Leesfragment: Mijn bericht aan de wereld

27 november 2015 , door Jan Karski

Op 18 oktober verschijnt de Nederlandse vertaling van Jan Karski's Mijn bericht aan de wereld. Vanavond kunt u al een uitgebreid fragment lezen, en uw exemplaar reserveren.

Jan Karski, geheim koerier van de Poolse verzetsbeweging, was de eerste die Eden, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, en de Amerikaanse president Roosevelt in 1942 en 1943 informeerde over het getto van Warschau en de vernietigingskampen. Ze hoorden hem vriendelijk aan, bleven sceptisch en deden … niets. Eden stond Karski geen gesprek met Churchill toe en Roosevelt zei: ‘Zegt u maar tegen de Polen dat wij de oorlog zullen winnen.’
Mijn bericht aan de wereld, al in 1944 geschreven, is een tijdsdocument van de allereerste orde en het leest als een spannende spionageroman. Wanneer Hitler Polen binnenvalt, vlucht de vijfentwintigjarige Karski met zijn eenheid naar het oosten en loopt recht in de armen van de Russen, die hem in een werkkamp stoppen en daarna aan de Duitsers uitleveren. Hij springt uit een veewagon en weet de Poolse verzetsbeweging te bereiken. Op grond van zijn talenkennis en zijn fenomenale geheugen wordt hij ingezet als koerier voor de Poolse regering in ballingschap in Frankrijk. Tijdens zijn zogenaamde wandeltochten wordt hij door de Gestapo opgepakt, gemarteld en snijdt hij zijn pols door om te voorkomen dat hij anderen verraadt. Katholieke nonnen redden hem en helpen hem ontvluchten. Op verzoek van Joodse partizanen laat hij zich binnensmokkelen in het getto van Warschau en – in kapo-uniform – in een concentratiekamp waar hij ooggetuige is van de Jodenvernietiging. In 1942 reist hij dwars door nazi-Duitsland naar Engeland en Amerika waar hij Eden en Roosevelt persoonlijk vertelt hoe ongekend de Duitsers tekeergaan in Polen.
De suggestiviteit van de beelden, het levendige karakter van de dialogen, de aanschouwelijkheid van Karski’s Mijn bericht aan de wereld zijn dikwijls geprezen. Zijn boek is echter op de allereerste plaats ‘een indrukwekkend getuigenis van moed, loyaliteit en menselijkheid’.

Lees de eerste pagina's van Mijn bericht aan de wereld op de website van uitgeverij Cossee, het onderstaande fragment sluit hier op aan.

[...]

Dit alles bracht ons tot de overtuiging dat onze mobilisatie moest worden opgevat als het Poolse antwoord op de zenuwenoorlog van de nazi's.
Duitsland was zwak en Hitler blufte, maar als hij zag dat Polen sterk, eensgezind en gewapend was, zou hij zich spoedig terugtrekken en dan konden wij weer naar huis. En anders zou Polen die bespottelijke kleine fanaticus wel even een lesje leren, desnoods met hulp van Engeland en Frankrijk. Op een avond zei onze majoor: 'Engeland en Frankrijk hebben we ditmaal niet nodig. Wij kunnen het zelf wel af.'
Pietrzak merkte droog op: 'Jawel, majoor, wij zijn sterk, maar... nu, ja... het is altijd prettig je in goed gezelschap te bevinden.'
Op de vroege ochtend van 1 september, om een uur of vijf, terwijl de soldaten van onze artilleriedivisie nog rustig lagen te slapen, drong onaangekondigd de Duitse Luftwaffe het land binnen, vloog brullend over onze kazerne en overdekte het hele gebied met een tapijt van brandbommen.
Tegelijkertijd rolden honderden machtige, moderne tanks de grens over en beschoten de smeulende ruïnes met granaten.
Het aantal doden en de chaos en verwoesting die deze gecombineerde aanval in amper drie uur tijd tot gevolg had, waren onvoorstelbaar. Toen we een beetje begonnen te beseffen wat er gebeurd was, was meteen duidelijk dat we geen enkel serieus verzet konden bieden. Toch slaagden enkele batterijen er als door een wonder in lang genoeg stand te houden om een paar keer in de richting van de tanks te vuren. Tegen de middag hadden twee van onze artilleriebatterijen opgehouden te bestaan.
De kazerne lag vrijwel geheel in puin, het station en de spoorbaan waren verwoest. Aangezien we geen verzet konden bieden, trokken we ons terug, als het die term al verdiende. Onze batterij kreeg het bevel uit O?wi?cim op te breken en geordend, met al onze wapens, voorraden en munitie naar Krakau te trekken. Terwijl we door de straten van O?wi?cim naar het station marcheerden, werden we tot onze verbazing en ontzetting vanuit de ramen beschoten door bewoners van de stad. Het waren Poolse burgers van Duitse afkomst, de vijfde colonne van de nazi's, die op deze manier lieten weten aan wie zij vanaf nu loyaal waren. De meeste manschappen wilden meteen reageren en terugschieten, maar dat werd hun door de hogere officieren belet. Door dat soort acties zou onze formatie uiteenvallen en dat was juist waar deze vijfde colonne op uit was. Bovendien woonden er ook loyale, vaderlandslievende Polen in die huizen.
Eenmaal bij het station aangekomen, moesten we wachten tot het spoor gerepareerd was. We zaten in de verzengende zon en staarden naar de brandende gebouwen, de hysterische bevolking en de verraderlijke vensters van O?wi?cim, tot onze trein klaarstond. Moe en vol weerzin klommen we in stilte aan boord, waarna we langzaam naar het Oosten vertrokken, in de richting van Krakau.
's Nachts stopte de trein talloze malen. We sliepen onrustig, vloekten als we wakker waren, speculeerden wat er gebeurd kon zijn en verzekerden elkaar eendrachtig dat we zo snel mogelijk en onder gunstiger omstandigheden wilden gaan vechten. Vroeg in de ochtend dook er een tiental Duitse Heinkels op die de trein bijna een uur lang bestookten. Meer dan de helft van de wagons werd getroffen, met veel doden en gewonden als gevolg. Onze wagon liep geen schade op. De overlevenden klommen uit de verwoeste trein en trokken te voet in oostelijke richting, zonder nog op orde of gesloten rijen te letten.
We waren niet langer een leger, een afdeling of een batterij, alleen nog afzonderlijke mannen, die samen naar een ongewis doel liepen. Over de landwegen waren honderdduizenden vluchtelingen onderweg, soldaten die op zoek waren naar hun eenheden of zich zomaar door de menigte lieten meevoeren. Twee weken lang bewoog de mensenmassa zich langzaam naar het Oosten. Ik bevond mij in een groepje dat nog steeds herkenbaar was als deel van een militaire eenheid. We hoopten een nieuwe verdedigingslinie te vinden waar we zouden kunnen stilhouden om te vechten. Iedere keer als we iets zagen dat ook maar enigszins geschikt leek, drong op de een of andere manier het bevel om door te marcheren door de menigte heen door tot onze commandant, die dan zijn schouders ophaalde en vermoeid naar het Oosten wees.
Slechte berichten achtervolgden ons als gieren die zich voedden met de restjes van ons vertrouwen: de Duitsers hadden Pozna? ingenomen, daarna Lódz, Kielce, Krakau. Nieuwe bombardementen leken erop te wijzen dat onze vliegtuigen en onze luchtafweer waren uitgeschakeld. De rokende, verlaten puinhopen van steden, stations en dorpen bevestigden onze donkerste vermoedens.
Na een mars van vijftien dagen bereikten we op 17 september de stad Tarnopol, moe, bezweet, verward en woedend. De weg naar Tarnopol was zo heet en onze voeten en schoenen waren na bijna vier dagen onafgebroken lopen in zo'n slechte toestand dat iedere stap op de harde ondergrond ondraaglijke pijn opleverde. De meesten liepen in de berm, ook al kwamen ze daar langzamer vooruit. Terwijl we ons zo voortbewogen, zonder veel haast, want we wisten amper nog waarom we eigenlijk onderweg waren, merkte ik aan de luider wordende stemmen en de groeiende onrust bij de verschillende groepen, wat meestal de aankondiging was van een belangrijk bericht of een opzienbarend gerucht, dat er iets bijzonders aan de hand was. Ik liep op met een groepje van acht officieren van de geneeskundige troepen, sinds ik een van hen een paar kilometer terug om een pleister had gevraagd voor een blaar op mijn hiel. Het was voor ons duidelijk dat er iets aan de hand was.
'Ik ga wel even kijken wat er loos is,' zei een van hen, een jeugdig ogende luitenant die door iedereen werd bewonderd omdat hij erin slaagde er onberispelijk uit te blijven zien. 'Misschien zijn er voor de afwisseling een keer goede berichten.'
'Ja vast,' riep iemand vol ironie. 'Misschien heeft Hitler besloten voor ons te capituleren.'
'We zullen het gauw weten,' antwoordde de luitenant en begaf zich naar een groepje infanteristen die een meter of twintig achter ons waren blijven stilstaan en opgewonden discussieerden.
We besloten in de karige schaduw van een oude dorre boom te wachten tot onze zelfbenoemde bode terugkeerde. Het duurde maar een paar minuten, toen stond hij al weer ademloos voor ons, en hij barstte los nog voordat hij ons helemaal had bereikt.
'De Russen zijn de grens over gekomen,' riep hij ons toe. 'De Russen zijn gekomen!'
We gingen om hem heen staan en bestookten hem met vragen. Hoe betrouwbaar was deze informatie? Iemand had het gehoord van een burger die een radio had. Wat had dat te betekenen? Hadden zij ons ook de oorlog verklaard? Kwamen ze als vriend of als vijand?
Hij wist het niet precies, maar als we het hém vroegen... Hij werd er beleefd op gewezen dat zijn mening er nu niet zoveel toe deed. Wij wilden feiten.
Welnu, voor zover hij had gehoord, had iemand een Russische zender opgevangen die zich ergens in Polen bevond. In een lange reeks meldingen in het Russisch, Pools en Oekraïens werd het Poolse volk meegedeeld dat de Russische soldaten die de grens waren overgestoken niet als vijanden moesten worden beschouwd, maar als bevrijders. Ze waren gekomen om 'de Oekraïense en Roetheense bevolking te beschermen'.
Het woord 'beschermen' beloofde niet veel goeds. We wisten allemaal dat Spanje, Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije ook onder 'bescherming' stonden. Tegen wie moesten we worden beschermd? Zouden de Russen tegen de Duitsers gaan vechten, als het nodig werd? Hadden ze het Molotov-Ribbentroppact opgezegd?
Onze bode wist er het fijne niet van. Hij had het de infanteristen gevraagd, maar die wisten kennelijk ook niet meer. Voor zover hij had begrepen waren daarover in de radio-uitzendingen geen uitspraken gedaan.
Maar er was wel sprake geweest van 'Oekraïense en Roetheense broeders' en van de dringende noodzaak dat alle Slavische volken één moesten zijn.
In ieder geval leek het zinloos in de brandende zon te blijven speculeren.
Het enige verstandige wat we konden doen was zo snel mogelijk onze tocht naar Tarnopol te vervolgen en daar nadere informatie in te winnen. We konden het alleen maar met hem eens zijn. We waren nog maar een kilometer of vijftien van de buitenwijken van Tarnopol verwijderd.
Als we ons een beetje inspanden konden we er in een paar uur zijn. Met nieuwe energie hervatten we onze moeizame mars. We hadden nu immers een doel, een reden om haast te maken. Dat maakte ons bijna gelukkig.
Onderweg bleven we nadenken en discussiëren en vergaten bijna de hitte en de ontberingen, doordat we eindelijk een ander gespreksonderwerp hadden dan de vraag hoeveel Pools grondgebied Duitsland intussen had veroverd.
Nog voor we in Tarnopol aankwamen, werden onze vragen beantwoord. Ongeveer drie kilometer voor de stad hoorden we lawaai. Het geluid kwam uit een luidspreker op enige afstand van ons, het klonk als een toespraak. Een bocht in de weg verhinderde dat we de bron ervan konden zien en vervormde de stem zozeer dat we niets konden verstaan. We voelden dat er iets belangrijks aan de gang was en zetten ondanks onze vermoeidheid een looppas in.
Voorbij de bocht lag een lange rechte weg. De eerste tweehonderd meter voor ons was er geen mens te zien; de vele groepjes die we intussen gewend waren te zien, waren verderop samengesmolten tot één menigte.
Niet ver van deze mensenmassa vandaan vervolgde de luidsprekerstem zijn onverstaanbare rede. Achter de menigte zagen we een lange rij militaire vrachtwagens en tanks, maar we konden de nationaliteit er van niet herkennen.
De mannen achter ons waren intussen ook aangestoken door alle opwinding, en sommigen, die nog sneller liepen dan wij, begonnen ons in te halen. Een van hen, die kennelijk arendsogen had, schreeuwde: 'Russen, het zijn Russen...! Ik zie de hamer en sikkel.'
Het was niet nodig dit met eigen ogen te bevestigen, want intussen beseften we dat de stem die we hoorden Pools sprak, met een licht accent en de zangerige tongval die we kenden van Russen die onze taal spraken.
Toch konden we nog steeds niet meer dan een enkel woord onderscheiden en toen we dichterbij kwamen zweeg de stem ineens. Er volgde een stilte en daarna geroezemoes. Poolse soldaten verdrongen zich om een voertuig, een Russische geluidswagen, zoals we nu zagen, en ze debatteerden over wat ze gehoord hadden.
Buiten adem liepen we op hen af en begonnen hijgend vragen te stellen.
Nu zagen we ook de hamer-en-sikkelsymbolen die in het rood op de lange rij Russische tanks en vrachtwagens prijkten. De vrachtwagens zaten volgepakt met zwaar bewapende Russische soldaten. Hieruit maakten we op dat de stem uit de luidspreker moest hebben bevestigd wat wij eerder al als gerucht over de meldingen van Russische zenders hadden gehoord. De stem had de mannen die om de vrachtwagen heen stonden ook opgeroepen zich als broeders bij de Russen aan te sluiten. Iedereen gaf zijn mening over wat er gedaan moest worden, tot een ongeduldige stem ons plotseling door een megafoon uit een van de Russische tanks luidkeels het zwijgen oplegde:
'Hé,' sprak de stem ons in het algemeen en vertrouwelijk toe, 'staan jullie nu aan onze kant of niet? We kunnen hier niet de rest van de dag midden op straat blijven wachten tot jullie tot een besluit zijn gekomen. Jullie hoeven niet bang te zijn. Wij zijn Slaven, net als jullie, en geen Duitsers. Wij zijn niet jullie vijanden. Ik ben de commandant van deze afdeling. Laat me spreken met enkele officieren die als jullie woordvoerders kunnen optreden.'
Vanuit de groep Polen steeg een verward gemompel op, en er werden wel honderd verschillende meningen en opmerkingen geuit. De gewone soldaten wezen het voorstel resoluut af, de officieren reageerden onzeker, ontevreden met alles, inclusief zichzelf. Ik was totaal radeloos; de hele toestand deed, in combinatie met alle inspanningen en opwinding, mijn hart zo hard bonzen dat ik er maar ternauwernood in slaagde antwoord te geven op de een of twee vragen die me werden gesteld; mijn zwijgen werd opgevat als een afwijzing.
Op dat moment kwamen enkele van de officieren kennelijk tot de conclusie dat het onze onderhandelingspositie zou bevorderen als we militair een ordelijke indruk wisten te wekken. Onderofficieren begonnen tussen de manschappen heen en weer te lopen om te proberen ze in het gelid te krijgen. Dat was vergeefse moeite, aangezien we inmiddels niet veel meer waren dan een losgeslagen horde, een bont samenraapsel van officieren, gewone soldaten en onderofficieren, van wie er geen tien tot dezelfde eenheid of afdeling behoorden. Veel soldaten waren onbewapend en we beschikten noch over mitrailleurs noch over geschutstukken. De besluiteloosheid hield aan en dreigde zich eindeloos voort te slepen.
Onder de officieren bevonden zich twee kolonels. Ze spraken al een tijdje met elkaar en waren het intussen eens geworden over een plan. Ze gebaarden andere hogere officieren zich bij hen te voegen en beraadslaagden op zachte toon. Uiteindelijk maakte een kapitein zich op veelbetekenende wijze los uit de groep, haalde een smoezelige witte zakdoek tevoorschijn en liep al zwaaiend met zijn zakdoek langzaam in de richting van de Russische tank.
De massa observeerde hem, alsof hij een personage uit een toneelstuk was, een acteur die op een dramatisch hoogtepunt het podium betrad.
Niemand bewoog. We keken zwijgend toe, tot er tussen de tanks een officier van het Rode Leger opdook. De beide officieren ontmoetten elkaar halverwege en begroetten elkaar kort. Ze leken op hoffelijke toon met elkaar te spreken. De Sovjetofficier wees in de richting van de tank van waaruit de commandant had gesproken, en ze liepen er samen naartoe.
Uit de menigte klonk een gedempte zucht van verlichting nu de toon in ieder geval oppervlakkig gezien vriendschappelijk leek.
Toch waren we er allesbehalve gerust op. In de afgelopen tweeënhalve week hadden we zowel geestelijk als emotioneel veel te verduren gehad.
Fysiek hadden we relatief weinig schade ondervonden, maar de Duitse Blitzkrieg had ons verstand en onze emoties zo ontregeld, ons zo verdoofd en verward dat we amper nog begrepen wat er gebeurde. Lichamelijk waren we min of meer ongedeerd, maar we voelden ons volledig uitgeput en krachteloos.
De Poolse officier verdween en bleef ongeveer vijftien minuten weg.
Intussen konden wij slechts bezorgd afwachten, afgemat, nerveus en verdoofd.
Wat zich voor onze ogen afspeelde was zo onwerkelijk, zo totaal anders dan wat we ooit hadden beleefd of ons ooit hadden voorgesteld, dat we er niet eens over durfden te praten. Ten slotte werd de gespannen stilte verbroken door een luide, vastberaden en accentloze stem die via de megafoon op de tank van de Russische commandant tot ons sprak.
'Officieren, onderofficieren, manschappen,' begon hij op de toon van een generaal die zich voor het begin van de veldslag tot zijn troepen richt. 'Hier spreekt kapitein Wielszorski. Tien minuten geleden hebt u mij met de officier van het Sovjetleger zien vertrekken. Nu heb ik ernstig nieuws voor u.'
De stem zweeg. We zetten ons schrap tegen de schok. Die kwam.
Tot nu toe had de stem langzaam en beheerst geklonken. Nu namen het tempo en het volume toe en trokken ons mee.
'Het Sovjetleger is de grens overgestoken om samen met ons het gevecht aan te gaan met de Duitsers, de aartsvijanden van de Slaven en de gehele mensheid. We kunnen niet wachten op bevelen van het Poolse opperbevel.
Er is geen Pools opperbevel meer en ook geen Poolse regering. We moeten onze krachten bundelen met de Sovjets. Commandant Plaskov wil dat we ons bij zijn eenheid aansluiten, nadat we onze wapens hebben ingeleverd.
Die wapens krijgen we later terug. Hierbij stel ik alle officieren binnen gehoorsafstand van deze feiten op de hoogte en beveel ik alle onderofficieren en manschappen gevolg te geven aan het verzoek van commandant Plaskov.
Dood aan Duitsland! Lang leve Polen en de Sovjet-Unie!'
Op deze woorden werd gereageerd met een algeheel, verstard zwijgen.
De loop van de gebeurtenissen ging ons begrip te boven en beroofde ons van alle wilskracht. We bleven allemaal als in trance stilstaan. Er was geen gefluister te horen, geen geluid van een beweging. Ik voelde me als betoverd, als bij een ethernarcose die ik ooit gehad had, toen ik ook moeite had met denken en ademen.
De ban werd verbroken door één enkele snik ergens voor me. Een seconde lang dacht ik dat ik hallucineerde. Toen klonk het weer, een rauw, vertwijfeld gesnik dat de keel waaruit het opsteeg leek te verscheuren. Het geluid werd heviger, pijnlijk en benauwd, brak toen af en ging over in een schelle hysterische kreet:
'Broeders, dit is de vierde Poolse deling. Moge God zich over me erbarmen!'
Een knallend schot veroorzaakte angst en verwarring in de menigte.
Iedereen probeerde dichter bij de plek te komen waar het schot vandaan was gekomen. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje: een onderofficier had zelfmoord gepleegd. Hij had zich een kogel door het hoofd geschoten en was op slag dood. Niemand kende zijn naam, zijn compagnie, niemand wist iets over hem.
Niemand kon deze verschrikkelijke daad verklaren of duiden. Ze leidde niet tot nieuwe wanhoopsdaden, maar wel tot een luid geroezemoes van stemmen. Iedereen praatte opeens door elkaar, als de toeschouwers in een theater nadat het doek is gevallen. Het tumult zwol aan toen officieren heen en weer begonnen te lopen en er bij de mannen op aandrongen hun wapens neer te leggen, degenen die weigerden probeerden te overreden en hier en daar zelfs aan wapens begonnen te trekken.
Opnieuw kwam er een mededeling in een zangerige tongval uit de megafoon op de tank van de commandant:
'Poolse soldaten en officieren! Leg uw wapens neer voor de witte hut onder de lariksen, links van de weg. Alle wapens, mitrailleurs, geweren en handvuurwapens. De officieren mogen hun zwaard behouden, maar de manschappen moeten hun bajonet en patroongordel afgeven. Iedere poging om wapens te verbergen zal worden beschouwd als verraad.'
Als één man wendden we onze blik naar de witte hut onder de lariksen, links van de weg. Hij glansde in de zon, ongeveer dertig passen van ons vandaan. Onder de lariksen, links en rechts van de hut, zagen we nu een rij mitrailleurs glinsteren, die op ons gericht waren. We aarzelden, onzeker over wat ons nu te doen stond. Niemand durfde de eerste stap te wagen. Uiteindelijk kwamen twee kolonels vastberaden naar voren, trokken hun revolver uit de holster en legden die vlak naast de ingang van de hut op de grond. Twee kapiteins volgden hun voorbeeld. De eerste stap was gezet. De ene na de andere officier stapte nu naar voren en begaf zich naar de hut, ongelovig nagekeken door de gewone soldaten. Toen ik aan de beurt was, bewoog ik me als gehypnotiseerd, niet in staat mezelf ervan te overtuigen dat dit allemaal werkelijk gebeurde. Bij de hut aangekomen, verbaasde ik me over de berg revolvers die daar al lag. Ik trok mijn wapen en bedacht vol spijt met hoeveel zorg ik het had onderhouden en hoe weinig profijt ik ervan had gehad. Het wapen glansde en zag er goed uit.
Ik liet het vallen en keerde me om met het gevoel al mijn bezittingen verloren te hebben.
Na de officieren sloften de soldaten morrend naar voren en legden hun wapens op de stapel die intussen een aanzienlijke hoogte had bereikt. We hadden meer wapens dan ik gedacht had. Tot mijn verrassing zag ik soldaten met machinegeweren en daarna, op enige afstand, drie paar zware artilleriepaarden die een stuk veldgeschut voorttrokken. Ik weet tot vandaag niet hoe en waarom dat daar terecht was gekomen. Nadat het laatste geweer en de laatste bajonet op de intussen reusachtige berg was achtergelaten, keken we verwonderd toe hoe twee pelotons Sovjetsoldaten van de vrachtwagens sprongen en zich in gevechtsformatie links en rechts van de straat opstelden, hun lichte mitrailleurs op ons gericht.
Via de megafoon kregen we het bevel in een rij aan te treden, met het gezicht naar Tarnopol. Intussen startten enkele tanks voor ons hun motoren, rolden in hoog tempo van de weg af langs ons, tot ze achter ons waren. Daar kozen ze positie en richtten hun geschut op ons. De overgebleven tanks vóór ons keerden en richtten eveneens hun geschut op ons. Eerst langzaam en daarna in marstempo zette de colonne zich in beweging, naar Tarnopol.
We waren gevangenen van het Rode Leger. Ik had, vreemd genoeg, niet eens de kans gekregen tegen de Duitsers te vechten.

 

Utgeverij  Cossee

MINDBOOKSATH : athenaeum