheer De Zoet, kunt u enig licht op de zaak werpen?’
‘Mijnheer Snitker tracht u om te kopen, mijnheer.’
De lantaarn is weer gaan slingeren. Het vlammetje rookt, sputtert en herstelt zich weer.
Benedendeks stemt een matroos zijn vedel.
‘U meent,’ zegt Vorstenbosch, terwijl hij Snitker met half toegeknepen ogen opneemt, ‘dat mijn onkreukbaarheid veil is? Als die van de eerste de beste pokdalige havenmeester aan de Schelde die de boterschepen onwettige heffingen afdwingt?’
‘Een negende dan,’ gromt Snitker. ‘Doch dat is absoluut mijn laatste bod.’
‘Sluit de lijst met aanklachten af’ — Vorstenbosch knipt met zijn vingers naar zijn schrijver — ‘met “poging tot omkoping van een wetsdienaar” en rond af met het vonnis. En loer gerust déze kant op, Snitker, want dit betreft u. “Ten eerste: Daniël Snitker wordt van zijn functie ontheven, terwijl hem hiernevens zijn gehele traktement” — jawel, zijn geheel aan inkomsten — “met terugwerkende kracht vanaf 1797 wordt ontzegd. Ten tweede: Daniël Snitker zal, bij aankomst in Batavia, in het Oude Fort gevangengezet worden om te boeten voor zijn wandaden. Ten derde: zijn Particuliere Vracht zal in het openbaar worden verkocht. De opbrengsten zullen dienen ter schadeloosstelling van de Compagnie.” Ik zie dat ik uw aandacht heb.’
‘U brengt me’ — Snitkers weerstand is gebroken — ‘tot de bedelstaf.’
‘Deze terechtzitting stelt u ten voorbeeld aan elke woekerzuchtige gezagsdrager die zichzelf verrijkt ten koste van de Compagnie. “Vrouwe Justitia heeft Daniël Snitker weten te vinden,” zo zegt hun dit vonnis, “en zij zal ook ú weten te vinden.” Kapitein Lacy, ik dank u voor uw medewerking in deze onverkwikkelijke affaire. En mijnheer Wisse, wees zo goed voor mijnheer Snitker een hangmat te zoeken in het foksel. Hij zal zijn passage naar Java als de eerste de beste landrot moeten verdienen, onderworpen aan de gebruikelijke tucht. Voorts…’
Snitker werpt de tafel omver en haalt uit naar Vorstenbosch. Jacob ziet vanuit zijn ooghoeken Snitkers vuist naar het hoofd van zijn patroon gaan en tracht tussenbeide te komen. Vlammende kleuren waaieren uit voor zijn ogen. De wanden van de hut kantelen negentig graden. De vloer slaat tegen zijn ribben. En de smaak van ijzer in zijn mond is ongetwijfeld afkomstig van bloed. Ergens boven zijn hoofd klinken gegrom, gehijg en gekreun. Als Jacob opkijkt ziet hij nog net hoe de eerste stuurman Snitker een snoeiharde stomp in zijn maag geeft, hetgeen de gevloerde klerk onwillekeurig doet sidderen van meegevoel. Op het moment dat Snitker wankelt en tegen de vloer slaat, stormen er nog twee zeelieden binnen.
Benedendeks speelt de vedelaar ‘Daar was laatst een meisje loos’.
Kapitein Lacy schenkt zichzelf nog een bessenjenever in.
Vorstenbosch slaat Snitker net zo lang met zijn van een zilveren knop voorziene rotting in het gezicht tot hij van vermoeidheid moet ophouden. ‘Sla deze kakkerlak in de ijzers in de smerigste uithoek van het vooronder.’ De eerste stuurman en de twee matrozen slepen het kreunende lichaam weg. Vorstenbosch knielt bij Jacob neer en slaat hem op de schouder. ‘Mijn dank voor het feit dat u de klap voor mij hebt opgevangen, jonge vriend. Ik vrees alleen dat die knikker van u une belle marmelade is…’
De pijn in zijn neus doet Jacob vermoeden dat er sprake is van een botbreuk, maar het plakkerige op zijn handen en knieën is geen bloed. Het is inkt, beseft de klerk, terwijl hij zich moeizaam overeind hijst.
Inkt, uit de gebroken inktpot, donkerblauwe stroompjes, uitmondend in druiperige delta’s…
Inkt, opgeslorpt door dorstig hout, verdwijnend in de spleten…
Inkt, denkt Jacob, de vruchtbaarste aller vloeistoffen

III

In de haven van Nagasaki, op een sampan die langszij de Shenandoah ligt aangemeerd

De ochtend van de 26ste juli 1799

De gedachten van Jacob de Zoet, blootshoofds en schier geroosterd in zijn blauwe frak, gaan tien maanden terug, naar de tijd dat een wraakzuchtige Noordzee de dijken bij Domburg belaagde en vlokschuim door de Kerkstraat buitelde, langs de pastorie waar zijn oom hem een tas van oliedoek overhandigde. Daarin bevond zich een in hertsleer gebonden boek met onberijmde psalmen, en Jacob kan het toespraakje dat zijn oom bij die gelegenheid hield nog min of meer in zijn geheel uit zijn geheugen opdiepen. ‘God weet, waarde neef, dat je de geschiedenis van dit boek vaak genoeg hebt gehoord. Jouw betovergrootvader bevond zich in Venetie toen die stad door de pest werd bezocht. Zijn lichaam raakte overdekt met builen ter grootte van kikvorsen, doch hij bad een gebed uit dit psalmboek en God schonk hem genezing. Vijftig jaar geleden was jouw grootvader Tys in de Palts gelegerd toen zijn regiment door vijanden werd overvallen. Dit psalmboek voorkwam dat een musketkogel’ — hij bevingert de loden kogel die nog steeds in het gat zit — ‘zijn hart aan flarden reet. Het staat buiten kijf dat ik, jouw vader, Geertje en jij ons eigenste bestaan aan dit boek te danken hebben. Wij zijn geen papen, wij schrijven geen wonderkracht toe aan kromme spijkers of oude todden. Doch je begrijpt dat dit Gewijde Boek door ons geloof met ons geslacht verbonden is. Het is een geschenk van jouw voorzaten en een onderpand voor jouw nazaten. Wat jou ook in de voor ons liggende jaren moge overkomen, vergeet niet: dit psalmboek’ — hij streek over de tas van oliedoek — ‘is jouw paspoort naar het vaderhuis. De psalmen Davids zijn een Bijbel in de Bijbel. Bid daaruit, neem hun leringen in acht en je zult niet van het rechte pad afwijken. Bescherm het met je leven opdat het je ziel tot voedsel strekke. Ga nu, Jacob, en moge God met je zijn.’
‘“Bescherm het met je leven”,’ mompelt Jacob fluisterend. En dat is, denkt hij, nu juist de kern van mijn dilemma.
Tien dagen geleden is de Shenandoah voor anker gegaan bij de Papenberg — genoemd naar de martelaren van het Ware Geloof die daar van de steilte omlaag zijn geworpen — en heeft kapitein Lacy bevel gegeven alle christelijke attributen te deponeren in een ton, die vervolgens werd dichtgespijkerd en aan de Japanners overgedragen, en pas weer zal worden teruggegeven wanneer de brigantijn Japan weer verliet. Zelfs het nieuwbenoemde Opperhoofd Vorstenbosch en diens klerk en beschermeling waren daar niet van vrijgesteld. De schepelingen van de Shenandoah mopperden dat ze nog liever hun teelballen inleverden dan hun crucifixen, maar toen de Japanse controleurs met hun welbewapende escorte de dekken kwamen inspecteren verdwenen hun kruisen en christoffels schielijk in allerlei verborgen hoekjes. De ton werd gevuld met een door kapitein Lacy tot dit doel bijeengebrachte verzameling rozenkransen en kerkboeken, maar daaronder bevond zich niet het psalmboek van De Zoet.
Hoe zou ik mijn oom kunnen verraden, denkt hij bezwaard, en mijn kerk en mijn God?
Het boek ligt begraven te midden van andere boeken in de zeemanskist waarop hij zit.
Het gevaar dat het ontdekt wordt, houdt hij zichzelf voor, kan onmogelijk groot zijn. Het boek bevat merkteken noch verluchting waaruit kan worden afgeleid dat het psalmboek een christelijk geschrift is en het Hollands van de tolken is ongetwijfeld dermate beperkt dat zij stellig niet in staat zullen zijn de tale Kanaäns te herkennen. Ik ben een hogere dienaar van de Vereenigde Oostindische Compagnie, redeneert Jacob. Wat is de ergste straf die de Japannezen mij zouden kunnen opleggen?
Jacob heeft geen idee, en de waarheid is dat Jacob bang is.

Er verstrijkt een kwartier zonder dat enig teken van Opperhoofd Vorstenbosch en zijn twee Maleiers wordt vernomen.
Jacobs bleke, besproete huid wordt geblakerd door de zon.
Een vliegende vis scheert scharend over het water.
Tobiuo!’ zegt de ene roeier tegen de andere terwijl hij wijst. ‘Tobiuo!’
Jacob herhaalt het woord en de beide roeiers lachen zo hard dat de boot ervan gaat schommelen.
Het deert hun passagier niet. Hij kijkt naar de wachtschepen die om de Shenandoah heen varen. Naar de vissersboten en naar een Japanse kustvaarder, kort en gedrongen als een Portugese kraak, maar met een breder ruim. Naar een vorstelijk pleziervaartuig, vergezeld van verscheidene begeleidende schepen en gesierd met de hertogelijke kleuren, zwart op hemelsblauw. En naar een gesnebde jonk, niet ongelijk aan die van de Chinese parlevinkers in Batavia.
Nagasaki zelf, grijs als hout en bruin als modder, lijkt van tussen de uiteenstaande tenen der met groen bedekte bergen te zijn weggesijpeld. Van over het water komen de geur van zeewier, de stank van bederf en de rook uit de talloze schoorstenen aangedreven. De bergen zijn tot welhaast aan hun gekartelde toppen in rijstvelden verdeeld.
Een gek, denkt Jacob, zou zich in een half gebarsten jaden schaal wanen.
Het kustaanzicht wordt beheerst door wat het komende jaar zijn thuis zal zijn: Deshima, een hoog ommuurd, waaiervormig, kunstmatig eilandje, naar Jacobs schatting zo’n tweehonderd passen lang langs de buitenste kromming, en zo’n tachtig passen breed en, net als het grootste deel van Amsterdam, gebouwd op verzonken palen. Toen hij afgelopen week de handelsfactorij vanaf de fokkenmast van de Shenandoah had getekend, had hij een stuk of vijfentwintig daken geteld: de genummerde pakhuizen van de Japanse kooplieden, de Woningen van het Opperhoofd en de kapitein, de Woning van de Secunde, op welks dak de Wachttoren staat, het Tolkencollege en een klein Ziekenhuis. Van de vier Hollandse pakhuizen, De Roos, De Lelie, De Doorn en De Eyk, hebben alleen de laatste twee wat Vorstenbosch
‘de brand van Snitker’ noemt overleefd. Pakhuis De Lelie wordt herbouwd, maar de in de as gelegde De Roos moet wachten tot de schulden van de factorij op orde zijn gebracht. Door de Landpoort is Deshima met het vasteland verbonden via een stenen brug die met één enkele boog een soort modderige gracht overspant waarin de getijden vrij spel hebben. De Zeepoort, boven aan een korte maar brede stenen trap waar de sampans van de Compagnie worden geladen en gelost, wordt enkel gedurende het handelsseizoen geopend. Eraan vast gebouwd is een Inklaringskantoor waar alle Hollanders behalve het Opperhoofd en de kapitein worden gefouilleerd op verboden voorwerpen.
En boven aan die lijst, denkt Jacob, staat ‘christelijke attributen’.
Hij wendt zich weer naar zijn tekening en begint de zee met houtskool reliëf te geven.
De roeiers buigen zich nieuwsgierig naar hem toe. Jacob laat hun het blad zien.
De oudste roeier trekt een gezicht dat aangeeft: niet slecht. Een kreet vanaf een van de wachtschepen doet de twee opschrikken en snel hun posities weer innemen.

[...]

Oorspronkelijke titel The Thousand Autumns of Jacob de Zoet
Copyright © 2010 David Mitchell
Copyright Nederlandse vertaling © 2010 Harm Damsma en Niek Miedema / Uitgeverij Ailantus
Copyright foto © Murdo MacLeod

MINDBOOKSATH : athenaeum