Leesfragment: Het koekoeksei

27 november 2015 , door Michiel Klein-Nulent

28 januari verschijnt de tweede roman van Michiel Klein Nulent: Het koekoeksei. Vanavond kunt u al de eerste pagina's lezen en uw exemplaar reserveren.

Peter Heidelman heeft een vrouw, een gezin, een carrière, een zeiljacht en een minnares. En een stalker, maar dat weet hij niet. Een anonieme, morsige figuur volgt hem en zijn gezin dag in, dag uit, zinnend op een kans om Heidelman te worden.

Heidelman zelf is ook niet helemaal tevreden met zijn leven – en als hij op een vertrekt op een zeiltocht is dat het startsein waarop de geheimzinnige stalker uit de schaduw treedt, klaar om de lege plaats in te nemen.

In Klein Nulents debuutroman De tram van half zeven zijn de personages vergeefs bezig met het najagen van dromen. De personages uit Het koekoeksei gaan een stap verder om te krijgen wat ze willen: een ander leven.

1

Jarenlang was zijn oranjerode kuif zijn vlag geweest, maar nu hij zijn haar kort had laten knippen, was er niets wat nog de aandacht trok. In de etalageruit van de opticien bekeek hij zijn gelaat. Een platte schijf, meer was het niet. Zijn wangen en voorhoofd droegen littekens van de waterpokken. Hier en daar glansde een krentachtige moedervlek. Een pannenkoek, dacht hij, ik heb een gezicht als een pannenkoek. Hij nam zijn muts af, trok zijn handschoenen uit en ging naar binnen. Er klonk een zoemgeluid toen hij over de drempel stapte. Uit het souterraingedeelte van de winkel kwam een vrouw naar boven gelopen. ‘Kan ik u helpen?’ vroeg ze. Hij liet haar de uit een krant geknipte advertentie van een Swarovski Pocketkijker zien. ‘Nu 15% korting’, stond eronder.< br/> ‘Zo een wil ik er,’ zei hij.
‘Aha, de Swarovski 8x20 B. Een mooie aanbieding voor een prima kijker. Loopt u maar even met me mee.’
Hij volgde haar naar de toonbank. De verkoopster pakte een groene doos uit het schap, zette die op het glazen blad en begon hem open te maken.
‘Nee, nee, u hoeft hem niet uit te pakken. Ik geloof het verder wel. U hoeft hem ook niet in te pakken, ik neem hem zo mee.’
‘Wat u wilt,’ zei de vrouw en ze sloeg de kassa aan. ‘Bent u een vogelaar?’
‘Nee,’ zei hij hoofdschuddend en hij haalde een rol papiergeld uit zijn broekzak en betaalde. Hij zag dat ze naar zijn zwarte nagelriemen en verschraalde vingers keek. De rafelige mouwboorden van zijn trui staken uit zijn jas. ‘Gewoon een liefhebber, meer niet.’
Hij stopte de doos in zijn rugtas, deed zijn handschoenen aan en vertrok.
De februarilucht was helderblauw. De man fietste langs de rivier met een oostenwind op kop. Hij nam een weg naar het kanaal. Bij een pand met een banier van Renovatiebedrijf Koedooder aan de gevel stapte hij af. Hij zette de fiets in een rek, keek om zich heen en stootte met een schouder de deur uit het slot. Snel ging hij naar boven, twee trappen op. Hij kwam op een bijna volledig gestripte etage, waar de tussenmuren waren uitgebroken. Het balkenplafond leunde op steunberen en de elektrische bedrading hing in bundels boven zijn hoofd. Overal lag puin; her en der stonden machines en zakken cement. Het huis kwam hem vertrouwd voor, hoewel hij het pas de dag ervoor had ontdekt. Hij liep naar het raam aan de straatzijde, zette zijn tas neer en haalde er de doos met de kijker uit. Neergehurkt bekeek hij zijn aankoop, die in ieder geval een stuk kleiner en lichter was dan de oude legerkijker die hij lang had meegezeuld. Voor het raam hing nog luxaflex. De man draaide de jaloezieën half open en stelde de kijker scherp op een koppel eenden in het kanaal. Daarna keek hij een stuk naar rechts. Op de tweede verdieping van een pand met een gevel van rode baksteen bevond zich het huis waar het hem om te doen was. In de voorkamer zag hij beweging. De luxaflex beperkte het zicht, de jaloezieën trokken strepen door het beeld. Desondanks kon hij de man die aan tafel de krant zat te lezen duidelijk onderscheiden. Hij drong dieper door in het huis. Af en toe sprong er een kind door zijn beeld, een jongen van een jaar of acht, energiek en ongetemd zoals alleen jongens van die leeftijd dat kunnen zijn. Hij zag ook het andere kind. En de vrouw, die met iets bezig was wat hij niet kon thuisbrengen. Zaterdagochtendtafereel van het gezin op nummer 153-twee. Tijdens zijn eerste verkenning, een paar dagen geleden, was hij langs het huis gelopen. ‘Fam. Heidelman’, had hij op het naambordje naast de bel gelezen en hij had er een hele poos naar staan kijken, naar die naam.
Wolken blazend van zijn adem in de koude ruimte loerde hij naar de overkant. Hij had aandacht voor ieder detail.
Aan het einde van de ochtend zag hij de man naar buiten komen. Hij aarzelde geen moment, stak de kijker bij zich en verliet het pand. Met het kanaal tussen hen in liep hij een stuk met hem op, maar de man sloeg een zijstraat in, waarna hij hem uit het oog verloor. In het plantsoen, aan het einde van de kade, met zicht op de zijstraat en het huis, wachtte hij af. Maar het duurde lang en hij had het koud en kreeg honger. Bij een viskraam verderop kocht hij een broodje makreel, dat hij opat in een soort van tent die aan de keet was bevestigd. Boven het luik hing een straalkachel te loeien. Hij kocht een tweede broodje, dat hij in een paar servetten wikkelde en in zijn zak stopte. Via enkele achterstraten keerde hij terug naar zijn schuilhut. Hij richtte de kijker op het huis aan de overkant, maar zag niemand in de kamer.
Zo bracht hij de middag door. Af en toe ging hij tegen een muur aan zitten, dan vatte hij weer post bij het raam. Langzaam begon het te schemeren en gaandeweg was hij op zijn blote ogen aangewezen. Al in het halfdonker kon hij met de kijker niets meer zien. Hij at zijn broodje en zag hoe in het huis tegenover de lampen aangingen. De tafel werd gedekt en op zeker moment kwam de man weer thuis. Het gezin ging aan tafel en hij bekeek hen een voor een. Maar de meeste aandacht had hij voor de man. Hij lette op zijn maniertjes en volgde zijn bewegingen. ‘Peter,’ zei hij, ‘Peter Heidelman.’

2

Peter Heidelman had boodschappen gedaan in de buurt en vervolgens de auto gepakt. Bij een stoplicht stuurde hij een sms naar zijn vrouw, waarin hij opsomde wat hij niet had kunnen vinden. Hij was op weg nu, tikte hij.
Het schip lag in een werf annex jachthaven aan de overkant van het IJ en was met de portaalkraan aan wal gehesen en naast een open loods op bokken gezet. Het was een Laurin Koster 26: een mahoniehouten zeekruiser uit 1978 met een lengte van bijna acht meter. Met zijn afgeplatte kiel en ronde boeglijn zag het eruit als een kleine walvis. Mast en tuigage ontbraken. Peter trok de afdekzeilen weg, wikkelde die om een oude roeispaan en schoof de rollen met een voet opzij. Hij keek waar hij gebleven was, hees zich in een overall en ging aan het werk.
Na ruim een uur bezig te zijn geweest at hij een boterham in zijn auto. Hij luisterde naar de radio en verstuurde de foto die hij met zijn mobiel van het schip had gemaakt. Algauw kreeg hij een reactie terug: ‘Nog vier maanden! Zet ’m op! Kom je morgen? Xx’
Hij stopte de telefoon weg, opende een karton melk en pelde een banaan.
Uit een gangpad tussen een tiental in winterstalling gezette boten kwam een oude man aangesloft. Hij had een baard en droeg een witte scheepspet. Het was meneer Simons, een gepensioneerde kapitein van de grote vaart. Tegenwoordig beheerde hij de werf en naastgelegen jachthaven. Hij woonde in een barak op het terrein en had geen vrouw of huisdieren.
Ze groetten elkaar door de openstaande deur van de auto en de oude meneer Simons vroeg hoe het ermee stond.
‘Wel goed,’ zei Peter, die uitstapte. ‘Ik ga binnenkort maar eens met lakken beginnen, want dat schuren ben ik onderhand zat. Moet je m’n handen zien!’
‘Wanneer komen de mast en zeilen?’
‘Over een week of drie, vier.’
Peter toonde Simons de nieuwe schroef, die blonk alsof hij van goud was. Via de zwemtrap klom hij naar boven. Hij startte de motor, een binnenboord 8 pk diesel, en luisterde een ogenblik naar de soepele tred en het geoliede snorren. Glunderend keek hij naar de oude man, die een duim opstak. De gereviseerde motor liep zo gesmeerd dat de gestutte boot nauwelijks trilde.

Op weg naar huis ging de telefoon. Hij zag dat het zijn vrouw was en zette de radio zachter. Ze vroeg of hij langs Roelvink wilde rijden, de jongens hadden zin in patat.

Hij had zijn armen vol boodschappen en geen vinger vrij en daarom belde hij aan met het puntje van zijn neus. Er werd opengedaan. ‘Patat!’ riepen de jongens in koor naar beneden. Op hun sokken renden ze hem tegemoet.

‘Lekker, patat. Daar heb ik echt zin in, pap!’ De tafel was gedekt. Er stonden schalen met salade, brood en groenten, en zijn vrouw kwam uit de keuken gelopen met een wok vol dampende en nog sissende kipfilet. Ze vroeg wat hij wilde drinken.
‘Doe maar een biertje,’ zei hij en hij hing zijn jas over de stoelleuning.
‘Jullie sap, jongens?’
Peter schonk een glas water in en dronk het in één teug leeg. Hij staarde naar buiten, waar het harde, glasachtige blauw van de avondschemering langzaam overging in een dieper blauw. De lichten van de hui- zen aan de overkant konden bakens zijn langs een vreemde kust en hij zag voor zich hoe de boeg van zijn kleine zeilboot bijna geruisloos door het water sneed op deze nachtelijke tocht zuidwaarts.
Zijn vrouw opende het flesje Heineken en zette het voor hem neer. ‘Zo,’ zei ze met een zucht, ‘eten.’ Ze nam plaats aan het hoofd van de tafel. Dat was het signaal: de jongens vlogen op de friet af en scheurden de zak open.
‘Hoe ging het bij de boot? Opgeschoten?’
‘Het was koud vandaag.’
‘Dat was het zeker.’
‘De oude Simons kwam nog langs voor een praatje.’
‘Hoe was het met hem?’
‘Wel goed geloof ik. Hij had een idee voor een naam.
Zeemeermin. Maar dan in het Engels: Mermaid.’
‘Niet echt origineel.’
‘Ik vond ’m wel aardig.’
‘Mermaid… Klinkt een beetje als dat potje, met hoe heet dat spul ook al weer… Marmite.’

 

De rest van de avond verliep in stilte. Peter las de krant in zijn stoel bij het raam. Tegen twaalven zei zijn vrouw: ‘Ik ga naar bed, kom je ook?’
Hij volgde haar naar boven. De deur van de jongenskamer stond op een kier. Een groengele gloed schemerde in de opening. Ze sliepen nog altijd met een slaaplicht aan. Hij keek in de richting van het stapel- bed en luisterde naar hun ademhaling. Voorzichtig trok hij de deur dicht. Hij stak de overloop over en ging de slaapkamer binnen. In de aangrenzende badkamer stond zijn vrouw voor de spiegel haar gezicht schoon te maken. Bij het langslopen liet hij zijn blik op de plekken en oneffenheden op haar dijen vallen. Hij poetste zijn tanden en ging op de wc zitten. ‘Hè, Peter, moet dat nu!’
‘Een plasje maar.’
‘Ja, maar je kunt toch even wachten? Ik ben bijna klaar.’
Hij trok zijn pyjama aan, kroop in bed en las nog wat in Zeilen op zee. Een oud boek, in een druk van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Het hoofdstuk dat hij opensloeg ging over een tocht langs de Nederlandse kust en het gevaar bezet te raken op lagerwal. Zijn vrouw kwam bij hem liggen en knipte haar nachtlamp uit. Niet lang daarna legde hij het boek weg en doofde het licht aan zijn kant van het bed. In het donker lagen ze een poos zwijgend naast elkaar. ‘Welterusten,’ zei ze toen.
‘Slaap lekker,’ zei hij terug.
Een ogenblik later legde ze een hand op zijn geslacht. Doodstil bleef hij liggen. Toen ze verder wilde gaan en tegen hem aan kroop, hield hij haar tegen. ‘Niet doen,’ zei hij en hij keerde zich van haar af.

© 2011 Michiel Klein Nulent
Foto © Tessa Posthuma de Boer

Uitgeverij Contact

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum