Leesfragment: Armada 66: Letter & Ziel. Een literair-filosofische verkenning

27 november 2015 , door Joke J. Hermsen
| | | |

26 maart verschijnt het nieuwste, 66ste nummer van Armada, en 10 april wordt het gepresenteerd bij Spui25. Het heeft als thema 'Letter & Ziel. Een literair-filosofische verkenning' onder gastredactie van Joke J. Hermsen. Haar inleiding op het nummer mogen we vanavond voorpubliceren.

De 66ste aflevering van Armada focust, parallel aan het thema van de Maand van de Filosofie (april), op datgene wat zowel het meest onzichtbare als het sterkst betwijfelde aspect van de mens vormt: de ziel.

Na eeuwenlang door de wetenschap als een onzinnig en vooral 'bijgelovig' concept terzijde te zijn geschoven, is de ziel nu bezig aan een bescheiden comeback. In de literatuur is van de grote filosofische schroom voor het woord 'ziel' nauwelijks iets te merken, getuige deze Armada, waarin vanuit een breed literair-filosofisch perspectief wordt gepoogd de ziel te vangen in proza en poëzie, en in essays over de ziel in de wereldliteratuur, van Meister Eckhart en Robert Musil tot Vasalis en Jung.

Geïllustreerd door Jaap de Jonge en met bijdragen van onder anderen Roel Bentz van den Berg, Désanne van Brederode, Rudi te Velde, Maaike Meijer, Henk van der Waal, Astrid Lampe, Piet Gerbrandy, Kristien Hemmerechts, Stine Jensen, Paul van Tongeren en Christine Otten.

Ontzielde lichamen en bezielde kunst

‘The soul is born old but grows young. That is the comedy of life. And the body is born young and grows old. That is life’s tragedy.’ – Oscar Wilde.

Wat zou Oscar Wilde precies bedoeld hebben toen hij in zijn toneelstuk A woman of no importance (1893) schreef dat de ziel oud geboren wordt maar jong opgroeit, terwijl dit proces bij het lichaam precies omgekeerd verloopt? Een thematiek die Wilde ook al eerder in zijn enige roman The Picture of Dorian Gray (1891) verwerkte, waarin een narcistische jongeman zijn ziel aan de duivel verkoopt, teneinde zijn eeuwige jeugd en schoonheid te behouden. Niet hij, maar het ‘perfecte schilderij’ dat van Dorian Gray gemaakt is, veroudert en betaalt de prijs voor zijn losbandige leven vol drank, drugs en seksuele uitspattingen. Dorian zelf blijft jarenlang immuun voor het fysieke verval, alsof de verbanning van zijn ziel naar het schilderij hem behoedt voor de natuurwetten, dat wil zeggen, alsof hij door de excommunicatie van zijn ziel geen levend mens maar een mooi ‘ding’ is geworden, waar de tijd geen sporen op achterlaat. Die eeuwige jeugd en schoonheid blijken echter geen zegen te zijn. Zonder ziel verliest de mens niet alleen zijn empathie en moreel bewustzijn, zo suggereert Wilde in zijn roman, maar ook de mogelijkheid zich te ontwikkelen en te vernieuwen, want op het laatste weet de immer jonge Dorian van gekkigheid niet meer hoe hij de sleur van altijd maar dezelfde te moeten zijn moet verdrijven. ‘The soul grows young’, omdat deze voor beweging, voor verandering, voor leven in de brouwerij zorgt, terwijl het lichaam geleidelijk ouder wordt; een paradox waarmee Wilde in slechts enkele woorden de tragikomedie van het menselijke bestaan beschrijft.
De verhouding tussen lichaam en ziel is niet alleen een bekend literair motief, maar ook een eeuwenoude filosofische kwestie. De Maand van de Filosofie koos het dit jaar zelfs als thema uit; reden voor de redactie van Armada om mij als gastredacteur voor een themanummer over de ziel te vragen. Sinds de verlichting durfden nog maar weinig filosofen over de ziel te spreken, maar die tijd lijkt voorbij te zijn. Gerard Visser schreef een boeiend essay over de ziel in Niets cadeau (2009), Roel Bentz van den Berg betoverde zijn lezers tijdens zijn zoektocht naar de ziel in Engelen in regenjas (2009) en zelf waagde ik me in Stil de tijd (2009) en Windstilte van de ziel (2010) aan een voorzichtige verkenning van dit door vrijwel alle wetenschappers – de hersenonderzoekers voorop – betwiste concept. Zodra iets niet op een scan of onder een microscoop is vast te leggen, bestaat het immers niet, luidt de reguliere opvatting. Wat niet gemeten kan worden, wordt terstond naar het rijk der fabelen verwezen. De meeste wetenschappers gaan gemakshalve voorbij aan het belangrijke onderscheid dat tussen meten en ervaren gemaakt kan worden. Dit blijkt alleen al uit ons taalgebruik, waar de ziel ondanks alle ontkenningen heel regelmatig op blijft duiken, zowel in alledaagse uitspraken als in meer literaire taaluitingen. Van de grote schroom die de houding van de filosofie en wetenschap ten aanzien van de ziel typeert, is bij veel schrijvers en dichters overigens niet veel te merken. De onlangs overleden dichteres Wislawa Szymborska wijdde er zelfs meerdere gedichten aan, zoals het mooie ‘Enige woorden over de ziel’: ‘We kunnen op haar rekenen,/ wanneer we nergens zeker van zijn.’
Er zijn nogal wat uitdrukkingen over de ziel, die we heel gemakkelijk gebruiken, zonder voortdurend ons hoofd te breken over de vraag of die ziel nu wel of niet bestaat. ‘Op je ziel getrapt worden’ bijvoorbeeld, wat toch echt iets heel anders betekent dan dat iemand bij het dansen op je tenen gaat staan. Of: ‘met je ziel onder de arm lopen’ als je echt niet meer weet wat je moet doen. Ook weten de meeste mensen heel goed het verschil tussen een zielloze vertoning en een bezielde voorstelling te maken. De prominente aanwezigheid van de ziel in onze taal – en in vrijwel alle talen – doet dus al vermoeden dat niet alle menselijke ervaringen binnen een wetenschaps-technologische blik te vangen zijn.
Aangezien de ziel volgens Gerard Visser in de westerse filosofie en wetenschap juist ‘aan de illusie van haar kenbaarheid gestorven is’, zullen we in dit themanummer maar niet recht op ons doel af gaan, maar vele omtrekkende bewegingen maken om haar in het vizier te krijgen. Dat is wat mij bij het samenstellen van deze Armada voor ogen heeft gestaan: een veelvoud van benaderingen in proza, poëzie en essayistiek samenbundelen tot een veelkleurig palet van mogelijke verbeeldingen van de ziel. Waarom is dat eigenlijk nodig, zult u zich afvragen? Als een begrip ondanks alle wetenschappelijke scepsis in de taal zo fier stand weet te houden, dan verdient dit op zijn minst onze aandacht. Maar er is voor mij nog een andere reden om de ziel binnen het bereik van menselijke ervaringen een plek te gunnen. De ziel zou ook begrepen kunnen worden als datgene wat verzet weet te bieden tegen het tamelijk wijd verspreide geloof de mens louter als een materieel en biologisch organisme te zien. Of, om Szymborska nogmaals te citeren: ‘het protest daartegen/ noemen we de ziel.’ Wat ik bij wijze van inleiding tot dit themanummer wil onderzoeken, is wat dat ‘protest’ eigenlijk inhoudt. Waarom spreken we over ‘bezield’ of ‘zielloos’? Een recente tentoonstelling in Amsterdam maakte die vraag voor mij nog urgenter.
Ze zijn deze dagen maar moeilijk te ontwijken: de ontvelde koppen en ontzielde lichamen die vanaf levensgrote affiches de blikken van voorbijgangers proberen te vangen. De bizarre grijnzen op de dode gezichten hebben iets verontrustends; zodra er eentje in de verte opdoemt, wil ik mijn blik er het liefst meteen van afwenden. Zo niet de miljoenen bezoekers die de tentoonstelling Body Worlds III van de Duitse anatoom/kunstenaar Gunter von Hagens komen bekijken. Van Japan tot New York en van Madrid tot Amsterdam vergaapt men zich vol verwondering aan de met aceton en siliconen ‘geplastineerde’ lichamen, die dribbelend voor een basketbalnetje of op de fiets zittend worden tentoongesteld. Hoewel deze lichamen niet veel verschillen van de platen die we uit de anatomieboeken kennen, is Body Worlds al jaren een enorm succes. Waarom willen zo veel mensen kijken naar dode lichamen, waar de huid als een oude jas vanaf getrokken is? Heeft de interesse voor anatomie plotseling zo’n grote vlucht genomen? Misschien dat de tentoonstelling inderdaad een voyeuristisch of een quasiwetenschappelijk verlangen bevredigt, maar ik vermoed eerlijk gezegd dat een deel van het succes ook door de zogenaamde ‘echtheid’ van de lichamen te verklaren is.
De bezoekers weten namelijk heel goed dat de geconserveerde lijken geen plastic modellen zijn, maar dat dit ‘echte’, aan de kunstenaar gedoneerde lichamen zijn, die tot voor kort nog een menselijke geest of, zo u wilt, een menselijke ziel herbergden. Die ziel is inmiddels al lang vervlogen, en het sportieve, basketballende lijk was vroeger misschien wel een stijve boekenwurm, maar toch heeft er door al die geprepareerde spieren en vezels heen ooit een ‘echt’ menselijk wezen gedoold. Ruim 60 000 mensen – onder wie ook tientallen Nederlanders – hebben hun lichaam inmiddels aan Body Worlds geschonken, omdat ze in plaats van een eeuwige rustplaats liever als geplastineerd lijk van de ene naar de andere wereldstad vervoerd willen worden, zoals een Nederlandse donor onlangs op de televisie trots verkondigde. Body Worlds zou waarschijnlijk nooit zo veel bezoekers trekken als de lichamen plastic imitaties zouden zijn, want het is juist het ‘echte’ van de dode lichamen dat fascineert: ‘echte’ lijken die in gedachten verzonken achter een schaakbord zitten of de liefde bedrijven in bed. Waar de bezoekers dus eigenlijk naar willen kijken is juist datgene wat ontbreekt: het ‘echte’, het levende, de ziel is al lang uit de lichamen verdwenen, maar wordt door de alledaagse houdingen nog wel gesuggereerd. Gelukkig wordt in Amsterdam niet een van de meest verontrustende lichamen getoond; dat van een hoogzwangere vrouw die zich als donor had opgegeven, maar vroegtijdig kwam te overlijden. Het is onduidelijk of zij er ook mee ingestemd zou hebben dat de bijna volgroeide baby in haar buik mee geplastineerd en geëxposeerd zou worden. Je kunt het je haast niet voorstellen. Het kind zelf had hier in ieder geval geen enkele zeggenschap over.
De Australische kunstenaar Ron Mueck maakt ook beelden van menselijke figuren. Zijn beelden zijn realistische kopieën van de mens, compleet met wenkbrauwen, wimpers, sproeten en nagels, en alle mogelijke gemoedsaandoeningen die uitgedrukt worden in een blik, gebaar of plooiing van de huid. Dit zou slechts een aardige uitbreiding van de collectie wassen beelden van Madame Tussauds opleveren, als Mueck het daarbij gelaten zou hebben. Maar dat doet hij niet. Hij verandert de schaal, waardoor ik in het Brooklyn Museum in New York ineens oog in oog kwam te staan met een enorme, pasgeboren baby, zeker twintig of dertig keer groter dan normaal. Bij de aanblik van die nog gekromde tenen, de tot vuistjes gebalde handen, de samengeknepen ogen en het nog natte haar herkende ik ineens mijn eigen baby’s, maar dan absurd uitvergroot, waardoor ik niet alleen in verwarring werd gebracht, maar ook ontroerd raakte. Mueck vergroot de schaal niet alleen, ook het omgekeerde doet hij, want even later zag ik een liefdespaar als de bekende ‘lepeltjes’ tegen elkaar aan liggen. Elk detail was met de grootste aandacht en precisie weergegeven, elke huidplooi, elke kromming van een arm of been, ze waren echter dan echt, en toch ook niet, want zo klein dat ik ze gemakkelijk met mijn handen had kunnen optillen.
Waar von Hagens de binnenkant toont van dode, ontzielde lichamen die in levensechte situaties worden teruggeplaatst, daar maakt Ron Mueck levensechte beelden van artificieel materiaal, die vanwege zijn persoonlijke interpretatie van de mens weer bezield raken. Beide kunstenaars spelen met de grens van leven en dood, van werkelijk en onwerkelijk, van echt en onecht, maar alleen Muecks beelden weten mij te raken, omdat het hem om meer dan goedkoop voyeurisme of een anatomische les alleen te doen is. Hij probeert de mens te laten zien in zijn kwetsbaarheid, zijn ongemak, zijn twijfels en angsten, die juist dankzij de schaalvergroting of -verkleining in de beelden nog meer tot uitdrukking komen. Dankzij zijn interpretatie van de mens en de verbeelding van zijn emoties verkent Mueck naar mijn idee dus veel meer de ‘binnenkant’ van de mens dan de ontvelde lichamen van von Hagens dat doen. Die blijven vanwege de kille analytische blik toch vooral wat ze zijn: Adams kostuum in de uitverkoop.
Hoe kan het dat een siliconen beeld van Mueck wel bezield lijkt en een geplastineerd lichaam van von Hagens niet? Wat zegt dit over de verhouding tussen lichaam en ziel, en in hoeverre zou een beter begrip van de ziel behulpzaam kunnen zijn om mijn verschillende esthetische ervaring van Muecks en von Hagens’ beelden te duiden? In de Phaedrus beschrijft Plato dat de ziel gevangen zit in de kerker van het lichaam en dat deze daarvan bevrijd moet worden door zich af te wenden van alle aardse verlangens en zich volledig op het denken – en de wereld van de Ideeën – te concentreren. In de tweede redevoering wordt de ziel ook wel als een paardenspan met menner voorgesteld, zoals ook in de fraaie bijdrage van Piet Gerbrandy in deze Armada te lezen is, waarbij het zwarte paard de ziel omlaag wil trekken, naar de aardse driften en begeerten toe, terwijl het witte paard de ziel omhoog wil trekken, in de richting van de geestelijke ideeënwereld. De menner (het verstand) dient beide paarden in evenwicht te houden, maar eigenlijk vond Plato dat het witte paard moest zegevieren. Want pas als de ziel zich van alle aardse en fysieke zaken verlost heeft en geheel geleid wordt door het witte paard, mag zij voor eeuwig voortleven in het bovenaards ideeënrijk. Zijn leerling, Aristoteles, vond het maar onzin om te geloven dat de ziel van het lichaam gescheiden kon worden. De ziel is zelf weliswaar onstoffelijk, maar ze bestaat alleen in relatie tot de stoffelijkheid, waar ze het vorm- en levengevende beginsel van is. Voor hem was de ziel toch vooral het Griekse psuchè, dat adem, levensadem betekent; de ziel blaast leven in het stoffelijke.
De lichamen van Body Worlds zouden voor zowel Plato als Aristoteles zonder twijfel zielloos zijn, maar zou dit ook voor de beelden van Mueck gelden? Zijn beelden worden natuurlijk niet echt tot leven gewekt, maar dankzij Muecks persoonlijke interpretatie van de menselijke figuur gaan de beelden wel tot onze verbeelding spreken en komen ze op die manier tot leven. Als de verbeelding dus iets toevoegt aan de werkelijkheid, een eigen interpretatie, accent of toonzetting, dan kan een werk bezield raken. Waarom zou dat zijn? Is het omdat er dan iets van de ziel, dat wil zeggen van de unieke persoonlijkheid van de kunstenaar zelf in het werk wordt uitgedrukt, en dat wij dat al kijkende of luisterende of lezende herkennen? Blijkbaar is het voor een bezield werk niet voldoende de werkelijkheid slechts klakkeloos te imiteren, zoals von Hagens dat met bijna angstwekkende wetenschappelijke precisie doet, maar dient deze overstegen te worden, in die zin dat er een bepaalde visie, een bepaald inzicht in uitgedrukt moet worden. Maaike Meijer noemt dit in haar essay over de poëzie van Vasalis een vorm van ‘mystiek realisme’, waarbij ‘het transcendente juist in de werkelijkheid’ zelf ervaren wordt.
De ziel wordt ook door moderne filosofen als Henri Bergson als een levensprincipe – een elan vital – en als een ‘beweging’ en ook wel betrokkenheid gezien: ‘Het gaat erom de ziel van het leven zelf te voelen kloppen,’ schreef Bergson, ‘en de onverwachte bewegingen te volgen van het zelf dat zich laat leven.’ Bezielde ervaringen inspireren tot nieuwe vormen van betrokkenheid. De ziel zou ons niet alleen met de diepere, onbewuste lagen van ons zelf weten te verbinden, maar ook nieuwe verwantschappen met anderen doen aangaan. Elke schrijver, kunstenaar of musicus weet dat hij vanuit het meest bijzondere van zijn eigen ervaring de universele taal van zijn discipline moet openbreken om niet alleen zijn persoonlijke signatuur in het werk te kunnen achterlaten, maar ook om zijn toeschouwers, luisteraars of lezers te kunnen bereiken. Volgens Bergson lukt dit alleen als hij of zij daarbij tevens door de stevige muren van het bewuste ik weet heen te breken om zich vervolgens te kunnen voeden aan ‘de ander’ in het zelf: het moi profond dat zich op onbewust niveau gevormd heeft met al onze meest persoonlijke sensaties, indrukken, gevoelens en herinneringen, die we echter grotendeels vergeten zijn.
Dit dieper gelegen zelf doet sterk denken aan Nietzsches omschrijving van de ziel als ‘een ragfijn weefsel van driften en affecten dat zich in de loop van een leven onderhuids vormt’. Paul van Tongeren omschrijft het in zijn bijdrage als volgt: ‘Want dat is de ziel: de hoogst individuele kern van een mens, dat wat iemand ten diepste is, zijn stemmingen, zijn hartstochten, zijn biografie, zijn leven.’ Als het de kunstenaar lukt om een glimp van die ziel in het werk te laten oplichten, weet het ons op zielsniveau te raken. Dat is wellicht ook het verschil tussen von Hagens’ lijken en Muecks beelden. De eerste wil de dode lichamen van anderen tentoonstellen en daaraan een leugenachtige illusie van een leven na de dood verbinden, de tweede blaast met zijn persoonlijke interpretatie zijn beelden leven in en kan zo een waarheid op het spoor komen die ons ten diepste ontroert.
In Windstilte van de ziel kwam ik tot de conclusie dat de ziel vooral iets met die betrokkenheid tussen ik en zelf en ik en ander te maken heeft, maar ook tussen stoffelijk en niet stoffelijk, tussen het materiële van een lichaam en het immateriële van een ervaring. Mijn voorlopige schets van de ziel zou daarom een weegschaal zijn, waarop beide polen voortdurend tegen elkaar afgewogen worden, in een immer aftastende spanningsverhouding. Pas wanneer beide polen met elkaar in verbinding staan, kan er iets in gang gezet worden, kan er iets nieuws ontstaan, is er kortom ruimte voor ontwikkeling. Dan kan de ziel ‘jong opgroeien’, zoals Oscar Wilde schreef. Als de mens naar slechts één pool verbannen wordt – of dit nu het Ideeënrijk van Plato of het brein van de hersenwetenschappers is – dan betekent dit letterlijk stilstand; zonder verbinding tussen beide polen wordt het maar een dooie boel. Iets is bezielend als het ons in beweging brengt en voor nieuwe verhalen, nieuwe beelden en interpretaties zorgt. In die zin moeten we nog altijd met Pindarus instemmen: ‘O mijn ziel, streef niet de eeuwigheid na, maar put het veld der mogelijkheden uit.’
Nietzsche was van mening dat na de dood van god en het eenzijdig claimen van de ziel door de christelijke instituties ‘de weg naar nieuwe concepties van de ziel weer open’ lag. Een ziel als een ‘subject veelheid’, stelde hij voor, een ziel die niet op een hiernamaals gericht is, maar juist ook van onze passies en onze levenslust getuigt, een ziel die zich ook in de roes, in de droom en in de waan manifesteert en onze verduisterde geschiedenissen van het dieper gelegen zelf kan wakker kussen. Een veelstemmige ziel kortom, die niet alleen in retraite maar ook in de wereld en op straat kan opbloeien. Van die ziel getuigt Roel Bentz van den Berg in zijn even vitale als muzikale bijdrage aan dit nummer. Zoveel zielen zoveel vreugd, en zoveel stemmen, essays, gedichten en verhalen. Van de Surinaamse ziel tot die van Musil, Jung en Meister Eckhardt. De ogen worden ook wel ‘de vensters van de ziel’ genoemd. In ieders blik komt de uniekheid van de ziel naar voren. Vandaar dat Jaap de Jonge een serie portretten van een aantal auteurs maakte, waarin hij juist die blikken probeerde te vangen.
Laten we ten slotte opmerken dat er niet een waarheid noch een leugen over de ziel bestaat. De ziel is heel eenvoudig gezegd dat wat ons doet leven en wat ons kan verbinden aan anderen. Ik hoop dat u aan deze aflevering van Armada, die ik met veel plezier voor u heb samengesteld, ook enige bezieling zult beleven.

Uitgeverij Wereldbibliotheek

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum