Leesfragment: De Revisor 2012-1

27 november 2015 , door Leen De Graeve
| | | | | | | | | | | | | | | | |

3 juli verschijnt het vierde halfjaarboek van De Revisor, en het eerste van 2012. Dit nummer maken maar liefst vijf auteurs hun debuut. Een van hen is Leen De Graeve, met 'Het been'. Haar verhaal mogen we voorpubliceren op Athenaeum.nl.

De andere bijdragen zijn van Merijn de Boer, Bertrand Mourits, Ruth Lasters, Erik Lindner, Sarah Arnolds, San Bos, Daan Stoffelsen, Marein Baas, Annick Vandorpe, Jos Versteegen, David Colmer, Eva Meijer, Jan van Mersbergen. Meer over De Graeve? Lees het interview op Revisor.nl.

Het been

Mijn naam is niet belangrijk. Die van mijn stad is Antwerpen. Haar naam is Afrika. Ze is genoemd naar een onbekende diva. Drie maanden voor Afrika geboren werd, zag haar vader een beeldschone vrouw op straat. ‘Afrika!’ riep een stem en de diva verdween in de menigte. In het Hospital de Sant-Pau in Barcelona noemde hij zijn dochter naar deze onbereikbare schoonheid. Afrika is op bezoek in Antwerpen, ze blijft slapen straks, ik ben dit weekend niet alleen in mijn appartement. Ze flaneert tussen mijn meubilair.
‘You’ve got so many scissors!’
Zesentwintig scharen staan verspreid in blikken theedoosjes op mijn tafel, mijn bureau, mijn kast. Dan pas ontdekt Afrika het been dat naast mijn hoofdkussen ligt, in mijn tweepersoonsbed, al lang niet meer door twee personen beslapen. Het is een rubberen been, rood bloed stroomt over de rozige kunststof. Bovenaan steekt een wit bot uit, onderaan staan de tenen gekromd van de kramp van de pijn. Ik zou graag zeggen dat het Halloween is geweest, of carnaval. Eergisteren was het Kerstmis, met dat knullige vredesfeest kan je rondslingerende horrorartikelen amper verantwoorden. Afrika neemt het been uit mijn bed.
‘What the fuck is wrong with you, woman? It seems you’re fighting with a demon. You gotta free yourself.’
De straatlantaarn onder mijn raam floept aan. Geel natriumlicht verspreidt zich in mijn kamer. Aan de overkant van de straat schuift een oud mannetje zijn gordijnen dicht. Hij wuift niet. Vrijdagavond. Antwerpen is een stad zonder strand.
‘In Barcelona we would gather at the seaside by now. What do you guys do here in your city?’
‘Er is een vernissage,’ zeg ik, ‘in het FotoMuseum. Met een feestje. Het is gratis.’
Afrika knikt. Ze begrijpt het nog, Nederlands, die onbeduidende wereldtaal die ze vorig jaar wilde leren toen ze hier stage deed. ’t Is een taal door weinigen gesproken, maar die weinigen behoren tot het rijkere deel op de aarde, denk ik vaak als ik een nieuwe klas Bulgaren, Marokkanen, Turken, Senegalezen, Egyptenaren en Russen voor mij zie zitten die krampachtig proberen ‘huishuur’ te zeggen in plaats van ‘huishoer’. We gaan de stad in, Afrika en ik. Zij neemt het been en een schaar mee, ik het fototoestel.

Een rood kort jurkje heeft ze aangetrokken. Met haar bruine, Spaanse benen trotseert ze de Antwerpse winter. Ik loop naast haar met een dik vest van zwart konijnenhaar. Ik voel me een plompe, pluizige stadsduif naast deze frivole, burleske ster. Ik voel mijn maaginhoud naar boven komen en denk liever niet na over de betekenis daarvan. Het is pas sinds ik in de stad woon dat ik meer naar vrouwen kijk dan naar mannen. Afrika wordt nagefloten, door mannen.
‘The men in this part of the city all behave like Spanish guys.’
Het zijn dan ook Spanjaarden, denk ik, of Portugezen, of Marokkanen, of Algerijnen, of Egyptenaren. Ik moet bekennen dat ik het verschil niet altijd zie. Ik weet ook niet of het verschil ertoe doet. Eergisteren was de Turkse bakker gesloten. Gisteren vroeg ik hen hoe dat kwam, ze zijn toch moslim, vieren zij dan ook Kerstmis? De jongeman achter de toonbank toonde me het gouden kruisje om zijn hals. ‘Ik kom uit Syrië. Ik ben christen.’
We slenteren door de Lange Dijkstraat met een fles wijn, langs het frituur, de nachtwinkel, de wassalon, de kapsalon. Afrika’s hand is een vleeshaak waaraan het been bungelt. Ik knip met de schaar in de winterlucht en neem foto’s van alle verschrikte gezichten. Drie grote, zwarte mannen. Twee mediterraanse dames op stiletto’s. Een kudde witte vrouwen en kinderen.
‘Wat is dit?’ roepen de kinderen.
‘Haram! Haram!’ waarschuwen de vrouwen.
Op het Sint-Jansplein basketten zeven zwarte jongens, sliden over de bevroren plassen. De bankjes zijn leeg, hun publiek van ouwe mannen afwezig. In het speeltuintje is het stil. Onder een houten torentje zit een vrouw op de rubbertegels, grijs vel, joggingbroek, groen bomber jacket, met een gasvuurtje en een lepel erboven. Ik snuif de winterlucht op, Afrika houdt het been voor zich uit. De basketballers houden hun bal stil, wijzen, roepen:
‘Oualla! Zijt gij zot? Wie zijn jullie?’
Ik klik, het been vooraan op de foto, witte tanden, grote ogen, zwarte kaken op de achtergrond. Ik neem Afrika’s hand vast, ik voel haar warme huid door mijn handschoen. We wandelen voorbij het huis op de hoek. Afrika kijkt vragend naar de blauw-witte politielinten.
‘Het huis is verzegeld,’ zeg ik, ‘Een moord. Een afrekening binnen het milieu. Albanese maffia. Twee weken geleden. Drie schoten. Been – bekken – hart.’
Een theesalon zonder vrouwen gaan we niet binnen, een bruine kroeg met een vrouw achter de toog wel.
‘I like these kind of pubs. Look at these men.’
”t Leven heeft hun gezichten platgewalst.’
‘Walsen? Yes, you’re right, life has danced on their faces.’
De mannen kijken achterdochtig naar ons en het been. Dan begint een man in houthakkershemd aan de toog te lachen. Er hangt een druppel snot aan zijn neus, zijn tanden zijn geel, hij grijpt naar het been. Ik ben in een trollengrot en de koning wil mensenvlees. Ik knel mijn hand rond de schaar. Veiligheid.
‘Wat is ’t? Geen biefsteak meer gevonden?’
Afrika biedt de man het been aan, maar nu hij het zo voorgeschoteld krijgt, wil hij het niet hebben.
‘Me iejl Antwaarpe, mo nie me maa.’
Ik vertaal het Antwerps gezegde voor Afrika: ‘He says that you can make fun of the whole city, but you can’t fool him.’
Een man aan de flipperkast kijkt op, fronst zijn wenkbrauwen, flipt dan verder.
We struinen naar het Zuid, naar het rijkeluizenleven. We wandelen de Kloosterstraat door. Ons beeld wordt weerspiegeld in de ramen van de antiekwinkels. Een rosse en een zwarte vrouw met een afgehakt been teder tussen hen in. Ik leg mijn hand in de nek van Afrika. Ik masseer haar soepele spieren, spanning in mijn maag. We drinken een biertje op de trappen van het Museum voor Schone Kunsten. Ik voel mijn maaginhoud weer zakken en durf mijn hand op Afrika’s been leggen, haar echte been. Haar huid is warm zelfs in deze winterkou. Ze legt haar hand op de mijne, verschuift onze handen, legt ze hoger op haar dijbeen. Rond ons hippe, blanke jongeren. Smorend, zuipend. Mutsen, winterjassen, rode kaken in witte gezichten. We flaneren tussen hen door, zwaaiend met het rubberen been, knippend met de schaar. Ze kijken amper op. We stappen een café binnen vol mannen in maatpak en vrouwen met nylonkousen, zwarte rok, wit hemdje, kraagjes recht, knoopjes open.
Een man slaat op de witte toog: ‘Ik pleit... Wodka voor iedereen!’
Een vrouw roept: ‘Is dat het einde van uw pleidooi, meester?’
De barman: ‘Ik oordeel: wodka!’
Hij neemt een fles uit de barkast die om de drie minuten van kleur verandert. Dat zag ik al vaker in cafés hier op het Zuid, ’t is een nieuwe trend. Om iets te kleuren gebruikt men licht in plaats van verf. Afrika kijkt me aan, presenteert de mannen het been zonder iets te zeggen. Ik geef hun de schaar en houdt het fototoestel klaar. Voor het oog van de camera nemen de mannen het been in hun handen en tussen hun tanden, bijten het been kapot, gaan het been met een schaar te lijf. De blik in hun ogen is die van een psychopaat die ervan geniet een levenloos lijf in stukken te hakken. Vrouwen knippen liever hun eigen haar af met de schaar dan de schaar op het been van een ander te richten.
‘Ik ben ontoerekeningsvatbaar!’ giechelt een kokette dame terwijl ze een lange, blonde haarlok naar beneden laat dwarrelen op het parket.
‘Ik was wat in de war,’ lacht een andere vrouw die het been als een bebloede baby in haar armen wiegt. Vol genot kijkt ze recht in de camera.
In het FotoMuseum, ons eindpunt, maken we kunst. Of porno. Ik ken sommigen van hen, artiesten. De gratis fruitsap en cava vanavond is ter ere van Maya en Pierre. ‘Urban Revolts’ heet hun expositie die internationaal toert en de komende twee maanden in Antwerpen te bezichtigen is. Ik stel vast dat Maya de enige zwarte is in het hele museum. Maya trekt haar blouse uit, wringt het been onder haar bh, tussen haar dikke, zwarte, Londense borsten, terwijl Pierre het bloed van het been likt en de voet tegen zijn kruis schuurt. Ik film hoe Pierre met zijn twee handen tussen de benen van Maya wrijft en in Parijs Engels hijgt: ‘Oh I love your legs. J’aime tes jambes.’
Achter hen een van hun werken, Banlieu/Suburb, een foto van zeven bij acht, brandende auto’s, kapotte winkelruiten, lege supermarkten, een ontploffende metro, olie in tramrails en een lucifer, en ratten en duiven overal, met steentjes in hun pootjes en bommetjes op hun rug. Een tekstballon met witte pijltjes gericht naar alle vliegende en kruipende beestenbekken roept uit: ‘We reclaim the city!’
Ik zie Afrika op mijn schermpje verschijnen. Ze kust Pierre terwijl ze het afgehakte been aait dat nog steeds tussen de borsten van Maya geklemd zit. Afrika’s hand streelt de voet van het been, glijdt dan onder het rokje van Maya, ontbloot haar stevige, zwarte billen. Mijn maag duwt haar inhoud naar boven, mijn slokdarm in, bijna in mijn keel. Ik voel de schaar in mijn broekzak gekneld zitten. Ze moeten van Afrika’s lijf blijven. Ik stop met filmen.
‘Mijn geheugenkaart is vol.’ lieg ik. ‘Gaan we?’
Afrika laat Pierre los, neemt het been.
‘Thank you all, you were wonderful!’
Afrika kust me vol op de mond. Mijn maag klopt als mijn hart.
‘We nemen de tram terug.’
Ik denk dat ze moe is, Afrika, dat heeft ze niet gezegd, maar zelf zou ik moe zijn na een dag reizen van stad naar stad. Barcelona is tegenwoordig niet ver meer van Antwerpen, maar ’t is toch een dag trolley trekken, bagage checken en kilometers roltrappen.

Wit neonlicht siert niemand, maar de man op het bankje achter ons in de tram lijkt al een stuk verder in de nacht te zitten dan wij. Afrika heeft het been op ons beider schoot gelegd, haar hand op het scheenbeen, sierlijk, elegant. Haar nagellak even rood als het bloed, even rood als haar lippen. Ik kijk naar haar gezicht, roze wangen, tanden wit als het bot van het been. Ik leg mijn witte hand op de hare, onder de knieschijf vol geronnen bloed. De man achter ons buigt zich voorover, tussen ons in. Zijn gezicht is samengetrokken, zijn ogen toegeknepen. Hij fluistert: ‘Iek heb honderrrden mensen afgemaakt met maain aaigen handen. Niet met maain aaigen handen, iek moest op de knop drrroekken. En dan : tjakketjakketjakktjakketjak.’
Afrika verstaat niet wat de man zegt, ziet enkel de psychopathische blik in zijn ogen. Ze staat op, gaat drie banken verder zitten. Ik blijf zitten met het been op mijn schoot. De man weet zich met zijn duivel geen blijf. Zijn handen en armen wringen zich verkrampt zenuwachtig rond zijn lijf. Ik luister hoe hij met zijn vreemde tong een nieuwe taal uitwringt: ‘Grozny. Tsjetsjenië. Janoeari tweedoizend. Stront en loizen. Boobytraps en kapotgeskoten hoizen. Waai hebben het been opgegeten.’
Ik blijf zitten tot de tram stopt op halte Noord. Als we uitstappen, kijk ik om. De man met zijn beestenlichaam verkrampt. Een opgestoken middenvinger. Afrika staat naast me op de halte.
‘This man is crazy. Are you allright?’
Ik knik. Ik vertaal niet wat de man heeft gezegd. Wie de man was, was niet belangrijk. Ik neem het been en prop het in de vuilnisbak.
‘De stad mag het been hebben. Ik ben er klaar mee.’
Ik kijk naar de bewakingscamera op het bushokje. Ik lach vriendelijk. Gooi dan ook de schaar in de vuilnisbak.
Ik doe mijn handschoen uit neem de warme hand van Afrika vast.
‘Slaap je in mijn bed vannacht?’
‘Si, guapa.’
Mijn wangen gloeien. Het sneeuwt, denk ik, dat moet wel. Er staat een file op de Leien, al is het nacht. Er zitten mensen te wachten op de tram, als is het dag. Zelfs de zwervers slapen niet. Een man vist het been uit de vuilnisbak en begint te lachen. Hikkend en proestend steekt hij met het been de straat over, naar een andere man, die op de grond zit. Ik herken hem als de man die zich op zijn vuisten voortbeweegt.
Afrika’s warme adem in mijn oor. Ik voel haar tong in mijn oorschelp als ze tegen me praat: ‘Congratulations. You freed your leg. Now it can go and live its own life in the city.’
De man tussen de kartonnen dozen houdt het been tegen zijn heupen en doet alsof het zijn eigen been is. Hij lacht als een bevrijde slaaf. Mensen kijken naar hem, een groepje aangeschoten jongeren begint mee te lachen; ze halen munten tevoorschijn, gooien geld naar de man.
Ik voel Afrika’s hand trillen in mijn hand.
‘Heb je het koud?’
‘I think it’s snowing.’
Ik kijk naar boven. Witte stadssmog zonder sterren.
‘Ja,’ zeg ik, ‘ja, het sneeuwt.’

Copyright © Leen De Graeve 2012
Copyright © Querido Uitgeverij 2012

Literair tijdschrift De Revisor

Uitgeverij  Querido

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum