Leesfragment: Bericht vanuit het innerlijk

27 november 2013 , door Paul Auster
| | | |

Binnenkort verschijnt Bericht vanuit het innerlijk, Paul Austers vervolg op zijn autobiografie Winterlogboek. Wij publiceren voor: 'Hoe geboeid je tot nu toe ook hebt gekeken, hoezeer je ook onder de indruk was van de beginscènes van de film, toch ben je niet op de schok voorbereid van wat er nog komen gaat, want pas als het tweede deel van de film begint, met zijn simpele maar niettemin uiterst vernuftige visuele effecten, bereikt het ongelofelijke verhaal van de krimpende man een werkelijk geniaal niveau en brandt het zich voor eeuwig in je hart.'

 

Koos Paul Auster in zijn vorige boek Winterlogboek de geschiedenis van zijn lichaam als onderwerp, in Bericht vanuit het innerlijk schrijft hij over zijn relatie tot de wereld buiten hemzelf. Hij roept geluiden, geuren en daaraan gekoppelde ervaringen uit zijn jeugd op via diep gevoelde verhalen en volgt zijn ontwikkeling naar volwassenheid in moreel, politiek en intellectueel opzicht, van de naoorlogse jaren tot aan de woelige jaren zestig. Uiteindelijk verlaat hij zelfs het woord en zijn het slechts beelden die zijn ontwikkeling reflecteren.

Paul Auster (1947) is een van de grootste hedendaagse Amerikaanse schrijvers. Hij is auteur van poëzie, scenario’s, essays en romans.

 

Twee mokerslagen

 

I

1957. Je bent tien, geen kleine jongen meer, maar ook nog geen grote jongen, iemand die het best als een middelgrote jongen kan worden omschreven, een jongen van net over de helft van zijn lagereschooltijd, nog afgeschermd van de wereld in het jaar van Spoetnik 1 en 2, maar minder dan het in het jaar daarvoor het geval was; je hebt al vaag begrepen dat de Suez-crisis voorbij is, dat Eisenhower federale troepen naar Little Rock heeft gestuurd om een einde te maken aan de rellen en de rassenscheiding op de scholen, dat de orkaan Audrey in Texas en Louisiana meer dan vijfhonderd mensen het leven heeft gekost, dat er een boek is verschenen, De laatste oever, over het einde van de wereld, maar van de verschijning van Eindspel van Samuel Beckett of Onderweg van Jack Kerouac weet je niets, en van de dood van Joseph McCarthy of de verwijdering van Jimmy Hoffa’s Teamsters Union uit de afl-cio nog minder dan niets. Het is een zaterdagmiddag in mei, en je wordt samen met een schoolvriendje van je, Mark F., een nieuw kameraadje dat ook bij jou in het little league-team speelt, door een van je ouders met de auto naar de bioscoop gebracht om helemaal alleen de hoofdfilm te gaan zien. De titel van de film die je die middag ziet, is De krimpende man (The Incredible Shrinking Man), en zoals je vier jaar eerder volledig werd overdonderd door Mars valt aan, maakt ook deze film diepe indruk op je en zet hij je wereldbeeld finaal op zijn kop. De schok die je ervoer toen je zes was, kan het best een theologische schok worden genoemd – een plotseling besef van de beperkingen van Gods almacht, en het angstwekkende probleem dat daaruit voortvloeide, want hoe kon de almachtige op enigerlei wijze beperkt zijn? –, maar de schok van De krimpende man is een filosofische, een metafysische schok, en zo sterk was de kracht van die sombere zwart-witfilm dat je er in ademloze vervoering weer uit kwam, met een gevoel alsof je nieuwe hersenen had gekregen.

Uit de omineuze muziek die bij de begintitels klinkt, maak je op dat je zo dadelijk meegenomen gaat worden op een duistere en dreigende reis, maar zodra het verhaal begint wordt je angst wat verlicht door de aanwezigheid van een verteller, de krimpende man zelf, die zich in de eerste persoon tot de toeschouwers richt, en dat houdt in dat hij het er, ongeacht de vreselijke avonturen die hem wellicht te wachten staan, in elk geval levend gaat afbrengen, want hoe zou iemand zijn eigen verhaal kunnen vertellen als hij dood was? Het vreemde, welhaast ongelooflijke verhaal van Robert Scott Carey begon op een doodgewone zomerdag. Ik ken dat verhaal beter dan wie ook – want ik ben Robert Scott Carey.
Carey en zijn vrouw Louise liggen in badkleding naast elkaar te zonnen op het dek van een motorjacht. De boot dobbert loom op het water van de Stille Oceaan; de lucht is strakblauw en alles is in orde. Ze zijn allebei jong en aantrekkelijk, ze zijn verliefd, en als ze niet met elkaar zoenen praten ze met elkaar op de speelse, plagerige toon van mensen die het leven met elkaar willen delen. Louise gaat in de kajuit even een biertje voor hen halen, en dan gebeurt het. Er verschijnt een dikke wolk aan de horizon, die met grote snelheid op de boot af komt, een dichte, allesomhullende mist die met een vreemd, sissend geluid over het oceaanoppervlak scheert, een geluid zo hard dat Carey, die met zijn ogen dicht op het dek ligt te soezen, eerst rechtop gaat zitten, dan opstaat en vervolgens ziet hoe de wolk vooruitschiet en de boot overspoelt. Hij maakt instinctief een afwerend gebaar met zijn armen, doet zijn best om zich tegen deze dampvormige aanval te beschermen, wat niet lukt, maar dan is de snel voortjagende wolk hem alweer voorbij, en binnen enkele seconden is de hemel weer strakblauw. Als Louise uit de kajuit komt, ziet ze in de verte de wolk nog wegdrijven. Wat was dat? vraagt ze. Geen idee, antwoordt hij, een soort... mist. Louise draait zich naar hem om en ziet dat zijn borst bedekt is met spikkeltjes fosforiserend stof, metaalachtige deeltjes die fonkelen in het licht, onnatuurlijk, verontrustend, onverklaarbaar, maar dan begint de glinstering alweer te vervagen, en de scène eindigt ermee dat ze met z’n tweeën de spikkeltjes met handdoeken wegvegen.

Er gaat een halfjaar voorbij. Op een ochtend, als Louise bezig is het ontbijt op tafel te zetten, roept Carey uit de slaapkamer boven naar haar; hij vraagt of ze wel de goede broek heeft teruggekregen van de stomerij. Beeldwisseling naar de slaapkamer: Carey staat voor een manshoge spiegel en trekt aan de tailleband van zijn broek. Er zit zo’n zes, zeven centimeter ruimte tussen, wat betekent dat de broek hem te groot is, en als hij even later zijn overhemd aantrekt, zijn nette witte overhemd met monogram, blijkt ook dat te groot. De gedaanteverwisseling is begonnen, maar het is op dat moment nog te vroeg om er al iets van te zeggen, en noch Carey, noch Louise heeft het flauwste benul van wat er staat te gebeuren. Die ochtend oppert de altijd vrolijke, guitige Louise zelfs nog dat Carey gewoon wat is afgevallen en dat ze vindt dat het hem best goed staat.

Maar Carey is ongerust. Zonder het zijn vrouw te vertellen gaat hij naar de dokter om zich te laten nakijken, en in de spreekkamer van dokter Bramson komt hij erachter dat hij nu een meter tachtig lang is en negenenzeventig kilo weegt. Allebei boven het gemiddelde, maar Carey legt Bramson uit dat hij altijd een meter vijfentachtig is geweest en op mysterieuze wijze vierenhalve kilo is kwijtgeraakt. De dokter wuift die cijfers kalmpjes weg, en zegt tegen Carey dat hij waarschijnlijk gewoon wat is afgevallen als gevolg van spanningen en te veel overwerk, en dat hij wat die verdwenen vijf centimeter aangaat, betwijfelt of die wel echt zijn verdwenen. Hij vraagt aan Carey hoe vaak zijn lengte is gemeten. Maar drie keer blijkt, één keer bij zijn keuring voor militaire dienst, één keer bij de marine, en één keer bij een lichamelijk onderzoek voor een levensverzekering. Er kan alle drie de keren een vergissing zijn gemaakt, zegt Bramson, vergissingen komen vaak voor, en het resultaat kan ook nog variëren afhankelijk van het moment waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden (mensen zijn ’s ochtends het langst, merkt hij op, daarna krimpen ze in de loop van de dag een beetje naarmate de zwaartekracht de wervelschijven, de gewrichten enzovoort wat meer samendrukt), en bovendien moet ook het probleem van het te veel rechtop staan niet over het hoofd worden gezien, wat iemand langer kan doen lijken dan hij in feite is, en dus is een verschil van vijf centimeter alles welbeschouwd niets om je zorgen over te maken. U bent waarschijnlijk wat afgevallen als gevolg van een tekort aan voldoende voedingstoffen, zegt Bramson, maar (met een laatdunkend lachje) mensen worden niet kleiner, Mr. Carey. Ze worden niet zomaar kleiner.

Er gaat weer een week voorbij. Als hij op een avond in de badkamer op de weegschaal staat, komt Carey tot de ontdekking dat hij weer twee kilo is kwijtgeraakt. Maar nog verontrustender is dat als Louise en hij elkaar enkele ogenblikken later omhelzen, ze oog in oog met hem staat, wat onweerlegbaar aantoont dat hij langzaam bezig is kleiner te worden, want vroeger had ze altijd op haar tenen moeten staan als ze elkaar kusten, zich moeten strekken om haar lippen tegen de zijne te leggen. Ik word kleiner, Lou, zegt hij, elke dag. Ze weet het nu, accepteert het nu, maar tegelijkertijd kan ze het niet geloven – zoals iedereen het niet zou kunnen geloven, zoals jij het zelf ook niet kunt geloven, zoals je daar in die donkere bioscoopzaal naar die film zit te kijken, want wat er met Scott Carey gebeurt kan gewoon niet. Er begint zich langzaam een knoop in je maag te vormen. Je voelt al waar het op uit gaat draaien, en het wordt je bijna te veel. Je bidt om een wonder en hoopt dat je het mis hebt, hoopt dat er een geniale geleerde ten tonele verschijnt die een manier bedenkt om het verder krimpen van de krimpende man een halt toe te roepen, want Scott Carey is nu niet meer gewoon een personage in een film – Scott Carey, dat ben jij.

Hij gaat weer bij dokter Bramson langs, gaat de week daarop diverse keren naar hem terug, en Bramson lacht nu niet meer zo zelfverzekerd, is niet meer de geruststellende scepticus die na het eerste onderzoek nog een beetje de spot met Carey dreef. Hij staat nu twee röntgenfoto’s te bekijken; de ene is aan het begin van de week gemaakt en de andere aan het eind, identieke opnamen van Carey’s borstholte waarop zijn wervelkolom en ribben in detail zichtbaar zijn, en als Bramson de eerste plaat op de tweede legt, is het onmiskenbaar dat, hoewel de foto’s in essentie gelijk zijn, het ene beendergestel kleiner is dan het andere. Dit is het medisch bewijs, het laatste onderzoek dat alle twijfel wegneemt over de aard van Carey’s kwaal, en Bramson is ontzet, maar tegelijk verbijsterd – hij staat opeens voor een raadsel – en daarom doet hij een beetje norsig, bozig bijna, als hij naar Carey en Louise toe loopt en hun vertelt wat zijn bevindingen zijn. Het is volstrekt ongekend, zegt hij, het is op geen enkele manier te verklaren, maar Carey wordt inderdaad kleiner.

Op advies van Bramson gaat Carey naar het California Medical Research Institute, het westkust-equivalent van een instituut als de Mayo Clinic, waar hij de volgende drie weken onder handen wordt genomen door diverse specialisten en een hele batterij intensieve onderzoeken ondergaat. Al die onderzoeken worden in een korte montage getoond, en terwijl het ene beeld het andere snel opvolgt, komt Carey’s stem terug om te verklaren wat er gebeurt: Ik heb een bariumoplossing gedronken en achter een fluorescentiescherm gestaan. Ze hebben me radioactief jodium gegeven... en met een geigerteller onderzocht. Er zijn elektroden op mijn hoofd geplaatst. Mijn vochtbalans is onderzocht. Mijn eiwitbinding. Ik heb oogonderzoeken gehad. Bloedonderzoeken. Er zijn röntgenfoto’s en nog meer röntgenfoto’s gemaakt. Onderzoeken, eindeloos veel onderzoeken. En dan het allerlaatste onderzoek: een chromatografische test...

Dokter Silver, de arts die zijn geval behandelt, vertelt Carey en Louise dat de chromatografische test behalve een geleidelijk afbraak van stikstof, calcium en fosfor ook een verandering in de moleculaire structuur van Carey’s lichaamscellen aan het licht heeft gebracht. Carey vraagt of hij het over kanker heeft, maar Silver zegt: Nee, het lijkt meer op een antikanker, een chemisch proces dat ervoor zorgt dat alle organen proportioneel kleiner worden. Dan stelt Silver hem twee essentiële vragen. Als eerste of hij ooit is blootgesteld aan een of ander verdelgingsmiddel, met name een insecticide, een grote hoeveelheid insecticide? Carey graaft in zijn geheugen en herinnert zich ten slotte dat hij, ja, een paar maanden geleden op een ochtend op weg naar zijn werk een stukje had afgesneden via een laantje, en dat er toen hij daar liep een auto aan kwam rijden die bezig was de bomen te besproeien. Silver knikt. Daar waren ze al redelijk van overtuigd, zegt hij, maar dat zou het niet alleen kunnen verklaren, daar was het alleen mee begonnen; er moest iets met dat insecticide zijn gebeurd nadat het in Carey’s gestel was terechtgekomen, iets wat een mild virulent verdelgingsmiddel een dodelijke kracht had gegeven. Dan volgt de tweede vraag: is hij het afgelopen halfjaar aan enige vorm van radioactiviteit blootgesteld geweest? Natuurlijk niet, zegt Carey, hij komt nooit met zoiets in contact, hij werkt in een... Voordat hij zijn zin kan afmaken, valt Louise hem in de rede. Scott, zegt ze, Scott, die dag dat we op de boot zaten. Die mist...

Nu is alles duidelijk. De oorzaak van de verschrikking is gevonden, het effect is nauwgezet in kaart gebracht, en terwijl Carey en zijn vrouw weer in hun auto stappen en naar huis rijden, wuift Louise haar mans sombere, mismoedige opmerkingen met een onverstoorbaar, bijna vrolijk optimisme weg; ze weet zeker dat de dokters iets zullen vinden om hem te helpen, dat het niet lang zal duren of dokter Silver vindt een tegengif om het proces dat zich nu voltrekt te keren. Ze kunnen wel zoeken, zegt Carey, maar ze hoeven niet iets te vinden. En dan: Ik kan toch maar niet blijven doorgaan met afvallen en krimpen... En dat roept de vraag op: Hoe lang heb ik nog? Waarop Louise, op ferme en besliste toon, reageert met: Dat mag je niet zeggen, Scott – nooit meer. Hij wendt zijn blik af en gaat door met zijn verhaal: Ik wil dat je over ons gaat nadenken. Over ons huwelijk. Er staan misschien heel akelige dingen te gebeuren. Er zijn grenzen aan de verplichtingen die je aan me hebt. Hevig ontdaan door deze woorden, in tranen bijna, slaat Louise haar armen om haar man heen en kust hem op de mond. Ik hou van je, zegt ze. Dat weet je toch? Zolang je die trouwring om hebt, zal ik altijd bij je blijven.

Beeldwisseling naar de ringvinger van Carey’s linkerhand. Een ogenblik later glijdt de trouwring van zijn vinger en valt op de grond.

Tot nu toe heb je de film met intense aandacht gevolgd, je hebt al beslist dat dit de beste film is die je ooit hebt gezien, misschien wel de beste film die je ooit zúlt zien, en al begrijp je de wetenschappelijke, of quasiwetenschappelijke taal van dokter Silver niet helemaal, je vindt dat woorden als chromatografisch, fosfor, radioactief jodium en moleculaire structuur Carey’s onfortuinlijke situatie heel aannemelijk hebben gemaakt. Hoe geboeid je tot nu toe ook hebt gekeken, hoezeer je ook onder de indruk was van de beginscènes van de film, toch ben je niet op de schok voorbereid van wat er nog komen gaat, want pas als het tweede deel van de film begint, met zijn simpele maar niettemin uiterst vernuftige visuele effecten, bereikt het ongelofelijke verhaal van de krimpende man een werkelijk geniaal niveau en brandt het zich voor eeuwig in je hart.

[...]

Copyright ©2013 Paul Auster
Copyright Nederlandse vertaling ©2013
Ronald Vlek /bv Uitgeverij De Arbeiderspers, Utrecht
Oorspronkelijke titel: Report from the Interior
Auteursportret © Jerry Bauer

Uitgeverij De Arbeiderspers

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum