Leesfragment: Levi Andreas

27 november 2015 , door David Pefko

Deze nazomer zal worden bekendgemaakt wie de winnaar is van de Academica Literatuurprijs, voorheen Academica Debutantenprijs, die dit jaar voor de zestiende keer wordt uitgereikt. De prijs is bestemd voor het beste fictiedebuut van het afgelopen jaar. De genomineerden zijn:

en David Pefko, Levi Andreas, waaruit we vanavond een fragment voorpubliceren.

Bekijk ook de boektrailer van Levi Andreas en onze voorpublicatie van Het voorseizoen.

David Pefko, Levi Andreas

Bij jou kreun ik oprecht

Ik had een afspraak met het 22-jarige meisje gemaakt. We moesten elkaar maar eens in het echt zien.
Ze was veel langer dan ik dacht, in mijn ogen een soort reuzin. Ze droeg een bloemenblouse en een rokje van velours, suède laarzen. Haar lange bruine haar zat in een staart, haar gezicht verstopt onder een dikke laag make-up.
‘Je bent wel klein hè,’ was het eerste wat ze zei. Daar had ze gelijk in, in het echte leven was ik bijna vijf centimeter korter dan op de datingsite.
Ik voelde de moed in de schoenen zakken. Misschien had ik thuis iets moeten drinken, maar nu was het al te laat.
We beklommen de trappen van het Amstelhotel, en liepen door de foyer met zijn vergulde kroonluchters en afzichtelijke Perzische tapijten. Ik had deze plek uitgekozen, omdat ik er in die tijd veel kwam, met vrienden en met mijn broertje en moeder; maar vooral omdat ik op die mensen na, hier niemand tegen zou kunnen komen.
We dronken champagne, die ons regelmatig werd bijgeschonken door een ober die vertelde dat hij nog in opleiding was.
Het gesprek ging nergens over. Ik was zenuwachtig en wilde een aspirine, mijn hoofd tolde. Ook had ik behoorlijke motorische problemen, zelfs aan het tafeltje. De klunzige handelingen van de ober maskeerden de mijne gelukkig een beetje.
Ze vertelde over de reizen die ze had gemaakt, de studie die ze volgde, de scriptie die ze nog steeds moest schrijven, over haar vriendinnen en hun problemen, over haar moeder en jongere broertje, over de rest van haar familie. Eigenlijk vertelde ze over iedereen in haar omgeving, zelfs haar buren kwamen aan bod. Ze sprak met me alsof we elkaar al jaren kenden.
De dingen die ik te vertellen had, vertelde ik haar niet. Ik vertelde de verzinsels die me beter, echter en mooier voorkwamen dan de waarheid. Ik was bang dat ze de meeste dingen niet zou begrijpen, of raar zou vinden.
Ik dronk, rookte sigaretten en luisterde vooral. Vaak viel er een stilte, er gingen blikken over en weer waarvan ik aannam dat ze niet veel goeds betekenden. Ik bedacht dat het beter was
als deze ontmoeting op niets zou uitlopen.
Binnen de kortste tijd werden we onafscheidelijk.
Als we niet ergens met elkaar afspraken, sms’ten we de hele dag naar elkaar en belden nog meer. De ene na de andere afspraak volgde, steeds weer in door mij gekozen restaurants en
bars.
In die tijd was ik al een sjoemelaar, maar nog geen bekende. Al keek ik wel vaak uit voorzorg goed om me heen. Obers kenden me bij naam of schuilnaam en meestal gaf ik exorbitante fooien, ook als ik vrijwel geen geld meer had.
En ik had vaak geen geld meer. De etentjes van meestal 300 à 400 euro per avond braken me op. Zo besloot ik op een dag mijn geluidsinstallatie te verkopen om de volgende avond met
haar uit eten te kunnen.
Na een tijd betaalde ik gewoon niet meer en deed alsof ik mijn portemonnee was verloren. Eerst begon ik als bezeten al mijn zakken te doorzoeken, alsof er ergens nog een vergeten biljet zou kunnen zitten dat de rekening zou dekken. Daarna begon ik hevig te schelden en: ‘Hoe kan dat nou!’ te roepen. Later gaf ik dan mijn naam en adres aan de ober die genoeg had gekregen van mijn vertoning. Natuurlijk was het 22-jarige meisje daar nooit bij. Die werkte op die momenten haar make-up bij op de wc.
Het betekende wel dat we vervolgens een tijd niet op die plek konden komen. Ik zei tegen haar dat hij me een beetje was tegengevallen.
Een keer konden we geen plek vinden om te neuken. We besloten de opslagruimte van mijn grootmoeder te gebruiken. Ik zag de stoelen die ik van kinds af kende, de koffers en de in plastic
verpakte winterkleren van mijn grootmoeder. We neukten tegen een plastic tuinstoel en ik was zo bezweet geraakt dat ik daarna niet over straat kon.
‘Bij jou kreun ik oprecht,’ had ze gezegd. Dat vond ik mooi. Zo mooi dat ik zelfs had overwogen het op mijn rechterbovenarm te laten tatoeëren.

Na twee maanden zei ik dat ik van haar hield, waarop het 22-jarige meisje voorstelde te gaan samenwonen. Ik had er geen moment over na hoeven denken, ik vond het een geweldig idee. Binnen een maand had ik een huis gevonden dat precies voldeed aan haar eisen: hoge plafonds, een openhaard, parketvloeren en uitzicht op het water.
Vrienden en familie hadden het me sterk afgeraden. Ze vonden het veel te snel, sommige mensen verklaarden me voor gek. Ik wilde het niet horen, het enige wat ik wilde was bij haar zijn.
Ons leven werd binnen de kortste keren dat van een echtpaar; we waren dag en nacht bij elkaar. Na vijf maanden kon ik me niet meer herinneren hoe het was voordat zij in mijn leven was gekomen. Mijn moeder klaagde dat ik haar nooit meer bezocht, mijn grootmoeder zei dat ze niet eens meer wist hoe ik eruitzag. Mijn grootmoeder kan goed overdrijven.
Mijn vrienden werden haar vrienden en haar vrienden mijn vrienden.
Elke zondag aten we bij een van onze moeders thuis. Meestal bij die van haar, want ze vond het huis van mijn moeder nogal smerig.
Ik kookte en deed de boodschappen en zij maakte de boodschappenlijstjes in haar krullende handschrift. Soms gebruikte ze verschillende soorten viltstift en maakte kinderlijke tekeningetjes die pakken koekjes of rollen vuilniszakken moesten voorstellen.
’s Ochtends maakte ik ontbijt voor haar. Meestal gebakken eieren, die ze maar half opat. ‘Ik hou gewoon te veel van je weet je dat,’ zei ze dan, nog half slaperig, haar haar in de war, haar gezicht vol rode plooien; de overblijfsels van een diepe slaap. Ik viel nooit meer in een diepe slaap, werd vroeg in de ochtend vol spanning wakker. De slaapmiddelen die ik van mijn moeder stal, deden niets.
Ik was terechtgekomen in een ander soort, meer gecompliceerd geluk, waarvan ik al snel betwijfelde of het wel geluk was.
Steeds vaker zat ik ’s ochtends op de wc, met mijn hoofd tegen de wasbak leunend, bedenkend dat ik mijn leven kwijt was. Ons samenzijn leek meer dan perfect, het was puur geluk geweest dat we elkaar hadden gevonden. En toch, als ik daar slaperig naar de tegels op de wc-muur staarde, leek de liefde angstaanjagend onbereikbaar.
Op de verdieping boven mij sliep ze vredig, tussen de fijne lakens die ik voor ons in Parijs had gekocht, in het immens grote bed waar ze zo trots op was, op de kussens die permanent naar lavendel roken.
Ik trok door en bleef nog een tijdje zitten. Tussen de tegeltjes, de wasbak en de wc ging alles redelijk goed, daar was geen twijfel over mogelijk.

© David Pefko

Uitgeverij Van Oorschot

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum