Leesfragment: Vijf dagen in juni

27 november 2015 , door Stefan Heym
| | |

1 juni verschijnt Stefan Heyms Vijf dagen in juni (5 Tage im Juni, vertaald door Jaap Walvis). Wij publiceren de eerste pagina's voor.

'Collega's! Arbeiders van VEB Merkur! Tien procent normverhoging betekent tien procent loonsverlaging! Tien procent normverhoging betekent tien procent meer uit jullie botten geperst! Herinneren jullie je wat partij en regering beloofd hebben? - Hogere lonen, lagere prijzen! En wat krijgen jullie? - Lagere lonen, hogere prijzen! Dat is geen socialisme meer, dat is bloedzuigerij!'

Berlijn, juni 1953. De spanningen in de fabriek Merkur lopen op. De werknemers zijn ontevreden met het voornemen van de regering de normen voor de productie te verhogen. Ze hebben de Weimarrepubliek en Hitler overleefd; de nieuwe machthebbers uit de Sovjet-Unie zeggen de arbeiders te vertegenwoordigen. Moeten ze dan nu gaan staken tegen hun eigen leiders?

Vijf dagen in juni is een meeslepend vertelde en spannende roman waarin Stefan Heym vertelt over een aantal personages in de Berlijnse fabriek aan de vooravond van de Volksopstand van 1953. Een ingenieuze plot vol liefde en bedrog, solidariteit en verraad en tegengestelde belangen tussen Oost en West maakt duidelijk hoe de staking uit de hand liep. Deze Volksopstand was de eerste opstand die, net als de latere opstanden in Praag en Boedapest, door de Sovjets met geweld werd neergeslagen. De Koude Oorlog was begonnen.

'Een opwindend, belangrijk en ongemakkelijk boek.' - Süddeutsche Zeitung

Uit het statuut van de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands, aangenomen op de vierde partijdag in april 1954. Hoofdstuk: ‘De partijleden, hun plichten en rechten’, paragraaf 2(h)

Het partijlid heeft de plicht: … zelfkritiek en kritiek vanuit de basis te ontwikkelen, onbevreesd fouten in het werk bloot te leggen en zich in te zetten voor de correctie daarvan; zich te weer te stellen tegen pogingen de zaken mooier voor te stellen dan zij zijn en tegen neigingen zich te koesteren in successen bij het werk, tegen elke poging kritiek te onderdrukken en haar te vervangen door vergoelijking en ophemelarij …

Voorspel

Zaterdag 13 juni 1953 om 14.00 uur

zei Banggartz: ‘Of je houdt je aan de besluiten van de partij, kameraad Witte, of je trekt de consequenties. Zo eenvoudig ligt dat.’
Witte had begrip voor zijn partijsecretaris. Banggartz geloofde wat hij zei; alleen was wat Banggartz zei maar al te vaak wat hij wílde geloven.
‘Het spijt me, kameraad Banggartz,’ antwoordde hij, ‘maar voor mij ligt dat niet zo eenvoudig.’
Banggartz haalde een paar vellen papier uit zijn map. Witte herkende het rapport, dat hij zelf geschreven en aan kameraad Dreesen gestuurd had. Dat het rapport in de een of andere vorm op Banggartz’ bureau zou belanden, had hij eigenlijk van te voren kunnen weten. En dat met de vraag: Wat vind jij daarvan? Banggartz de opdracht zou krijgen: Zaak afhandelen. Dr. Rottluff mengde zich in het gesprek. ‘Elk probleem kan natuurlijk aanleiding geven tot meningsverschillen. Ook het verhogen van de normen.’ Hij poetste zijn brillenglazen en schoof zijn bril weer terug onder zijn dunne grijze wenkbrauwen. ‘We zijn toch allemaal op de hoogte van de moeilijkheden. Het doet mij geen genoegen te moeten stellen dat wij nauwelijks de kosten kunnen dekken. De vroegere eigenaars hadden in zo’n geval wel even heel andere maatregelen genomen. We moeten de arbeidsproductiviteit verhogen. Niet alleen hier bij VEB* Merkur. Overal.’
‘Spreekt vanzelf,’ beaamde Witte.
Hij hoefde niet overtuigd te worden, ook niet door dr. Rottluff, die, wat voor hem pleitte, na 1945 de zijde van de nieuwe eigenaren, van de arbeiders gekozen had en nu directeur was.
‘Die tien procent verhoging van de normen, daar is nog wel overheen te komen,’ zei dr. Rottluff. ‘Wij hebben mensen hier, die produceren honderd, honderdvijftig procent meer dan hun norm.’
‘En we hebben ook anderen,’ zei Witte.
‘Het hele probleem is een kwestie van politieke en ideologische opvoeding.’ Banggartz verhief zijn stem. ‘Wij, de partij, wij zijn de drijvende kracht, de voorhoede van de massa. Wil jij dat we achteraan sukkelen, het ons gemakkelijk maken, conflicten uit de weg gaan?’
‘Ik wil,’ antwoordde Witte, ‘dat wij onderscheid maken tussen hen die hun norm kunnen verhogen en hen die dat niet kunnen, omdat de voorwaarden daartoe niet aanwezig zijn. Ik wil dat wij niet bevelen maar overtuigen. Ik wil dat wij althans de arbeiders die de meeste invloed in het bedrijf hebben voor de zaak winnen in plaats van ze allemaal tegen ons in te nemen.’
‘Jij vindt dus dat de richtlijnen van de partij en de regering verkeerd zijn?’
‘Eén Hennecke* maakt nog geen lente. Misschien overschatten wij de bewustzijnsgraad van de arbeiders wel.’
‘Ik heb je een concrete vraag gesteld, kameraad Witte. Hoe sta jij er tegenover en waar sta je zelf?’
De woorden bleven in de bedompte atmosfeer hangen.
Witte zei: ‘Misschien dat je je kunt herinneren dat de partij en de regering nog maar een paar dagen geleden een hele reeks maatregelen als te scherp hebben teruggenomen en een nieuwe koers zijn ingeslagen?’
‘En nu wil jij over de hele linie de aftocht blazen?’ Banggartz leunde uitdagend over zijn bureau. ‘Er is nergens gesproken over een terugnemen van de normverhoging.’
‘Aftocht … Ik zeg jullie één ding: deze normverhoging kun je niet langs administratieve weg doorvoeren. Dat leidt tot de aftocht, als ’t al niet een complete nederlaag wordt.’
‘Jouw eeuwige twijfels leiden tot een nederlaag. Als iemand terugdeinst als de partij van hem verlangt dat hij hard en onverzettelijk blijft, dát leidt tot een nederlaag.’
Witte stond op. Door het open raam zag hij de vuilgrijze muur van de tegenoverliggende fabriekshal waar het pleister afgebrokkeld was. Beneden op de straat over het fabrieksterrein lachten arbeidsters. Zijn hele leven had de partij van hem verlangd dat hij hard en onverzettelijk was. En dat was hij geweest, tegenover zichzelf, tegenover zijn vrouw en alle anderen. Ook nu was hij hard: hoe gemakkelijk zou het niet zijn om zich rust te verschaffen door een klein compromis.
‘Je bent toch zelf de fabriekshal ingegaan’ – dr. Rottluff gaf zich echt moeite – ‘onder de arbeiders en bent teruggekomen met normen waar ze zichzelf toe verplicht hadden. En daar waren fraaie bij, met nog wel meer dan tien procent verhoging!’
‘Ik heb op de mensen ingepraat alsof ’t koppige ezels waren,’ zei Witte voor ’t raam staand, ‘tot ze tenslotte getekend hebben om maar van me af te zijn. Toen is het me duidelijk geworden dat dat zo niet gaat. Ik heb daar in de partijleiding over gesproken. Daarna heb ik mijn rapport geschreven.’
Banggartz wond zich op. ‘Jouw rapport geeft een volstrekt verkeerd beeld. Van ons partijwerk, van de collega’s, eigenlijk van onze hele arbeidersklasse. En wie dat rapport leest, die merkt waar jij eigenlijk op uit bent: op ’t verbergen van fouten in jouw politieke werk.’
‘Mijn rapport schetst de situatie zoals die is, verder niets.’
‘Wie help je daar eigenlijk mee, kameraad Witte? Een man met jouw opleiding en jouw ervaring in de partij! Je hebt jezelf toch al genoeg narigheid bezorgd in het verleden.’
‘Jij kent mijn kaderdossier beter dan ik.’
Banggartz vertrok geen spier.
‘Daarom zul je ook wel weten dat ik niet in de partij ben, kameraad Banggartz, om carrière te maken.’
Dr. Rottluff bestudeerde een scheur in het linoleum op de grond.
‘Ik vraag jou,’ zei Banggartz met hese stem, ‘of jij je voor de normverhoging bij de arbeiders zult inzetten of niet?’
Witte kreeg plotseling pijn in de heup, iets wat altijd gebeurde als zijn zenuwen het zwaar te verduren kregen. Dat was de vraag die hem al had beziggehouden voordat hij zijn rapport aan kameraad Dreesen overhandigde.
‘Nou?’
Witte liep langzaam terug naar Banggartz’ bureau.
‘De normen moeten verhoogd worden, kameraad Banggartz. Normen worden al verhoogd sinds de eerste nieuwlichter onder de holenmensen een steen aan het uiteinde van een stok bond en zo het eerste werktuig construeerde.’
‘Jouw holenmens kan mij gestolen worden!’ Banggartz bedwong zich. ‘Voor mij geldt wat het politbureau besluit. Maar ik ben je dankbaar dat je eindelijk met ons instemt en –’
‘Alleen kunnen de normen niet op dit moment en niet op de manier die men zich nu heeft voorgenomen, verhoogd worden.’
De ader op Banggartz’ voorhoofd zwol op. ‘Ik was eigenlijk van plan je te vragen om morgen op het bedrijfsuitstapje de gebruikelijke toespraak te houden en daarin de nadruk te leggen op de noodzaak van normverhoging. Maar dat zal nu wel niet gaan.’
‘Moeilijk,’ zei Witte.
‘Een voorzitter van de vakbondsleiding in een bedrijf die zich opstelt tegen de besluiten van de partij. Misschien dat je ’s bij jezelf te rade moet gaan, kameraad Witte, of je nog wel de juiste man bent op die post.’
‘Op mijn post kan ik helpen verhinderen dat de fouten bij de normenkwestie tot ernstige gevolgen in het bedrijf leiden.’
‘Jij beslist niet of je op je post blijft.’
‘Dat beslist de partij,’ beaamde Witte. ‘En de vakbond.’
Banggartz glimlachte. ‘Maak je je soms illusies hoe die beslissingen zullen uitvallen?’
Witte keek hem aan. ‘De partij bestaat niet alleen uit Wilhelm Banggartz.’
‘Moet dat nou zo?’ zei dr. Rottluff geplaagd. ‘Kunnen we ’t nou niet met elkaar eens worden?’
Witte stond op. ‘Mag ik je verzoeken, kameraad Banggartz, mij mijn rapport terug te geven?’
‘Dat moet ik houden.’ Banggartz legde de vellen in een la van zijn bureau. ‘Dat zullen we nog nodig hebben.’

Uit het besluit van de ministerraad van de Deutsche Demokratische Republik van 28 mei 1953 over het verhogen van de arbeidsnormen
Het op de tweede partijconferentie van de Sozialistische Einheitspartei genomen en door de gehele aan het arbeidsproces deelnemende bevolking toegejuichte besluit de grondvesten te creëren voor de opbouw van het socialisme in de Deutsche Demokratische Republik, vereist de versterking van de socialistische industrie … Een groot deel van de arbeiders heeft ingezien dat de huidige normen de vooruitgang grotendeels afremmen. In vele bedrijven zijn de arbeiders er daarom toe overgegaan hun normen vrijwillig te verhogen … De regering van de Deutsche Demokratische Republik komt tegelijkertijd aan de wens van de arbeiders tegemoet om de normen in het algemeen te toetsen en te verhogen … De regering van de Deutsche Demokratische Republik acht het derhalve noodzakelijk dat de ministers, de staatssecretarissen en de directeuren van bedrijven alle maatregelen uitvoeren die noodzakelijk zijn voor het toetsen van de arbeidsnormen. Het doel van deze maatregelen is de arbeidsnormen in overeenstemming te brengen met de eisen van een stijging van de arbeidsproductiviteit en een daling van de kostprijs, en in eerste instantie een verhoging van de voor de productie beslissende arbeidsnormen van ten minste 10% per 30 juni 1953 te effectueren … De betreffende ministeries en staatssecretariaten dienen voor elk bedrijf kencijfers voor het verhogen van de arbeidsnormen vast te stellen … De nieuwe verhoogde arbeidsnormen dienen aan de hand van de resultaten van de toetsing van de arbeidsnormen zodanig vastgesteld te worden dat in elk bedrijf de vastgestelde kencijfers minimaal gehaald worden … Alle verhoogde arbeidsnormen dienen door de directeuren der bedrijven medeondertekend, voor hun invoering bekend gemaakt en voor alle arbeiders van kracht verklaard te worden …

Uit het communiqué van het politbureau van het centraal comité van de SED op 9 juni 1953
Het politbureau van het centraal comité van de SED heeft op zijn bijeenkomst van 9 juni 1953 besloten de regering van de Deutsche Demokratische Republik te adviseren tot het uitvoeren van een reeks maatregelen … Het politbureau van het centraal comité van de SED ging ervan uit dat door de SED en de regering van de DDR in het verleden een reeks fouten werden gemaakt, die hun uitdrukking hebben gevonden in verordeningen en richtlijnen zoals de verordening over de nieuwe regeling voor de distributie van levensmiddelen, over de overname van verwoeste agrarische bedrijven, in buitengewone maatregelen van administratieve aard, in verscherpte methoden van belastingheffing enz. De belangen van bepaalde bevolkingsgroepen zoals de kleine boeren, de kleine middenstand, het ambachtelijk bedrijf en de intelligentsia werden verwaarloosd … <P.Uit het communiqué over de bijeenkomst van de ministerraad van de DDR op 11 juni 1953
De ministerraad heeft op zijn bijeenkomst van 11 juni 1953 tot een aantal maatregelen besloten, waarbij de fouten, door regering en uitvoerende organen van de staat op allerlei gebieden begaan, gecorrigeerd worden …

Gebeurtenissen

1

Zaterdag 13 juni 1953 om 19.00 uur

lag Witte halfnaakt op zijn bed, zijn kussen in een prop door de rusteloze bewegingen van zijn hoofd. De wind, die tegen de avond was komen opzetten, had geen verkoeling gebracht. De wind voerde het stof van de ruïnes in de straat door het open venster mee naar binnen, samen met de straatgeluiden – een weekenddrinker die uit een kroeg lalde, een paar vrouwen die op hun balkonnetje stonden te kwebbelen.
Best mogelijk dat er een onderzoek tegen hem kwam. Uit Banggartz’ toespelingen klonk al een aanklacht op ’t niet opvolgen van partijbesluiten, inbreuk op de partijdiscipline, gebrek aan vertrouwen in de partijleiding. En dan zou alles weer opgerakeld worden – de ellendige zaak Kasischke, die was opgefokt tot een zaak Witte; zijn omgang met kameraden die om moeilijk te doorgronden redenen in een kwade reuk waren komen te staan; tot in de tijd van nog vóór Hitler, het jaar 1932 toen hij, zijn jeugdzonde, geweigerd had zij aan zij met de fascisten te posten bij een staking tegen het sociaaldemocratische vervoerspersoneel. Nee, dat zouden ze toch wel over het hoofd zien; de verkeersstaking had men inmiddels stilzwijgend als een fout toegegeven.
Hij besloot op te staan. Een zeer moe gezicht met kringen onder de ogen staarde hem in de spiegel aan. De uren dat hij wakker gelegen had, hadden een doffe hoofdpijn veroorzaakt. Hij duwde zijn vingertoppen met kracht tegen zijn schedel; daarna haalde hij zijn vingers door zijn haar, dat aan de slapen al grijs werd. Eenenveertig jaar pas, dacht hij; maar er waren jaren bij geweest, die voor tien hadden geteld.
Hij schoor zich hoewel hij die avond niets van plan was. De wand met de kamer naast de zijne was dun; daar werd een lade uit de kast getrokken en weer teruggeschoven. Hij hoorde de jonge vrouw heen en weer lopen. Anna heette zij; zij was de schoondochter van mevrouw Hofer bij wie hij op kamers woonde. Soms, vandaag bijvoorbeeld, was het een troost voor hem dat er een ander menselijk wezen in zijn onmiddellijke nabijheid existeerde – hoestte of geeuwde of een pantoffel op de grond liet vallen.
Hij kon natuurlijk uitgaan en Greta een bezoek brengen. Greta zou verrast zijn, zeer terughoudend, maar hem toch vragen binnen te komen, binnen waar het naar eten rook en naar wasgoed. De kinderen zouden verheugd zijn, vooral het kleine meisje, Claudia, die zo’n enorme behoefte had aan tederheid; de jongen liet zijn gevoelens minder merken, maar ook die hing al aan hem, meer dan goed was eigenlijk. Arme koters, die twee, de vader ergens bij Vitebsk vermist en de moeder aan de machine bij VEB Merkur. Ze zouden het hebben over ’t werk, over gewone, alledaagse dingen, misschien wel over de partij, en zorgvuldig vermijden om over persoonlijke aangelegenheden te spreken. Greta had nooit eisen gesteld, nooit over een gezamenlijke toekomst gesproken; en toch groeide de affaire hem boven ’t hoofd. Plotseling was er een soort verantwoordelijkheid: een goede vrouw en kameraad met een warm hart en vol begrip, zij verdiende een goede man.
Witte waste de rest van het scheerschuim van zijn gezicht. Op een keer, ze hadden toen alles al met elkaar uitgepraat, zei ze tegen hem: ‘Maar deel dan tenminste je zorgen met mij.’ Maar hoeveel verklaringen zouden er nodig zijn om haar te doen begrijpen wat er tussen hem en Banggartz stond? En waartoe in Greta’s nieuwbakken politieke wereldbeeld nieuwe onzekerheid gebracht? Bovendien zou hij haar morgen op het bedrijfsuitstapje ook zien; moeten zien.
De alcohol prikte op de huid van zijn gezicht. Mijn broek mag wel eens geperst, dacht hij. Op weg naar de keuken, waar hij thee wilde zetten, was hij bijna tegen de jonge vrouw opgebotst.
‘Neemt u mij niet kwalijk,’ zei hij. Hij wist niet of hij haar voorbij moest lopen of nog een paar woorden met haar wisselen – zo leef je muur aan muur met iemand en spreekt nauwelijks ooit twee woorden met elkaar, misschien was dat niet juist.
Zij lachte; een prettige lach. ‘De lamp in de gang is kapot,’ zei ze, ‘mijn schoonmoeder spaart waar ze maar kan.’
Wat hem eraan herinnerde dat ze getrouwd was; hoewel hij haar man nog nooit gezien had. Zijn ogen waren gewend geraakt aan het schemerdonker. Hij kon nu zien dat zij naar het blikje thee en het bord met boter, brood en worst, die hij in de hand hield, keek.
‘Mijn avondmaal,’ zei hij.
Zij deed de keukendeur voor hem open. Hij liep naar het fornuis en zette water op. Zij bleef besluiteloos in de deuropening staan.
‘Hebt u al gegeten?’ vroeg hij.
Zij knikte.
‘Mag ik u uitnodigen om een kop thee met me te drinken?’
Zij kwam de keuken in. ‘Zal ik u niet even helpen?’
‘Allemachtig, nee, dank u wel.’ Hij keek naar de krulletjes in haar nek. ‘Ik heb zeven jaar alleen gewoond en ik weet langzamerhand wel hoe je water kookt.’
Hij nam bordjes en kopjes uit de kast, dekte de tafel voor hen beiden, sprak ondertussen over het weer, over een concert waar hij heen was geweest, helaas had hij te weinig tijd voor dat soort dingen, hield zij ook van muziek, ja, wat voor, modern of klassiek, en van toneel? – wat men zo pleegt te zeggen – tot de thee klaar was.
Vervolgens schonk hij in. ‘Sterk genoeg?’
Ze proefde, knikte.
Uit de woonkamer klonk het kijvende geluid van de weduwe Hofer: ‘Anna, wat spook je daar toch uit in de keuken?’
Haar glimlach stierf weg. ‘Ik drink thee.’
De weduwe kwam aangesloft, een opgeblazen gezicht, het haar in papillotten.
‘Goedenavond, mevrouw Hofer,’ begroette Witte haar.
‘Goedenavond,’ antwoordde de weduwe. En tegen de jonge vrouw: ‘Ik dacht dat jij wou gaan wandelen!’

[...]

* VEB: Volkseigener Betrieb, de aanduiding die in de voormalige DDR werd gebruikt voor een bedrijf dat feitelijk in staatshanden was, maar officieel aan de arbeiders toebehoorde.
*Adolf Hennecke was een mijnwerker die in 1948 dankzij verbeterde arbeidsmethoden en zorgvuldige voorbereiding van het werk ver boven de norm produceerde. Het centraal comité van de SED prees de revolutionaire prestatie van Hennecke bij het uitvoeren van het economisch plan en stelde hem tot voorbeeld aan de activistenbeweging. Deze beweging had zich ten doel gesteld grotere arbeidsprestaties te leveren dan onder de oude economische verhoudingen mogelijk waren.

© 1974 Stefan Heym
Eerder uitgegeven door uitgeverij Van Gennep in 1975
© 2012 Nederlandse vertaling Jaap Walvis / Uitgeverij Van Gennep, Nieuwezijds Voorburgwal 330, 1012 RW Amsterdam

Uitgeverij Van Gennep

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum