Leesfragment: Coyote

27 november 2015 , door Hari Kunzru
| |

27 juni verschijnt de nieuwe roman van Hari Kunzru, Coyote (Gods Without Men, vertaald door Rob van der Veer en Anneke Bok). Wij publiceren voor.

'Een van de beste romans van het jaar.' The Telegraph

Wanneer Raj Matharu, een vierjarig autistisch jongetje, tijdens een vakantie verdwijnt in de Californische woestijn, openen de media een klopjacht op zijn rijke New Yorkse ouders. Het lot van de ouders is verbonden met onder meer een slempende Britse rockster, een aanbidder van buitenaards leven, een jonge Irakese vluchteling en een achttiende-eeuwse franciscaner ontdekkingsreiziger.
De verhaallijnen van deze roman spelen zich af in verschillende tijdsgewrichten, maar ze komen samen bij Pinnacle Rocks, een rotsformatie in de meedogenloze woestijn.

Hari Kunzru (1969) ontving voor zijn debuutroman The Impressionist (De poseur) de John Llewellyn Rhys Prize. Het tijdschrift Granta plaatste Kunzru op de lijst 'Best of Young British Novelists'. Verder verschenen van Kunzru Leela.exe en Mijn revoluties. Gods Without Men werd door de internationale pers met lof overladen.

'Verbluffende roman.' NRC Handelsblad
'Een intelligent boek dat blijft intrigeren.' Het Financieele Dagblad

2008

Heel even dacht Jaz dat Raj was verdwenen. Maar daar had je hem, bij het zwembad, met de arme verfomfaaide Bah achter zich aan gesleept. Als een kleine schildwacht stond hij naast een verlopen uitziende man die als een voddenbaal op een van de ligstoelen lag. Haastig liep Jaz over het terras en hij lette goed op dat hij niet uitgleed op de natte tegels. Raj had zich helemaal in zichzelf teruggetrokken en stond zachtjes heen en weer te wiegen, zijn vuisten gebald, zijn nek verwrongen tot de pijnlijk uitziende S, waardoor het altijd leek of hij zijn hoofd in zijn oksel wilde stoppen. De man hing opzijgezakt, een magere arm uitgestrekt naar een lege tequilafles die op het beton lag. Hij was gekleed in strakke, felgekleurde kleding, zoals de hippe jongeren die je door Williamsburg zag fietsen. Hij leek volkomen gevloerd. Hoe meer Jaz zag, hoe minder het hem aanstond: de verwilderde baard, de tatoeage die over één kant van zijn nek omhoogkronkelde, de bloedvlekjes op zijn broek; hij had zand in zijn haar en er zat ook een laagje op zijn huid, alsof hij over de grond had gerold. Net op dat moment werd de man wakker. Hij keek geschrokken toen hij hen tweeën naast zich zag staan. Jaz probeerde een neutraal gezicht op te zetten.
‘Het spijt me enorm. Had je last van hem?’
‘Eh, nee.’ Hij had een accent. Hij wreef over zijn gezicht en ging iets rechterop zitten. ‘Ik lag alleen even te pitten.’ Brits. Misschien Australisch.
‘Kom, Raj.’ Jaz sprak op geruststellende toon. ‘Mamma zit te wachten.’
Raj maakte geen aanstalten om mee te gaan en wiegde iets harder heen en weer. De man boog zich naar hem toe en toonde een mond vol scheve tanden. ‘Alles oké, kereltje?’ Raj zei uiteraard niets terug. De man leunde weer achterover en keek omhoog, zijn ogen afschermend tegen de zon. Jaz rook de stank van oud zweet. Was het wel een motelgast? Misschien was hij zomaar komen aanwaaien vanaf de snelweg.
‘Verlegen, die kleine van je.’
Jaz had geen zin om met dit type in te gaan op de bijzonderheden van Raj’s aandoening.
‘Klopt. Zo is hij soms met vreemden.’
‘Op die manier.’
‘Oké, jongen, we gaan. Kom maar met pappa mee.’
Raj maakte het hem niet gemakkelijk. Hij wilde Jaz geen hand geven en toen hij werd opgetild, zette hij zijn meest effectieve protesttactieken in door zich beurtelings slap en stijf te houden en als een vis te spartelen in de greep van zijn vader.
‘Hou eens op. Kom met pappa mee. Pappa wil dat je meekomt.’
De man bekeek hun strijd. Jaz probeerde zich er niet voor te schamen. Hij had nooit kunnen wennen aan dit aspect van Raj’s vader zijn: de scènes, de manier waarop ze altijd in het middelpunt van de aandacht stonden. Ze zouden altijd opvallen, konden nooit een normaal gezin zijn. Lisa was sterker dan hij, maar dat moest natuurlijk ook wel: zij was de hele dag bij de jongen, zonder onderbreking. Jaz kon opstappen, naar zijn werk gaan.

Al vier jaar lang voelde Jaz zich elke doordeweekse ochtend schuldig. Schuldig wanneer hij de voordeur achter zich dichttrok en op weg ging naar de metro, schuldig wanneer hij bij de krantenkiosk zijn Times kocht; het was altijd zo’n opluchting om aan Raj’s aanhoudende driftbuien te ontkomen. Lisa had aan het kortste eind getrokken en dat besefte hij ook en zij besefte dat hij het besefte, en dat was het haarscheurtje in de schaal, het begin van hun problemen. Voor Raj’s komst was alles van een leien dakje gegaan. Het was vreselijk dat je als vader zo over je zoon dacht, maar het was wel waar. Ondanks alle hectiek op de zaak, de grofgebekte handelaren, de druk van Fenton om een punt achter Bachmans nieuwste apocalyptische plan te zetten, vormde het werk een oase van rust vergeleken met wat het kind voor hem in petto had als hij thuiskwam – het weemakende gevoel wanneer hij de sleutel in het slot stak, hallo riep en uit Lisa’s gezicht en lichaamshouding probeerde af te leiden hoe erg het die dag voor haar precies was geweest. Toen Raj net geboren was, wilde hij niet drinken. Hij vond het vreselijk om opgepakt te worden. Daarna, toen hij tandjes begon te krijgen, knauwde hij als een beest op Lisa’s tepels. Hij maakte haar tot een ander mens. Ze werd een huilerige, hologige versie van zichzelf, een vermoeid wezen met dikke sokken en een trainingsbroek, haar prachtige blonde haar tegen haar schedel geplakt. Dit is niet mijn zoon, was de gedachte waar Jaz zich op betrapte. Mijn zoon zou dit mijn mooie vrouw niet aandoen.
De gang van zaken was altijd dezelfde. Hij zette zijn laptoptas neer en probeerde behulpzaam te zijn. Vooruit, dat doe ik wel, geef hem maar aan mij. Hij hoorde aan welke nieuwe gesel Raj nu weer had verzonnen, hoe sterk zijn weerzin was om geknuffeld of getroost te worden. Hij posteerde zich op de onpraktische witte bank waarop ze vroeger geen rode wijn probeerden te knoeien – de bank die nu vol vlekken van gepureerde worteltjes zat – en absorbeerde Lisa’s woede, terwijl hij zwijgend bleef zitten wanneer ze tegen hem tekeerging. Omdat hij er was. Omdat niemand anders het zou begrijpen. Daarna nam hij haar in zijn armen als ze huilde, en rook aan haar haar, met de geur van melk en babypoep en de raadselachtige, opdringerige droplucht die hij was gaan haten, de geur van zijn zoon.
Raj was geen normale baby. Dat was van meet af aan duidelijk geweest. Hij sliep niet en lag alleen maar te krijsen in zijn pasgekochte wiegje, in zijn pasgeschilderde kinderkamer, een geschreeuw uit volle borst, een aanhoudend felle oerkreet. Hij klonk vreselijk verontwaardigd dat hij dat vrolijk gekleurde kamertje moest bewonen, met zijn mobiles, pluchen speelgoed en de wandschildering van dierentuinbeesten. Het ergste van alles was dat hij het vertikte om zich door hen te laten kalmeren. Dat sneed Lisa door de ziel. ‘Hij kromp in elkaar, Jaz. Ik wilde hem vastpakken en hij kromp in elkaar.’ Dan zei hij dat het haar schuld niet was. Ze was een goede moeder, een fantastische moeder. Dat soort dingen zei hij, en hij streelde haar haar en dan hield zij vol dat het niet waar was. Hoe kon ze een goede moeder zijn als haar éígen baby bang voor haar was? Daar had hij geen antwoord op. Hij was het niet gewend geen antwoord te hebben.
De doula vertelde hun dat zoiets soms voorkwam. Raj zou gauw genoeg tot bedaren komen. Alle baby’s waren anders. Alles wat je als ouders meemaakte leidde tot unieke en dankbare uitdagingen. Jaz beschouwde Raj niet als een dankbare uitdaging. Die onmenselijke kreten, als van een vos of een kat; de dierlijke angst die hij tentoonspreidde wanneer Jaz met zijn gezicht dicht bij hem kwam. Zijn moeder had dorpswoorden in het Punjabi voor wat Raj was, woorden die Jaz haar in zijn huis verbood te gebruiken.
Ze konden soms dagen achtereen niet slapen. Ze gingen niet naar buiten. Bij de voordeur stond een wandelwagen van duizend dollar, ongebruikt, de plastic sleuven nog om de handvatten. Alle voorstellingen die ze zich van hun nieuwe leven hadden gemaakt: wandelen in Prospect Park, dik ingepakt met sjaals en mutsen, hand in hand – een echt Amerikaans gezin. Ze hadden hem zelfs nooit in het ding gelegd. Jaz verlengde zijn verlof tot een maand. Zijn baas stuurde technici langs om een VPN in zijn werkkamer te installeren: handelsschermen, een terminal verbonden met hun trading engine. Dan zat hij boven regressieanalyses uit te voeren op de nieuwste groep databestanden en luisterde intussen naar de chaos beneden. Na twee maanden eisten ze van hem dat hij weer naar kantoor zou komen. Lisa had er begrip voor. Raj zou haar baan worden. Het was een kwestie van wie het meeste kon verdienen. Ze zag eruit als een geest.
Ze namen natuurlijk een kindermeisje. Ze kwam van een bureau, erg duur. Alice, een Jamaicaanse dame van middelbare leeftijd, diepgelovig en streng. Na drie weken diende ze haar ontslag in. Elena kwam uit Puerto Rico, jong en welgevormd. Ze stemde de keukenradio af op reggaezenders en danste achter de strijkplank. Jana was een Slowaakse studente. Er was er nog een, een Dominicaanse die al na een week vertrok. Niemand hield het vol. Raj joeg ze allemaal de deur uit.
Zo leefden ze de eerste twee jaar. Jaz was een keer omgeslagen bij het wildwatervaren. Het ene moment hield hij nog een peddel vast en tuurde met half samengeknepen ogen door het opstuivende water, en het andere moment tolde hij onder water rond. Zo voelde het aan. Zo plotseling, zo extreem. Toen er een diagnose werd gesteld bij Raj, kwam die niet als een verrassing. Kort voor zijn tweede verjaardag gingen ze met hem naar een kinderarts – een nieuwe kinderarts, de derde. Hij probeerde een paar eenvoudige vragen, vroeg hem dingen aan te wijzen, te doen alsof hij iemand opbelde met een plastic speelgoedtelefoon. Vrij snel stond Jaz weer buiten voor de kliniek, zich niet bewust van de decemberwind die door Lexington Avenue gierde, en ook niet van het verkeer in het centrum, niet van de drommen mensen op het trottoir. Hij was de vader van een autistisch kind. Hoe groot was die kans? Dat wist hij precies. Eén op tienduizend in de jaren zeventig. Nu vergroot tot één op honderdzesenzestig. Jaz verdiende zijn brood met het opstellen van mathematische modellen waarmee je elke vorm van catastrofe kon voorspellen zodat je daar de handel op kon afstemmen. En nu dit: een gebeurtenis waarvoor hij geen grafieken, geen tijdreeksanalyses had. Een positie zonder enige vorm van indekking.
In het handschoenenvakje van hun auto lag het zoveelste pakketje van de moeder van Jaz, precies eender als alle andere, met op de envelop het bibberige handschrift dat niet eens van haarzelf was – ze kon Punjabi noch Engels schrijven – en daarin een stukje in papier gewikkelde kajal, een medaillon en een brief, geschreven door zijn tante, Sukhwindermassi. Er stond alle gebruikelijke onzin in: tot hem gerichte smeekbeden om met Raj terug te komen naar Baltimore, een astroloog te raadplegen, de zwarte houtskool op Raj’s voorhoofd aan te brengen, de amulet om zijn nek te hangen en op zoek te gaan naar een geestenbezweerder die de nazar kon verdrijven, het boze oog dat op het kind was gelegd en ertoe had geleid dat hij zijn verstand had verloren. Jaz’ zoontje, pagal, heel beschamend. Een probleem dat de familie moest oplossen, niet vanuit mededogen met de jongen en zelfs niet uit liefde voor Jaz, maar vanwege de schande waarmee de naam Matharu nu bedekt was. Als de oudste generatie haar zin kreeg, zou het kind ergens op een zolder worden opgesloten, weg van nieuwsgierige Punjabi-ogen en roddelende Punjabi-tongen, al die ooms en tantes die diep in hun hart wisten dat er niets goeds kon voortkomen uit wat Jaz had gedaan, door de smet die hij op de izzat van de familie had geworpen door met een blanke vrouw te trouwen.
Lisa begreep natuurlijk wel iets van de ‘culturele verschillen’ (dat lichtvaardige begrip dat tijdens etentjes gebezigd wordt) tussen haar opvoeding en die van hem, maar ze had geen benul, niet echt, van de enorme kloof die hij moest overbruggen om zowel haar als zijn familie in zijn leven te houden. Zijn vader en moeder kwamen rechtstreeks uit Jalandhar en waren op een onwaarschijnlijk jonge leeftijd aan elkaar uitgehuwelijkt, en hun kindertijd had zich afgespeeld in een omgeving van graan en gele mosterdvelden. Drie dagen na hun huwelijk vertrok zijn vader naar Amerika om zich bij oom Malkit te voegen, die in Oost- Baltimore een bestaan had opgebouwd. Samen werkten de twee neven in de plaatwerkerij van een Pool die Lemansky heette. In de familieoverlevering was meneer Lemansky een typisch blanke baas, inhalig en tiranniek, die Malkit en Manmeet hun overuren door de neus boorde en de spot dreef met hun religieuze gebruiken en hun gebrekkige Engels. Jaz vermoedde dat hij in werkelijkheid niet erger was dan ieder ander, dat hij moest vechten om het hoofd boven water te houden, verbijsterd was door de veranderingen in zijn buurt, door de donkere mannen die als enigen bereid waren te werken voor het lage loon dat hij kon betalen. Na twee jaar van auto-onderdelen en motorolie ging zijn vader daar weg om lopendebandwerk te doen in een fabriek waar elektrisch gereedschap werd gemaakt. Kort daarna liet hij zijn vrouw overkomen, en haar eerste kennismaking met Amerika was een fabriek waar ze samen met honderden zwarte vrouwen snoep stond in te pakken. Ze ging niet met ze om en hield het bij haar eigen groepje Punjabi’s aan een hoektafel in de kantine. Jaz zag ze al voor zich, hun lange vlechten weggestopt onder een hygiënisch haarnetje terwijl ze hun zorgvuldig ingepakte lunch van dal roti aten en de nieuwe wereld en zijn kala’s met bitse opmerkingen en bijgeloof op afstand hielden.
Je pakte het als volgt aan. Hard werken, uit de buurt blijven van de zwarten, geld overmaken naar huis voor trouwerijen, landbouwgereedschap en nieuwe bakstenen huizen, waarvan de tweede of zelfs de derde verdieping zou uitsteken boven de akkers, zodat de buren konden zien dat die en die familie een zoon in Amrika of Engeland had. Waar ter wereld je je ook bevond, in Londen of New York, Vancouver, Singapore of Baltimore – in feite woonde je in apna Punjab, een internationale keten, een mosterdveld van de geest. Elke grote stad was niet meer dan een werkhuis waar je zwoegde voor dollars, en haar hoge gebouwen, parken en kunstgaleries bleken minder echt dan de sentimentele illusie van desi’s die je als een elektrische deken tegen de kou om je heen trok.
Alle tantes werkten in dezelfde fabriek als de moeder van Jaz, behalve degenen die een baan als schoonmaakster bij het Johns Hopkins-ziekenhuis hadden of in de condoomfabriek aan de lopende band stonden. De ooms waren taxichauffeur. Toen Jaz werd geboren, de zoon waar zijn ouders na twee teleurstellende dochters om hadden gebeden, was het gezin uit de stad weggegaan en neergestreken in de buurt van de gurdwara, achter een anonieme winkelpui met gordijnen in de etalage en een handgeschreven bordje op de deur. De gurdwara vormde het middelpunt van hun sociale leven, met een opeenvolging van shaadi’s en feestelijkheden; tientallen mensen, opeengepakt in krap bemeten appartementen en rijtjeshuizen, die op de grond kirtans zaten te zingen. Witte lakens die over gedessineerde tapijten waren uitgespreid, met guirlandes versierde afbeeldingen van goeroes in opzichtige plastic lijsten. Als jongetje, gestoken in een nieuwe kurta-pajama die regelrecht uit de verpakking kwam en kriebelde op zijn huid, kon Jaz zich niet voorstellen dat er een andere wereld bestond. Terwijl hij met zijn vingers over de wirwar van katoenen plooien op zijn borst streek, liep hij voorzichtig tussen rijen zingende gelovigen door naar een keuken vol bakgeuren en een woud van met zijde overdekte vrouwenbenen, zijde waaraan je zachtjes kon trekken zodat er met hennapatronen getooide handen werden uitgestoken om zijn haarknot goed te doen of hem een lekker hapje te geven. Een veilige luchtbel voor een innig geliefd jongetje. Toen hij ouder werd, zag hij dat deze luchtbel, ondanks alle mithai en wangenknijperij, ook achterdochtig, kwetsbaar en klein was, gevoelig voor ook maar het geringste contact met de buitenwereld, zoals de komst van een politieagent of zelfs maar een postbode aan de deur. Dan schudde zijn moeder het hoofd, trok haar dupatta over haar gezicht en riep de kinderen, de Engelstaligen, erbij om te weten te komen wat de gora in het uniform nou wilde. Altijd de verdenking dat hij hun iets kwam afpakken, een herinnering aan belastinginners in het oude land, de schurken van de landheer.
Jaz begreep maar niet waarom zijn vader en moeder zo bang waren. Hij leefde in B-more, niet in Punjab. Hij ging naar een school waar zwarte kinderen de boventoon voerden, Amerikanen, niet die andere zwarten, de Somali’s en de Franstaligen, afkomstig uit gezinnen die in Amerika even stuurloos waren als zijn eigen familie. Hij sprak Engels, zegde de eed van trouw op en kende de hoofdsteden van de vijftig staten. Hij kwam heel veel blanke kinderen tegen, Amerikanen en nieuwe immigranten uit Slowakije, Polen en Oekraïne. Hij kwam latino’s tegen. Hij en de andere ‘Aziaten’, Vietnamezen en Pakistani’s, Iranezen en Tamils, geen van allen talrijk genoeg om hun eigen groep te vormen, stelden weinig voor in de schoolhiërarchie, maar zelfs als magere bruine jongen met excentriek lang haar voelde hij zich Amerikaan. Hij speelde honkbal, geen cricket. Hij luisterde naar de top veertig op zijn walkman. Wanneer hij met zijn familie naar het park ging, trok de hele wereld in een stoet aan hen voorbij, de frisbeewerpers, de hardlopers en zonaanbidders, de getikte oude dames en de skateboarders in hun superwijde shirts, zo op het oog allemaal heel vrij en ontspannen, samen in de buitenlucht. Intussen bakenden zijn vader en moeder hun terrein af door dekens uit te spreiden en dicht op elkaar met de kinderen rond tiffinhouders en tupperwarebakjes vol eten te gaan zitten, te bedeesd om zelfs maar een radio mee te brengen.
‘Maar mam, waarom mag ik er niet naartoe? Het is gewoon een rockconcert, gewoon muziek.’
‘Jij hebt je school, beta.’
Zijn school. Altijd zijn school. Gelukkig was hij intelligent. Wis- en natuurkunde waren zijn vakken. Hij kon getallen laten doen wat hij wilde. En net zoals hij de patronen zag in een exponentiële vergelijking of in een logaritme, zag hij dat je ook een ander soort leven kon leiden dan het zijne, een leven waarin je op vakantie naar het buitenland ging, piercings, een hond of een tuin had of een boot in de jachthaven, met je band op MTV optrad, je fiets op slot zette bij een veganistisch eethuisje en vrijde met je vriendin die dreadlocks had. In zo’n leven kon je gorameisjes met korte rokjes en lange benen ontmoeten die met je zouden praten in plaats van hun neus dicht te knijpen en net te doen alsof ze walgden van de denkbeeldige stank van curry. Een poos lang waren deze meisjes het enige waar het om draaide in zijn leven, meisjes in zijn klas, uit de buurt. Becky en Cathy en Carrie en Leigh... Er waren onoverkomelijke hindernissen om bevriend met ze te raken, laat staan met ze naar bed te gaan. Zijn nerdy Aziatische uiterlijk. Zijn haar. Vooral zijn haar. Op zijn vijftiende had hij de haarknot verruild voor een tulband, maar dan nog had hij een tapijt van zacht dons op zijn kin en lange, zwarte plukken haar die langs zijn kaaklijn omlaag kronkelden, een wirwar van weerbarstige en onmiskenbaar kinderlijke haargroei, waardoor de hormonale chaos van zijn puberhuid er nog beroerder uitzag. Hij was een monster, een paria.

[...]

© 2011 Hari Kunzru
© 2012 Nederlandse vertaling Rob van der Veer en Anneke Bok/ Uitgeverij Podium

Uitgeverij Podium

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum