Leesfragment: Voetlicht

27 november 2015 , door Marieke van der Pol
| |

8 juni verschijnt de nieuwe roman van Bruidsvlucht-auteur Marieke van der Pol: Voetlicht. Wij publiceren voor.

In de verwarrende jaren zeventig, wanneer alles overhoop ligt en vraagt om een nieuwe balans, zoekt het jonge meisje Vero hardnekkig naar haar rol in het leven. Haar zoektocht begint op de Amsterdamse toneelschool en verplaatst zich via de liefde naar Jeruzalem. Daar worden haar moeizaam verworven inzichten echter opnieuw omver gegooid.

Als blijkt dat ze ook in Israël niet de rol kan vervullen die ze wenst, begint Vero aan een desperate terugreis per auto over zee en over land. Het is december 1979, de vooravond van een nieuw decennium. Er steekt een sneeuwstorm op, waardoor haar reis strandt in een niemandsland tussen twee tijdsgewrichten. Kan ze van hieruit opnieuw beginnen?

1

Omdat we elkaar nooit meer zouden terugzien, sloofde Alon zich enorm voor me uit. Op de ochtend van mijn vertrek deed hij zelfs boodschappen. Hij riep iets en weg was hij. Zodra hij de deur van het appartement achter zich had dichtgetrokken, ging ik aan zijn bureau zitten, het heilige der heiligen, een ongeverfd stuk meubelplaat op schragen. Op de tegelvloer lag de kelim scheef en in slordige plooien, waarin zich wolken stof hadden verzameld. Een dunne laag stof op de boeken die hij lang niet had opengeslagen. Philosophical Investigations, las ik op een kaft, maar de meeste boeken hielden hun inhoud voor mij verborgen achter het Hebreeuwse schrift. Ik bladerde door papieren, vouwde wat brieven open, verschoof kattebelletjes met telefoonnummers, zonder te weten waarnaar ik op zoek was. Toen legde ik mijn handen in mijn schoot en wachtte op zijn terugkeer. Ondertussen marcheerde de tijd voort.

Zodra ik de sleutel in het slot hoorde, kwam ik weer in beweging. Ik deed de balkondeuren open en stapte het terras op, voelde de koele decemberwind van Jeruzalem op mijn gezicht. Achter mij kwam Alon het appartement binnen. Hij riep dat hij boreka’s voor mij had gekocht voor onderweg, en of ik koffie wilde.
Ik antwoordde niet. Ik was nog geen dertig, maar voelde me zo oud als een heks uit een Russisch sprookje.
Op het terras stond de pot met de dode ficus. De aarde was inmiddels helemaal verdroogd en vertoonde diepe scheuren. Deze winter was extreem zonnig, zelfs voor Israëlische begrippen. Niemand begreep waar de regen bleef.
Ik liep naar de balustrade en boog me over de rand, zodat ik door de begroeiing van de bomen heen beneden op straat het blauw van mijn auto kon zien schemeren.
Er was sprake van lotsverbondenheid tussen mij en mijn auto.
Voor het moment gerustgesteld richtte ik me weer op. Vanwaar ik stond kon ik gemakkelijk de cipres aanraken, de trotse oude boom die zijn wortels in de gezamenlijke tuin had en zijn spitse kroon tot ver boven het platte dak uitstrekte. Overal in Israël stonden zulke bomen, maar dit was die van ons. Ik bewoog mijn hand langs de schubbige bladeren, zodat de geur vrijkwam. Even overwoog ik een takje af te breken en dit in de zak van mijn spijkerbroek te stoppen, dan kon ik dat er over een week of drie uit halen en eraan ruiken. Ik keerde de boom mijn rug toe en liet me zo hard in de schommelstoel vallen dat het verweerde rotan kreunde.

Koffie was weer Nescafé. Alon kwam met twee mokken het terras op en ging direct terug om koekjes te halen. Naarmate het moment van afscheid naderde, zag ik hem nerveuzer worden. Zo had hij er die ochtend ineens op gestaan mij naar Haifa te brengen. In Israël draag je zorg voor elkaar. Het leek mij zinloos uitstel van executie, maar ik protesteerde niet. Voor protesteren heb je energie nodig. Dus stond ik toe dat hij mijn auto inlaadde. Voortdurend bestookte hij mij met raadgevingen. Ik bleef koud onder zijn zorgen en liet hem zweten. Dankbaar rende hij de trappen op en neer, met dozen vol cassettebandjes en langspeelplaten en de koffers en de groene canvastas. Ondertussen scharrelde ik door het huis en registreerde laatste keren.

Ik spoelde mijn tandenborstel uit onder de kraan en wilde hem gewoontegetrouw terugzetten in de beker. Mijn hand bleef in de lucht hangen. Het volgende moment borg ik de tandenborstel in mijn toilettas.

De laatste uren die wij met elkaar doorbrachten waren dodelijk vermoeiend. Alon probeerde zo gewoon mogelijk te doen, ik probeerde helemaal niets meer. Hij zette het bord met koekjes op de tegels naast de schommelstoel. Koffie met koekjes, ons normale ontbijt. Deze hadden de vorm van een halvemaan en smaakten naar vanille en naar de jam waarmee ze waren gevuld.
‘Je moet eten,’ zei hij.
Hij was zeven jaar jonger dan ik.
We hadden de koekjes de dag ervoor gekocht in Abu Gosj. Meteen nadat Alon de auto had geparkeerd, duwde een Arabische man een schaal met verse warme koekjes door het open raam naar binnen. We mochten gratis proeven. Alon zei: ‘Very good’, en nog iets in het Arabisch, en ik knikte maar. Een paar straten verderop was de bakkerij waarnaar we op weg waren en waar je kon kiezen uit twintig soorten koekjes, maar Alon hield vol dat we deze moesten nemen. Het waren de beste die hij ooit had geproefd, zei hij. Mijn gebrek aan enthousiasme ergerde hem zichtbaar, maar hij waakte ervoor er iets van te zeggen. Ik mocht deze dagen ongelimiteerd vervelend zijn, hij zou alles doen wat ik wilde. Helaas wilde ik niets.

Nu stond mijn auto volgeladen te wachten tot de koffie op was. ‘Ik maak me zorgen,’ zei Alon. ‘Het is koud in Europa, het kan gaan sneeuwen.’ Ik stelde hem gerust, ik was vertrouwd met dat klimaat, het boezemde mij geen angst in.
‘Je moet mij bellen onderweg,’ zei hij. ‘Beloof dat je probeert te bellen. Zodra je in Athene aan land komt, zoek je een bank. Je wisselt geld en je vraagt om munten, zo veel mogelijk munten. Dan ga je naar een telefooncel en je belt mij. Beloofd? Wanneer is dat, dinsdag, woensdag?’
Hij had mij het liefst een warme muts opgezet en een sjaal omgedaan, als een Jiddische memme die haar kind naar school helpt.
Dat had zijn gemoed verlicht. Ik voelde geen aandrang hem daarbij te helpen.
Hij hield vol. ‘Je bent onvoldoende gekleed. Waarom neem je mijn zwarte trui niet mee?’ Ineens zuchtte hij en zette zijn mok op de rand van de balustrade.
‘Vero,’ zei hij. ‘Je maakt het ons extra moeilijk.’
Ik zweeg.
Hij stak een sigaret op, hoewel hij er niet van hield zo vroeg al te roken. Ik keek naar hem en zag een bange jongen in een soldatenlichaam. Ik dacht aan vanochtend in bed, toen we allebei niets durfden te zeggen. Onze lichamen in de vertrouwde slaapstand, onze zenuwen strakgespannen. Van buiten klonk het gegiechel van de jesjivastudenten. Ik had geen idee hoe we die uren moesten doorkomen en daarom liet ik me onder het dekbed glijden.
Voor de laatste keer.
‘Zou je dit wel doen?’ vroeg hij zacht. Ik dacht: waarom vraag je niet aan jezelf of je dit wel zou toestaan?
Halverwege duwde ik het dekbed van ons af.
Na afloop trok ik het van de grond terug op bed en zei: ‘Zo, mijn ontbijt heb ik binnen.’ Het ontlokte hem een geschokt en vreugdeloos lachje.
Je maakt het ons extra moeilijk.
‘Je hebt gelijk,’ zei ik en ik stond op uit de schommelstoel. ‘Let’s go.’ Ik had geen zin in die bange jongen.

Hij droeg zelfs mijn schoudertas de trap af, klossend over de tegels met die zware schoenen van hem. Boven trok ik de deur van het appartement achter me dicht, het geluid weerkaatste hard en hol in het trappenhuis. Laatste keer. Binnensmonds groette ik de traptreden, laatste keer, laatste keer, de gesloten deuren van de buren, waarachter stilte heerste, iedereen op school of op zijn werk, driehoog, tweehoog, eenhoog, de gebedskokertjes schuin aan de posten. Dag, ik ga. Laatste keer het stoffige benedenportaal en de klemmende voordeur, die nu wijd openstond. Laatste keer het smalle tuinpad met de schaduwvlekken van de bomen op het gele steen. Laatste keer de geur van de jasmijnstruik waaronder Groucho lag begraven. Ik wist dat Alons motorfiets met het zijspan achter in de tuin stond, maar ik draaide me niet om. Laatste keer de zakken met huisvuil hoog opgetast in de container. De adembenemende stank als je daarlangs liep.
Mijn vertrek zou niets teweegbrengen. Deze plek, waarmee ik me zo verbonden had gevoeld, zou mij zonder slag of stoot laten gaan. Het tuinhek zou morgen en alle andere dagen op eendere wijze piepen. Misschien had ik me die verbondenheid altijd verbeeld.
Nu stond ik in de smalle straat, waarvan de laatste tijd veel huizen werden opgekocht door orthodoxen. Achter de manshoge tuinmuren, waar de bougainville weelderig overheen groeide, dansten steeds meer keppeltjes. Maar ik hield van die straat. Ik hield van de zware rechthoekige stenen waarmee in Jeruzalem de huizen werden gebouwd, zandkleurig, grof en bonkig van vorm, en het dromerige grijsgroen van de bomen, bijna onduidelijk, wazig, alsof je stoned bent, en dat samengevoegd door het beroemde licht van Jeruzalem, die verrekte gouden bijbelgloed die ik zo graag in een doosje had gedaan en meegenomen.
Bij de auto overhandigde ik Alon mijn sleutels van het appartement. Hij keek me pijnlijk getroffen aan.
Come on,’ zei hij. ‘Dat hoeft niet.’
Ik antwoordde dat ik er niets meer aan zou hebben en liep naar de bestuurdersplaats, me bewust van mijn lastige gedrag, bijna triomfantelijk, dit waren mijn laatste stuiptrekkingen en daar had ik recht op.
Het was warm in de auto. Tot twee keer toe viel het contactsleuteltje op de mat, bij het oprapen stootte ik mijn hoofd hard tegen het stuur. Alon trok het portier open. ‘Laat mij maar rijden,’ zei hij en hij keek zo bezorgd dat ik plotseling week werd. Als een pluisje zweefde ik naar de andere stoel, rijd jij maar, liefje. Pas toen we de stad achter ons hadden gelaten en ik zijn vastbesloten profiel zag, begreep ik dat hij bezorgd was geweest om zichzelf.

Alles was al gezegd. Ik leunde achterover in de zitting en speelde ‘meisje dat indommelt in het zonlicht en de warmte van de auto’. Af en toe moest ik mijn ogen wel opendoen, als Alon op de rem trapte om de onhandige manoeuvre van een ander te corrigeren, of als we door een van de vele kuilen en gaten in het wegdek hotsten. Soms maakte hij me attent op een Arabisch dorp dat fraai rommelig tegen een heuvel lag geplakt, of op een woonwijk in aanbouw, de Israëlische ijver waarop hij altijd weer persoonlijk trots leek te zijn. Je kon met hem niet langs een akker rijden of hij begon over de woestijn.
‘Iedere centimeter land hier is op de woestijn bevochten. Waarom hebben zíj dat nooit gedaan? Ze hebben honderden jaren de tijd gehad, maar toen mijn grootouders hier kwamen was er niets.’ Ik kende dit verhaal allang, in alle variaties, maar hij wilde het me meegeven, zodat ik het bij thuiskomst niet vergeten zou zijn en het kon doorvertellen. Het landschap was mooi genoeg, maar ik wilde het niet zien en dus lachte ik verontschuldigend naar Alon en loog dat ik mijn ogen niet kon openhouden.
Hij legde zijn hand op mijn dij.
‘You’ll come back.’
We wisten allebei dat het niet waar was, maar even speelde ik met de gedachte en zag mezelf als een toerist van middelbare leeftijd, met een wit zonnepetje op en een anwb-gids in de hand om me door het Heilige Land te leiden. Puffend en zwetend in de beeldentuin van het museum, dralend bij de Henry Moore, op zoek naar een betovering die van lang geleden stamt en niet meer is terug te halen. In plaats daarvan het schreeuwerige, opdringerige Israël.
Taxichauffeurs die je belazeren.
Ik legde mijn voeten op het dashboard en zette mijn gefingeerde dutje voort.

Alon was ertegen dat ik met de auto zou terugreizen. Hij begreep het niet. Hij had niet begrepen waarom ik mijn auto naar Israël liet verschepen, en nu begreep hij niet waarom ik hem niet opnieuw liet verschepen en zelf het vliegtuig nam, zoals ieder normaal mens zou doen. Maar ik had tijd nodig. Het idee dat ik binnen een paar uur in Nederland zou staan, joeg me angst aan: een lancering, recht in de scherven die ik had achtergelaten.
Dat hoefde hij niet te weten.
‘Ik vind autorijden fijn,’ zei ik in plaats daarvan. Het was niet eens een leugen. Mijn auto, een ijsblauwe Ford Granada, was een brede en zoevende automaat waarmee je enorme afstanden kon afleggen zonder moe te worden. Ik had hem voor mijn afstuderen van mijn ouders gekregen, die hem voor duizend gulden hadden gekocht van een bejaarde buurvrouw, een zwaarlijvige suikerpatiënte die de auto bij aanschaf door de pastoor had laten inzegenen en daarna jarenlang in een garage had laten staan omdat ze er toch niet op vertrouwde. Samen met haar jongere zuster, ook zwaarlijvig en suikerpatiënte, had ze af en toe op zondag een ritje naar familie gemaakt. De auto verkeerde dus in een optimale staat, volgens iedereen die er verstand van had. Wat me eraan beviel was dat het niet vanzelf sprak dat een meisje als ik in zo’n auto reed. Liever een aannemersbak dan een stewardessenkarretje, verdedigde ik me tegen commentaar. Mijn auto lag als een schip op de weg. Nadeel was dat hij benzine slurpte en dat er steeds vaker liters dure olie in verdwenen.
Niet alleen Alon, zijn hele familie was erop tegen dat ik met de auto zou gaan. Hij voerde lange, boze telefoongesprekken met zijn moeder, die ik niet letterlijk verstond maar wel begreep. ‘Ima, wat wil je dat ik doe? Ik kan het haar toch niet verbieden?’
De laatste dagen was ik ook hun bezorgdheid gaan wantrouwen. Ze wilden me heelhuids afleveren, daarna konden ze verdergaan met hun leven en ik zou een anekdote worden tijdens het sjabbatmaal. Hoe zou het met dat Hollandse meisje zijn? Heb jij nog weleens iets van haar gehoord? Wat haalde die zich toch in haar hoofd?

Vanaf Herzliya verscheen prachtig glinsterend de zee waarover ik straks zou wegvaren. Ik rekte me uit, geeuwde en draaide me om naar de andere kant.

‘We zijn er,’ zei Alon na lange tijd. ‘Haifa. Weet je nog, het zwembad?’ Ik opende mijn ogen en deed of ik uit een diepe slaap kwam. ‘Al die mensen om ons heen, Uri en Galit, en jij met die bikini, god, wat wilde ik graag met je vrijen, ik werd helemaal gek.’
To make love to you zei hij als het over vrijen ging.
‘Ik ook.’
‘En later, in de auto...’
Begeerte, onze vaste metgezel, schoof stiekem op de achterbank. Such nice lovers.
Ik dook voorover en haalde het adres van de Shipping Company uit mijn tas. Het onmogelijke en onwaarschijnlijkste zou zo dadelijk plaatsvinden en lust zou het er niet makkelijker op maken.
Alon reed in traag tempo over de Ha’atsmaoetlaan, een brede, drukke weg die langs de haven voerde. Ik hield het papiertje met het adres in mijn hand en speurde door het open raam naar de nummering van de gebouwen, wat niet eenvoudig was omdat die meestal ontbrak. De boeking had ik per telefoon gemaakt, een wanhoopsdaad, ik was bijna te laat geweest, maar de vrouw aan de telefoon verzekerde mij in moeilijk verstaanbaar Engels dat ze op het vrachtschip dat zondag naar Athene vertrok nog net een hut voor mij had. ‘You pay when you come, no problem.’
‘Hier is het!’
Stram van de lange autorit liepen we twee trappen op en betraden een smoezelig kantoor met bruin fineer op de wanden. Het stonk er naar asbakken en teleurstelling. Verschoten posters beloofden exotische overtochten op de Middellandse Zee. Achter de balie voerde een vrouw op verontwaardigde toon een telefoongesprek in het Ivriet. Ze had donkere kringen onder haar ogen en een verbeten trek om haar mond. Zonder op te kijken wees ze ons met een kort gebaar naar de rij stoelen tegen de muur. Alon liet zich op een stoel zakken en pakte een brochure van een tafeltje. Hij zuchtte nadrukkelijk. Ik keek naar de vrouw en probeerde me te verweren tegen de gedachte dat ik ook zo kon worden, dat de verbittering hier intrad. In principe was het nog mogelijk dat Alon nu opstond en mij vroeg om altijd bij hem te blijven en de moeder van zijn kinderen te worden, maar ik kreeg niet de indruk dat hij dat zelfs maar overwoog. In plaats daarvan leek hij alles te willen weten over boottochten naar Cyprus en Athene.
De vrouw beëindigde haar gesprek, stak een sigaret op en keek mij vol weerzin aan.
‘Ik heb gebeld,’ zei ik en ik noemde mijn naam, terwijl ik de envelop met dollars uit mijn tas haalde. ‘Eergisteren. U had een hut voor mij op dat Griekse schip. Ik kom het ticket ophalen. Voor mij en de auto.’
‘Wat is uw naam?’
Ik herhaalde mijn naam. De vrouw begon op een bureau tussen stapels papieren te zoeken. ‘Onmogelijk,’ zei ze. ‘Alles is vol. Er zijn maar een paar passagiershutten. Hoe zei u dat u heette?’
Voor de derde keer noemde ik mijn naam.
Hoofdschuddend pakte de vrouw een ordner en bladerde erin, met kwade rukjes. Er waren geen hutten meer, ze had de laatste hut gisteren geboekt. Sorry.
‘En nu?’
Nu niks. Het schip was vol, zei ze toch? Alon kwam erbij staan. De vrouw en hij begonnen onmiddellijk ruzie te maken in het Ivriet, waarbij de vrouw zich minstens zo verontwaardigd toonde als hij. Ze lieten elkaar niet uitspreken en hun stemmen werden steeds luider. ‘Alon, please,’ zei ik. ‘Ik wil het kunnen begrijpen.’
‘Ze heeft jouw hut aan een ander verkocht. Ze was bang dat je niet zou komen.’
Ik richtte me tot de vrouw, die mij met koude ogen aanstaarde.
‘Ik had u toch beloofd dat ik zou komen?’
‘U moest eens weten wat mensen allemaal beloven door de telefoon.’
‘U had mij beloofd dat u de hut zou vasthouden.’
De vrouw maakte een wegwerpgebaar. ‘Over een week heb ik voldoende plaats. Als u nu betaalt, krijgt u het ticket, kan er niks misgaan.’
Er viel een stilte.
‘U begrijpt het niet,’ zei ik zacht tegen de vrouw. ‘Ik kan dit niet nog een keer.’
De vrouw haalde haar schouders op. ‘U zegt het maar. Ik heb mijnheer hier verteld dat er in het vooronder bij de bemanning nog een hut is, maar toen kreeg ik de wind van voren.’
‘Ik wil het niet hebben,’ zei Alon.

Copyright © 2012 Marieke van der Pol
Auteursportret copyright © Leoni Ravestein

Uitgeverij De Arbeiderspers

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum