Leesfragment: De tijgervrouw van Galina

27 november 2015 , door Téa Obreht
| |

26 september verschijnt Téa Obrehts Orange Prize-winnende romandebuut De tijgervrouw van Galina, uit het Engels vertaald door Anke ten Doeschate. Dit weekend kunt u alvast een fragment lezen, en uw exemplaar bestellen.

Natalia, een jonge arts, is op een missie naar een weeshuis om er kinderen te vaccineren. Onderweg krijgt ze het bericht dat haar geliefde grootvader is overleden, in een veldhospitaal ver weg en onder onduidelijke omstandigheden. Hij was arts, net als Natalia, en ze herinnert zich hoe hij haar vroeger altijd betoverde met zijn verhalen, doorspekt met lokale mythes en legenden, zoals die van de zwervende ‘onvergankelijke’ man.

Haar grootvader was ook arts en een zeer rationeel mens bovendien, maar toch raakt ze ervan overtuigd dat hij zijn laatste dagen doorbracht met het zoeken naar deze vagebond, die claimde onsterfelijk te zijn. Terwijl Natalia worstelt met die gedachte, stuit ze op een aanwijzing in haar favoriete The Jungle Book van Kipling, die haar leidt naar het ongelooflijke verhaal van de tijgervrouw van Galina.

Ik heb gehoord dat de tijger eind december tijdens een sneeuwstorm voor het eerst is gezien op een bergkam boven Galina. Wie weet hoe lang hij zich daar al had verscholen onder omgevallen bomen. Die dag beklom de veehoeder Vladiša de berg omdat hij in de sneeuwstorm een kalf was kwijtgeraakt. In het kreupelhout stuitte hij op de tijger met zijn gele ogen en zijn vacht die glansde als een rode maan. Hij hield het reeds gestorven kalf in zijn bek. Een tijger. Wat moest een man als Vladiša daarvan denken? Ik wist wat een tijger was omdat mijn grootvader me wekelijks meenam naar het fort. Ik wist het omdat er tijger op de bordjes stond in het natuurmuseum waar we soms ’s middags naartoe gingen, omdat er een tijger stond op het potje met de Chinese tekens waarin de kniezalf van mijn grootmoeder zat. Een tijger stond voor India en voor luie, goudgele middagen; de sambar met de wijd opengesperde ogen en de gebroken nek, stuiptrekkend in de mangrove, waar Kiplings junglediertjes zich klein maakten zodat de achterkant van de moordenaar zichtbaar werd. Maar wat moesten ze in die tijd in het dorp van mijn grootvader van een tijger maken? Een beer of een wolf, die kenden ze. Maar een tijger? Zo werd angst geboren.
De dorpelingen geloofden die arme Vladiša niet toen ze hem spierwit en met zijn armen in de lucht geheven zonder kalf van de berg af zagen komen rennen. Ze geloofden hem niet toen hij op het dorpsplein uitgeput van inspanning en angst instortte en nog net wist uit te brengen dat ze er geweest waren, dat de duivel naar Galina was gekomen en er snel een priester gehaald moest worden. Ze geloofden hem niet omdat ze niet wisten wat ze ermee moesten: een oranje schepsel waarvan de achterkant en de schouders door vuur verschroeid leken? Ze hadden beter geweten hoe ze moesten reageren als hij had verteld dat hij Baba Roga was tegengekomen en haar op een kippenpoot gebouwde hut van schedels en beenderen achter hem aan de heuvel af was komen rollen.
Ook mijn grootvader en Moeder Vera waren op Vladiša’s geschreeuw afgekomen. De tijgervrouw moet er eveneens zijn geweest, maar daarvan was niemand zich toen bewust. Mijn grootvader rende meteen het huis uit, zonder zijn jas aan te trekken. Moeder Vera kwam achter hem aan met zijn jas in haar hand en gaf hem een oorvijg, waarna ze hem dwong de jas aan te trekken. Zo stonden ze daar samen, terwijl de smid, de visboer en de man die knopen verkocht Vladiša overeind trokken en water gaven.
‘De duivel, echt waar! De duivel komt ons allemaal halen!’ riep Vladiša.
Mijn grootvader kende de duivel in allerlei gedaanten. De duivel was de kobold Leši, die je in het veld opzocht en om muntjes vroeg. Als je die niet gaf, keerde hij het bos ondersteboven en vond je de weg naar huis nooit meer terug. De duivel was Crnobog, de gehoornde god van de duisternis. Als je ondeugend was, zeiden je ouders soms dat je naar de duivel kon lopen; zelf mocht je anderen ook naar de duivel sturen, maar pas als je veel ouder was. De nacht was de duivel, net als de tweede zoon van Baba Roga, die op een zwart paard door de bossen reed. Soms was de duivel de Dood, die je opwachtte op een kruispunt van wegen of achter een deur die je ondanks herhaaldelijke waarschuwingen toch had geopend. Maar, terwijl mijn grootvader luisterde naar de nog altijd snikkende Vladiša die vertelde over de oranje, gestreepte vacht, drong het geleidelijk aan tot hem door dat dit schepsel in het bos helemaal geen duivel was, maar iets wat hem misschien bekend voorkwam. Zijn ogen moeten zijn gaan stralen toen hij zei: ‘Maar dat is Shere Khan.’
Mijn grootvader was een mager kind met blond haar en grote ogen. Ik heb zwart-witfoto’s met gekartelde randen van hem waarop hij ernstig in de camera kijkt. Zijn schooljongenssokken zijn zo ver mogelijk opgetrokken en hij heeft zijn handen in zijn zakken gestoken. Zijn kalme houding en onbewogen stem moeten merkwaardig zijn overgekomen en de visboer, de smid en andere omstanders keken hem allemaal verbluft aan.
Gelukkig was de apotheker er ook bij. ‘Misschien heb je wel gelijk,’ zei hij. ‘Waar is het boek dat je van me hebt gekregen?’ Mijn grootvader rende naar binnen om het te halen. Toen hij weer naar buiten kwam, bladerde hij er verwoed doorheen, totdat hij bij de languit op de grond liggende Vladiša was aangekomen en zijn lievelingsplaatje van Mowgli en Shere Khan had gevonden. Hij liet het de doodsbange veehoeder zien. Nadat Vladiša er één blik op had geworpen, viel hij flauw. Zo leerden de dorpelingen de tijger kennen.

Als de tijger vanaf zijn geboorte op zijn prooi had moeten jagen, was hij waarschijnlijk al sneller naar het dorp afgedaald. Zijn lange reis uit de stad had hem helemaal naar de bergkam gevoerd en zelfs hij wist niet precies waarom hij had besloten er te blijven. Ik zou nu kunnen beweren dat de wind en de diepe sneeuw geen belemmering vormden, dat hij de hele winter verder had kunnen trekken en zo bij een ander dorp met minder bijgelovige bewoners was uitgekomen, waar een nuchtere boer hem misschien had neergeschoten en zijn vacht, ontdaan van zijn ingewanden, boven de haard te drogen had gehangen. Maar de bergkam met de kromme boompjes en de wirwar aan kreupelhout, de steile berghelling die van grotten was vergeven en het naïeve wild dat in de winter roekeloos van de honger werd, zorgden ervoor dat hij op die plek bleef, gevangen tussen zijn nieuwe, ontluikende instincten en de geuren van het dorp beneden, die hem nog vaag bekend voorkwamen.
De hele dag liep hij langs de richel heen en weer en ving hij vleugen op van de naar boven drijvende geuren, die hem tot zijn verbazing niet geheel vreemd waren. Hij was zijn verblijf in het fort niet vergeten, maar de herinnering eraan was vervaagd door zijn laatste dagen daar en de periode die volgde: de zware tocht, de steentjes, de splinters en glasscherven in zijn poten en de sterke, waterige smaak van de opgeblazen lijken. Inmiddels wist hij alleen nog op een dieper bewustzijnsniveau dat iemand hem ooit, lang geleden, twee keer per dag hompen vlees had toegeworpen en met water had besproeid als de hitte ondraaglijk was. Die geuren van beneden deden hem daaraan denken. Als hij door het bos dwaalde en instinctief konijnen en eekhoorns opjaagde, werd hij er rusteloos en geagiteerd door. De geuren waren aangenaam en duidelijk van elkaar te onderscheiden: de sterke, wollige geur van schapen en geiten; de geur van vuur, teer en was; de intrigerende lucht van de privaten; papier, ijzer en de geur van afzonderlijke mensen; de overheerlijke lucht van stoofpotjes en goulash, het vet van gebakken taarten. De geuren deden hem ook steeds meer beseffen dat hij hongerleed en door zijn geringe succes bij de jacht al heel lang niet meer had gegeten. Zijn laatste maal was het kalf dat op een gure middag toevallig op zijn pad was gekomen, waarna een man was omgekeerd en weggerend. De smaak van het kalf was hem bekend voorgekomen, evenals de gestalte van de man.
Die nacht was hij tot halverwege de berg afgedaald. Bij een steile afgrond waar de bomen rondom een bevroren waterval stonden keek hij neer op de huizen met de besneeuwde daken en de lichtjes achter de ramen.
Enkele nachten daarna rook hij een nieuwe geur. Hij had er af en toe al eens een vleug van opgevangen: een vluchtig aroma van zout, rook en vooral bloed. Zijn maag ging ervan rommelen en hij verlangde terug naar het kalf. Hij rolde zich op zijn rug, drukte zijn kop in de sneeuw en gromde van hunkering, totdat de vogels uit hun nesten opvlogen. Vrijwel elke avond rook hij het na het invallen van de duisternis. In de verse sneeuw, tussen de bomen waarvan de doorgebogen takken laag boven zijn kop hingen, snoof hij het op. Op een avond zag hij een kleine kilometer van zijn open plek een eenzame hertenbok. Het dier was op sterven na dood en de tijger voorvoelde zijn heengaan al een paar dagen. Het dier stortte neer van uitputting, ouderdom en de bittere kou. De tijger was er getuige van hoe het dier neerknielde en omviel, waarbij wat er nog van zijn gewei restte, afknapte. Toen hij even later de buik van het hert openreet, konden zelfs de warme ingewanden de geur uit het dorp niet verdrijven.
Die nacht liep hij naar het dorp en bleef hij bij het hek van een weiland staan. Aan de overzijde stonden de stille huizen en voorbij de schuur, het lege varkenshok en het huis met de veranda die met een dik pak sneeuw was bedekt, lag de rokerij. Daar kwam de geur vandaan, onbereikbaar dichtbij. De tijger schuurde met zijn kin langs de palen van het hek. Hij bleef bijna twee dagen weg, maar toen hij terugkwam, vond hij het vlees. Iemand was tijdens zijn afwezigheid naar het hek gekomen. Een van de planken was losgetrokken en eronder lag een homp vlees. Het was droog en taai, maar rook naar de geur waarvan hij zo bezeten was. Hij groef het op en sleepte het mee naar het bos, waar hij er een hele tijd op lag te kauwen.
Twee nachten daarna moest hij zich nog dichter bij het dorp wagen om een nieuw stuk te vinden. Het lag onder een gebroken vat in het weiland, slechts enkele meters van de deur van de rokerij. Toen hij enkele dagen later ’s avonds nogmaals terugkeerde, lag er op dezelfde plek een groter stuk. Daarna twee stukken en vervolgens drie. Uiteindelijk vond hij een schouderstuk pal voor de deur van de rokerij.
De volgende avond liep de tijger via het opstapje naar de ingang van de rokerij. De deur stond wijd open. Hij stak zijn kop naar binnen en hoorde de schapen die, doodsbang voor hem, iets verderop in de stal stonden te blaten; de honden blaften luid in hun kooi. De tijger snoof de geuren op. Hij rook het vlees, maar ook de overweldigende geur van de persoon die zich in de rokerij bevond. Eerder had hij op het vlees al vleugen van haar opgevangen. Nu zag hij haar achter in de rokerij zitten. Ze hield een stuk vlees in haar handen.

Hoewel de inwoners van Galina gespannen waren, ging het leven gewoon door. Aan het eind van het jaar zorgden zware sneeuwstormen voor kniehoge stuifsneeuw die als zand de huizen in en uit dwarrelde. Angst hing als een verstikkende deken over het dorp. Door de sneeuw waren de bergpassen onbegaanbaar en ook nieuws over de oorlog bereikte het dorp niet meer. Vlakbij, in de dennenbossen hoog op de berg, sloop een groot, rood, vreemd dier rond dat zijn tijd afwachtte. Eén keer vonden ze bewijs van zijn aanwezigheid. De houthakker trotseerde ondanks alles het kreupelhout aan de voet van de berg en was op de kop van een hertenbok gestuit. Zijn vacht had vol klitten gezeten, de ogen waren wit geweest en de ruggengraat had zich als een gekartelde, grijze vlecht van botten over de grond uitgespreid. Met Vladiša’s ontmoeting nog in het achterhoofd had iedereen het daarna uit zijn hoofd gelaten om het dorp nog te verlaten.
Het was winter en het vee werd geslacht of tot de lente op stal gezet. Dankzij de weersomstandigheden hadden ze een goed excuus om binnen te blijven en de tijger, zo hoopten ze, zou de winter vast niet overleven. Natuurlijk bestond er ook nog de mogelijkheid dat de tijger – waarvan ze zich afvroegen hoe hij hier hoe dan ook was beland als hij eigenlijk thuishoorde in verre jungles en op velden met olifantsgras – besefte dat hij het niet ging overleven en toch naar het dorp zou afdalen om hen te grijpen. Daarom brandde in elk huis een haardvuur. Zo wilden ze het dier afschrikken en op de berg houden.
De grond was keihard bevroren, dus begrafenissen moesten worden uitgesteld totdat het zou gaan dooien. Gelukkig stierven er die winter slechts drie mensen, wat echt weinig was. De dorpelingen vulden de kelder van de begrafenisondernemer met blokken ijs en bedekten de binnenkant van de ramen met doeken zodat de lijkengeur niet kon ontsnappen.
Een tijdlang was er van de tijger geen spoor. Ze overtuigden zich er bijna van dat het allemaal maar een grap was en dat Vladiša een geest had gezien of op de berg een toeval had gekregen; dat het hert door een beer of een wolf was opgegeten. Maar de honden – de herdershonden, wolfshonden en jachthonden met de dikke vacht en gele ogen die collectief bezit waren en geen echte eigenaren hadden – wisten zeker dat hij er nog was en herinnerden de dorpelingen daaraan. Ze konden hem ruiken en werden gek van de stank van de grote kat. Ze waren rusteloos, blaften en trokken aan hun ketting. Ze vulden de nacht met holle geluiden en de dorpelingen in hun dikke nachtkleding en wollen sokken sliepen onrustig.
Toch liep mijn grootvader nog elke ochtend naar de waterput en zette hij ’s avonds kwartelvallen. Niet alleen wilde hij voedsel voor Moeder Vera en hemzelf verkrijgen, maar hij hoopte vurig zo ook een glimp van de tijger op te vangen. Overal waar hij kwam droeg hij het bruine boek met de afbeelding van Shere Khan bij zich. Hoewel hij die winter nooit ver van huis ging, moet de opwinding van die negenjarige jongen tastbaar zijn geweest, omdat de aandacht van een doofstom meisje erdoor werd getrokken.
Het was een meisje van een jaar of zestien dat aan de rand van het dorp bij de slager woonde en hielp in de winkel. Mijn grootvader, waarschijnlijk niet de opmerkzaamste jongen, had haar zo nu en dan op de markt en bij feesten gezien, maar ze was hem nooit echt opgevallen, totdat ze hem die winter, enkele dagen voor de kerstviering in januari, de weg versperde toen hij vroeg in de ochtend naar de bakker liep. Ze haalde het boek uit de binnenzak van zijn jas, waar hij het sinds de komst van de tijger bewaarde.
Mijn grootvader zou het meisje nooit meer vergeten. Hij zou zich haar donkere haar en grote ogen met de geïnteresseerde, expressieve blik altijd blijven herinneren, evenals het kuiltje in haar kin als ze glimlachte, wat ze deed toen ze het boek opensloeg op de met een ezelsoor gemarkeerde pagina met de afbeelding van Shere Khan. Mijn grootvader had zijn grijze, wollen muts tot over zijn oren getrokken en in de gedempte stilte van zijn eigen hoofd hoorde hij zichzelf zeggen: ‘Zo ziet de tijger eruit.’ Hij wees naar de berg die boven de rokende schoorstenen van het dorp uittorende.
Het meisje zweeg en bestudeerde de afbeelding nauwkeurig. Ze droeg maar één handschoen en de vingers van haar ontblote hand hadden van de kou een vreemde paarse teint. Omdat ze een snotneus had, veegde mijn grootvader zo discreet mogelijk met zijn jasmouw zijn eigen neus af. Het meisje bleef zwijgen en hij bedacht dat ze zich misschien wel schaamde omdat ze niet kon lezen. Daarom stak hij een heel verhaal af over Shere Khan en zijn complexe relatie met Mowgli. Mijn grootvader vertelde dat hij het vreemd vond dat Mowgli in het ene hoofdstuk de tijger stroopte en zijn vacht over de Raadsrots uitspreidde terwijl Shere Khan later toch weer heel bleek te zijn. Hij ratelde maar door en ademde de koude lucht met diepe teugen in. Het meisje zei geen woord en keek hem geduldig aan. Na enkele minuten gaf ze hem het boek terug en liep ze verder.
Mijn grootvader herinnerde zich nog goed de schaamte die hij had gevoeld toen hij, nadat hij over de tijgers had verteld en haar vragen had gesteld waarop ze geen antwoord had gegeven, eenmaal thuis Moeder Vera over haar had uitgehoord. Hij herinnerde zich hoe zijn oor had gegloeid van de oorvijg die ze hem had gegeven. ‘Val haar niet lastig. Ze is Luka’s vrouw. Dat meisje is doofstom en ook nog eens mohammedaans. Blijf bij haar uit de buurt,’ had ze gezegd.
Luka was de plaatselijke slager, die een weiland en een rokerij aan de rand van het dorp bezat. Hij was een grote man met bruin krullend haar en rode handen. Hij droeg een schort die vrijwel altijd met bloed was besmeurd. Op de een of andere manier verontrustte die schort de dorpelingen. Allemaal slachtten ze weleens een dier en ze begrepen niet waarom Luka, die immers de kost verdiende met het slachten en het verkopen van vlees in Gorchevo, zich niet omkleedde voor zakelijke transacties en altijd naar de zure ingewanden van koeien en schapen rook. Mijn destijds negenjarige grootvader had Luka slechts eenmaal ontmoet, maar die gelegenheid stond hem nog helder voor de geest. Twee jaar daarvoor had Moeder Vera hem tijdens een korte maar bitterkoude sneeuwstorm naar de slagerij gestuurd om een lamsbout te kopen. Zelf kon ze het niet doen omdat haar handen van de kou te stijf en pijnlijk waren. In het voorhuis van de slager had de overheersende geur van vlees gehangen. Mijn grootvader had staan kijken naar de gerookte hammen en worsten die aan de plafondbalken hingen, de mergpijpen en de vierkante hompen spek in de gekoelde vitrine, en hoe Luka met zijn bril aan een koordje om zijn nek op het hakblok een poot kloofde van een gevild, rood lam met scherpe tandjes. Mijn grootvader leunde naar voren om de potten met witte, gepekelde hompen beter te bekijken, toen de slager naar hem glimlachte en zei: ‘Varkenspootjes. Heerlijk. Ze lijken eigenlijk best veel op kindervoetjes.’
Mijn grootvader kon zich niet herinneren of hij het meisje tijdens dat bezoek aan de slagerij ook had gezien. Misschien was ze toen nog niet met Luka getrouwd. Hij zou haar pas twee dagen voor Kerstmis terugzien, toen Moeder Vera zo’n pijn in haar handen had dat ze kreunde in haar slaap. Hij voelde zich zo machteloos dat hij naar buiten was gegaan om water voor een bad te halen.
Hij droeg zijn wollen jas en muts en sleepte de lege emmer naar de waterput, die, zoals een groot deel van het dorp, in de Ottomaanse tijd was gebouwd. De put bevond zich als een ongenaakbaar baken op het dorpsplein en werd ’s winters afgedekt met een grote zoutsteen zodat het water niet kon bevriezen. De put staat er nog steeds, maar bevat al tientallen jaren geen water meer. Die avond had er een dik pak sneeuw op het puntdak boven de put gelegen. Terwijl mijn grootvader naar het dorpsplein liep, kolkte de stuifsneeuw om hem heen. Hij was zich scherp bewust van de bittere kou in deze maanloze nacht, het zwakke haardvuur achter de ramen die hij passeerde en het eenzame geschuifel van zijn voeten.
Hij had net de emmer neergezet en het touw gepakt om de steen van de put te tillen, toen hij opkeek en aan de rand van het weiland een streepje licht ontwaarde. Mijn grootvader stond daar met het bevroren touw in zijn hand en tuurde in de duisternis. Hij zag het huis van de slager, waar het haardvuur nog slechts smeulde. Waarschijnlijk was Luka al diep in slaap. Toch kwam het licht niet daarvandaan. Het kwam evenmin uit de schuur waar de slager zijn vee stalde. Het kwam uit de rokerij: de deur stond open en binnen brandde licht.
Hoewel mijn grootvader geen moeilijkheden wilde, liep hij er toch naartoe. Hij dacht dat een reiziger of zigeuner er misschien beschutting tegen de koude nacht had gezocht en vreesde dat Luka kwaad zou zijn of dat de tijger erop af zou komen. Dat laatste zorgde ervoor dat hij de emmer optilde en naar de rokerij liep, niet alleen omdat hij de indringer voor de tijger wilde waarschuwen, maar ook omdat een hevige, onverklaarbare jaloezie zich van hem meester maakte bij het idee dat een of andere landloper de tijger als eerste te zien zou krijgen. Voorzichtig liep hij door de lege schaapskooi en baande zich een weg door het weiland.
Er kringelde rook uit de schoorsteen en de lucht was gevuld met de geur van gerookt vlees. Even overwoog hij om Luka te vragen of hij voor kerst de kwartel wilde roken die hij morgenvroeg in een van de vallen hoopte te vinden. Toen sloop hij naar de verhoging, greep zich eraan vast en hees zich op. Hij raapte de emmer op, liep naar de deuropening en keek naar binnen.
Het was er veel donkerder dan hij had verwacht. In de rokerij, waar rijen met uitgebeende zwijnen, koeien en schapen hingen en voorin in een hoek het hakblok van de slager stond, kon hij amper een hand voor ogen zien. Het rook er heerlijk en plotseling kreeg hij honger. Toen snoof hij een andere geur op die hem eerst niet was opgevallen, een sterke, muskusachtige geur. Precies op dat moment ging het licht uit. In de abrupte duisternis hoorde hij een laag, zwaar geluid, als een adem die hem van alle kanten omringde. Daarna klonk er een diepe grom die het bloed in zijn aderen deed stollen en in zijn longen vibreerde. Het geluid resoneerde even tegen zijn schedel, alsof het een plek zocht. Snel dook hij in het kamertje van de slager en kroop in de hoek onder een lap jute. Hij hield de emmer nog altijd vast en beefde over zijn hele lichaam.
Mijn grootvader had het gevoel dat het geluid nog altijd in de lucht hing, zo zeker en constant als zijn eigen op hol geslagen hartslag, dat alles behalve het geluid verstomde. De geur was ook allesoverheersend. Het was de lucht van een wild dier, zoals een vos of een das. Maar dit dier was veel groter en allesomvattender. Hij kon het niet plaatsen, maar herkende het van talloze andere dingen. Hij dacht aan het plaatje in het boek dat thuis in zijn bed lag. Dat leek nu ongelooflijk ver weg, hoewel het in werkelijkheid slechts een sprint van twintig seconden langs de huizen van bekenden was.
In het duister bewoog er iets en de haken van de slager die in rijen aan de dakspanten hingen, klingelden tegen elkaar. Mijn grootvader wist dat de tijger daar rondliep. Hij kon de afzonderlijke stappen van de grote fluwelen poten niet horen, maar wel het zachte geruis van zijn voortbewegen. Hij probeerde zijn ademhaling onder controle te krijgen, maar dat lukte niet. Hij hijgde onder de jute, die steeds strakker om hem heen ging zitten, veel te hard ritselde en zijn aanwezigheid verraadde. Door de houten planken heen voelde mijn grootvader de nabijheid van de tijger, het grote, rode hart dat zich achter de ribben samenkneep en weer uitzette en het kreunen van de vloer onder zijn lichaamsgewicht. Zijn eigen hart bonsde in zijn keel als hij zich voorstelde hoe de tijger op hem afstormde. Maar hij dacht ook aan Het jungleboek, aan de manier waarop Mowgli Shere Khan bij de Raadsrots had getergd en met een fakkel in zijn hand de kreupele tijger bij zijn kin had vastgepakt en aan hem had onderworpen. Die gedachte deed hem zijn hand onder het jute uitsteken en hij voelde de ruwe haren die langs hem streken.

[...]

© 2010 Téa Obreht

Uitgeverij Signatuur

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum