Leesfragment: Een hologram voor de koning

19 mei 2012 , door Dave Eggers

Op vrijdag 29 juni verschijnt de Nederlandse vertaling van het nieuwe boek van Dave Eggers, Een hologram voor de koning (A Hologram for the King, vertaald door Gerda Baardman, Lidwien Biekmann & Jan de Nijs). In deze Nacht kunt u een voorpublicatie lezen.

 

Alan Clay heeft alles verloren door de crisis: zijn bedrijf, zijn huis, zijn vrouw, zijn kind. hij reist af naar Saoedi-Arabië, om daar - in een gloednieuwe, nog onvoltooide stad midden in de woestijn - een deal te maken met koning Abdullah: samen met enkele medewerkers
van een bedrijf gespecialiseerd in holografische presentaties wacht hij op de koning en zijn entourage, in een laatste poging beslag op zijn huis te voorkomen, de studie van zijn dochter te betalen, en eindelijk - eindelijk! - iets groots tot stand te brengen.

 

Een hologram voor de koning is een aangrijpend verslag van een man die zich staande probeert te houden in een turbulente fase in zijn leven, en die vecht voor zijn dochter - en zichzelf.

 

Lees de eerste pagina's van dit boek op de website van Uitgeverij Lebowski. Het onderstaande fragment sluit hier op aan.

III

De telefoon ging.
‘Er was een probleempje met de chauffeur. We hebben iemand anders gebeld. Die is nu onderweg. Hij is er over twintig minuten.’
‘Dank je,’ zei Alan, en hij hing op.

Hij ging weer zitten en concentreerde zich op zijn ademhaling totdat hij weer rustig was. Hij was een Amerikaanse zakenman. Hij hoefde zich niet te schamen. Hij zou vandaag iets neerzetten. Hij kon meer zijn dan de eerste de beste idioot.

Ze konden niets garanderen, hadden ze gezegd. De koning is een drukbezet man, hadden ze hem herhaaldelijk per e-mail en aan de telefoon laten weten. ‘Ja, natuurlijk,’ had hij telkens weer geantwoord, en hij had herhaald dat hij bereid was te allen tijde overal naartoe te komen waar het Zijne Majesteit behaagde. Maar zo eenvoudig lag het niet; niet alleen had de koning het druk, maar zijn agenda veranderde ook voortdurend op het laatste moment. Dat moest nu eenmaal steeds op het laatste moment gebeuren, want er waren veel mensen die de koning iets wilden aandoen. Zijn agenda veranderde dus niet alleen heel vaak wegens staatszaken, maar ook met het oog op de veiligheid van vorst en koninkrijk. Men gaf Alan te verstaan dat Reliant en een aantal andere bedrijven die graag diensten aan de King Abdullah Economic City wilden leveren, klaar moesten staan om op een nader te bepalen plaats ergens in het centrum van deze stad in wording hun presentatie te houden en dat ze kort van tevoren te horen zouden krijgen wanneer Zijne Majesteit kwam. Dat kon ieder moment zijn, dag en tijdstip werden pas op het laatste moment bekend.
‘Hebben we het over dagen? Weken?’ had hij gevraagd.
‘Ja,’ luidde het antwoord.

Daarom had Alan deze reis geboekt. Hij had zoiets wel vaker bij de hand gehad: ring kussen, presentatie houden, deal sluiten. Doorgaans niet onmogelijk als je de juiste mensen kende en beleefd, geduldig en koppig doorzette. En hij werkte voor Reliant, het grootste it-bedrijf ter wereld, dus hij had niets te vrezen. Abdullah wilde waarschijnlijk het beste wat er te krijgen was, en Reliant beschouwde zichzelf als de beste en zéker als de grootste – twee keer zo groot als zijn grootste concurrent in de Verenigde Staten.
‘Ik ken uw neef Jalawi,’ zou Alan zeggen.
Of misschien: ‘Ik ben een goede vriend van uw neef Jalawi.’
‘Jalawi, uw neef, is een goede vriend.’
Elders deden relaties er niet meer toe, dat wist hij wel. In Amerika betekenden ze niets meer, eigenlijk nergens meer, maar hij hoopte toch dat hier, bij de koninklijke familie, vriendschap nog iets inhield.

Er waren nog drie andere mensen van Reliant meegegaan, twee it’ers en een marketingdirecteur: Brad, Cayley en Rachel. Zij zouden demonstreren wat Reliant te bieden had en Alan ging over de cijfers. Als ze de IT voor KAEC gingen verzorgen, betekende dat meteen al minstens een paar honderd miljoen voor Reliant, en in de toekomst nog meer – en, belangrijker: een gemakkelijk leventje voor Alan. Of misschien geen gemakkelijk leventje, maar hij ontkwam in elk geval aan een faillissement, hield wat geld over en kon Kit laten studeren waar ze wilde, zodat ze een stuk minder teleurgesteld zou zijn in het leven en in haar vader.

Hij ging naar beneden. De deur viel met een knal achter hem in het slot. Hij liep door de oranje gang.
Ze hadden het hotel zo gebouwd dat je nergens aan zag dat het in het Koninkrijk Saoedi-Arabië stond. Het hele complex, als een bastion afgesloten van de weg en de zee, was volledig context- en inhoudsvrij, zonder ook maar één Arabisch patroontje. Het had met palmen, stucwerk en al ook in Arizona of Orlando kunnen staan, of waar dan ook.
Alan keek naar beneden, naar het atrium, negen verdiepingen lager, waar tientallen traditioneel Arabisch geklede mannen rondliepen. Hij moest de juiste terminologie onthouden: het lange, witte gewaad heette thawb, de doek die het haar en de nek bedekte heette gutra en die werd op zijn plaats gehouden door de iqal, het ronde, zwarte koord. Alan keek naar de ronddrentelende mannen; door die thawbs kregen hun bewegingen iets gewichtloos. Een vergadering van geesten.
Aan het eind van de gang zag hij een lift die net dichtging. Hij draafde erheen en stak zijn hand tussen de deuren. Die vlogen geschrokken, verontschuldigend weer open. In de glazen lift stonden vier mannen, allemaal in thawb en gutra. Een paar keken even op, maar richtten hun blik meteen weer op de gloednieuwe tablet tussen hen in. De eigenaar demonstreerde de keypad-functie en draaide het ding een paar keer rond, waarbij de knoppen plichtsgetrouw van plaats veranderden, tot groot genoegen van zijn vrienden.
De glazen constructie viel met hen erin door het atrium naar de lobby, zo geruisloos als sneeuw, en toen de deuren open gleden, kwam er een imitatierotswand in zicht. Het rook er naar chloor. Alan hield de deur open voor de Saoedi’s, die hem geen van allen bedankten. Hij liep achter ze aan. Fonteinen spoten water omhoog, zonder reden of ritme.
Hij ging aan een gietijzeren tafeltje zitten. Er verscheen een ober. Alan bestelde koffie.
Aan een ander tafeltje zaten twee mannen, een zwarte en een blanke, in identieke witte thawbs. Volgens Alans reisgids heerste in Saoedi-Arabië een uitgesproken, zelfs onverbloemd racisme, maar nu zag hij dit. Misschien geen bewijs van maatschappelijke harmonie, maar toch. Hij wist niets, geen uitspraak of voorbeeld, uit welke reisgids dan ook, wat hijzelf ooit in de praktijk had gezien. Verhalen over culturele normen waren net filemeldingen: tegen de tijd dat ze in druk verschenen, waren ze alweer achterhaald.

Er kwam iemand naast Alan staan. Alan keek op en zag een mollige man die een heel dun wit sigaretje rookte. Hij hield zijn hand omhoog alsof hij zwaaide. Verward zwaaide Alan terug.
‘Alan? Bent u Alan Clay?’
‘Ja.’

De man drukte zijn sigaret in een glazen asbak uit en gaf Alan een hand. Hij had lange, slanke vingers die zo zacht als suède aanvoelden.

‘U bent de chauffeur?’ vroeg Alan.
‘Chauffeur, gids, held. Yousef,’ antwoordde de man.

Alan stond op. Yousef was klein van stuk en in het roomwitte gewaad leek zijn forse silhouet op dat van een pinguïn. Hij was jong, niet veel ouder dan Kit. Hij had een rond, rimpelloos gezicht met een vlasachtig pubersnorretje.
‘U zat koffie te drinken?’
‘Ja.’
‘Wilt u het eerst opdrinken?’
‘Nee hoor.’
‘Goed. Loopt u dan maar mee.’

Ze liepen naar buiten. De hitte die hen besprong, voelde aan als een levend roofdier.
‘Hierheen,’ zei Yousef, en ze liepen snel over het parkeerterreintje naar een oeroude, modderbruine Chevrolet Caprice. ‘Dit is mijn schatje,’ zei hij met een triomfantelijke armzwaai, als een goochelaar die een bos plastic bloemen tevoorschijn tovert.
Het was een wrak.
‘Klaar? Hebt u geen bagage of zo?’
Die had Alan niet. Vroeger had hij altijd een koffertje met een notitieblok bij zich, maar hij keek achteraf nooit meer naar de aantekeningen die hij bij zo’n vergadering maakte. Nu zat hij er altijd bij zonder iets op te schrijven en dat gaf hem een gevoel van kracht. Als je geen aantekeningen maakte, dacht iedereen altijd dat je een fenomenaal geheugen had.

Alan maakte aanstalten om achterin te stappen.
‘Nee,’ zei Yousef. ‘Ik ben geen chauffeur. Kom maar naast me zitten.’

Alan gehoorzaamde. Er steeg een stofwolkje uit de zitting op.
‘Weet je wel zeker dat deze auto het haalt?’ vroeg hij.
‘Ik rij hiermee zo vaak naar Riad,’ zei Yousef. ‘Ze heeft me nog nooit in de steek gelaten.’
Hij stapte in en draaide het contactsleuteltje om. De motor zweeg in alle talen.
‘O, wacht even,’ zei Yousef. Hij stapte uit, deed de motorkap omhoog en verdween erachter. Even later deed hij de kap weer dicht, stapte in en startte. De motor kwam proestend tot leven met een geluid dat aan een ver verleden deed denken.

‘Probleempje met de motor?’ vroeg Alan.
‘Nee. Ik had hem alleen even afgekoppeld voordat ik naar binnen ging. Ik moet erg oppassen dat niemand me een kunstje flikt.’
‘Een kunstje?’ vroeg Alan. ‘Bedoel je een autobom?’
‘Geen terrorisme of zo,’ zei Yousef. ‘Gewoon iemand die denkt dat ik het met zijn vrouw doe.’

Hij zette de auto in zijn achteruit en gaf gas.
‘Misschien wil hij me dood hebben,’ zei hij. ‘Zo, we zijn weg.’
Ze reden de rotonde voor het hotel af. Bij de uitgang kwamen ze langs een woestijnkleurige Humvee met een machinegeweer op het dak. Er zat een Saoedische soldaat naast, op een strandstoel, met zijn voeten in een opblaaszwembadje.

‘Dus ik zit in een auto die misschien gaat ontploffen?’
‘Nee hoor, nu niet. Ik heb net gekeken. Dat heb je toch gezien.’
‘Meen je dat nou serieus? Wil iemand je uit de weg ruimen?’
‘Misschien,’ zei Yousef terwijl hij de snelweg op reed die langs de Rode Zee liep. ‘Maar dat weet je natuurlijk pas als het gebeurt, hè.’
‘Dus ik heb een uur zitten wachten op een chauffeur met een auto die ieder moment de lucht in kan vliegen.’
‘Nee, nee,’ zei Yousef. Hij was even afgeleid. Hij probeerde zijn iPod aan de praat te krijgen, een ouder model dat in de bekerhouder tussen hen in lag. Er was iets mis met de verbinding tussen de iPod en de stereo.
‘Maak je geen zorgen. Volgens mij weet hij niet eens hoe zoiets moet. Hij is niet gewelddadig. Alleen rijk. Hij zou het alleen voor elkaar kunnen krijgen als hij iemand inhuurde.’
Alan bleef Yousef strak aankijken totdat tot de jongeman doordrong wat hijzelf net had gezegd: iemand die rijk was, kon best iemand inhuren om de auto op te blazen van degene die het met zijn vrouw deed.
‘Fuuuck,’ zei Yousef. Hij keek naar Alan. ‘Nu word ik ook bang.’
Alan overwoog het portier open te maken en zich uit de auto te laten rollen. Dat leek hem verstandiger dan zich door deze man te laten rijden.
Intussen haalde Yousef nog zo’n dun sigaretje uit een wit pakje en stak het op terwijl hij met toegeknepen ogen naar de weg bleef turen. Ze reden langs een lange rij enorme sculpturen in zuurstokkleuren.
‘Vreselijk hè?’ zei Yousef. Hij nam een diepe trek en alle zorgen over huurmoordenaars leken te vervliegen. ‘Zo, Alan – waar kom je vandaan?’
Yousefs laconieke houding werkte aanstekelijk en Alan kwam tot rust. Deze pinguïnachtige figuur met zijn dunne sigaretjes en zijn Chevrolet Caprice leek een onwaarschijnlijk doelwit voor huurmoordenaars.

‘Uit Boston,’ zei hij.
‘Boston. Boston,’ zei Yousef. Hij tikte op het stuur. ‘Ik ben in Alabama geweest. Daar heb ik een jaar gestudeerd.’
Tegen beter weten in zette Alan zijn gesprek met deze idioot voort.
‘Heb je in Alabama gestudeerd? Waarom in Alabama?’
‘Als enige Arabier in de wijde omtrek, bedoel je? Ik had een beurs voor een jaar. In Birmingham. Zeker wel heel anders dan Boston, neem ik aan?’
Alan vond Birmingham best een fijne stad en dat zei hij dus. Hij had vrienden in Birmingham.
Yousef glimlachte. ‘Dat grote beeld van Vulcanus. Je zou er bang van worden.’
‘Ja. Geweldig ding,’ zei Alan.

Dat jaartje Alabama verklaarde dus Yousefs Amerikaanse Engels. Hij had maar een heel licht Arabisch accent. Hij droeg handgemaakte sandalen en een Oakley-zonnebril.

Ze snelden door Jedda, dat er erg nieuw uitzag en een beetje aan Los Angeles deed denken. ‘Los Angeles, maar dan met boerka’s,’ had Angie Healey eens tegen hem gezegd. Ze hadden een tijdje samengewerkt bij Trek. Hij miste haar. Wéér een vrouw in zijn leven die dood was. Het waren er te veel, vriendinnen die goede vriendinnen werden en dan oude vriendinnen, vriendinnen die trouwden, wat ouder werden, volwassen kinderen hadden. En dan de dode vriendinnen. Een aneurysma, borstkanker, non- Hodgkin. Krankzinnig. Zijn dochter was nu twintig, binnenkort zou ze dertig zijn en daarna kwamen vanzelf de ziektes.

‘En doe je het ook echt met de vrouw van die man?’ vroeg hij.
‘Welnee. Maar ik had met haar zullen trouwen. Ooit, tien jaar geleden of zo. We waren ontzettend verliefd, maar haar vader...’
Hij keek even naar Alan om zijn reactie te peilen.
‘Ja, het klinkt als een soap, ik weet het. Maar haar vader vond me dus te min. Ze mocht niet met me trouwen, bla bla bla, en toen is ze met iemand anders getrouwd. En nu verveelt ze zich en sms’t me de hele tijd. Ze schrijft me op Facebook, overal. Dat weet haar man en nu denkt hij dat we iets met elkaar hebben. Wil je iets eten?’

‘Ergens gaan zitten, bedoel je?’
‘Ja, ik weet iets leuks in de oude binnenstad.’
‘Nee, ik heb net ontbeten. En we zijn al te laat, weet je nog?’
‘O, hebben we haast? Dat hadden ze niet gezegd. Als we al te laat zijn, moeten we een andere route nemen.’
Yousef keerde om en trapte op het gas.

© Dave Eggers 2012
© Nederlandse vertaling Uitgeverij Lebowski 2012
© auteursportret Michelle Quint

Uitgeverij Lebowski

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum