Leesfragment: Het eeuwige volk kent geen angst

27 november 2015 , door Shani Boianjiu

17 januari verschijnt Shani Boianjiu, Het eeuwige volk kent geen angst (The People of Forever Are Not Afraid, vertaald door Auke Leistra), over drie vriendinnen die volwassen worden in het Israëlische leger. Wij publiceren voor. ‘"Er worden volgende week vrijdag in de quiz over de oorlog voor de vrede van Galilea acht definities gevraagd, en daar zit er niet een bij die we hier niet behandeld hebben. plo, sam, iaf, rpg-kinderen," zegt Mira. Ik ben vrij zeker van al die termen, behalve misschien rpg-kinderen. Ik ben niet zo goed in definities met echte woorden erin. Daar ben ik een beetje bang voor.'

Shani Boianjiu (1987) werd geboren in Jeruzalem en is van Iraakse en Roemeense komaf. Ze groeide op in een klein stadje nabij de grens met Libanon, en heeft twee jaar in het Israëlische leger gezeten. Met Het eeuwige volk kent geen angst is Boianjiu door Nicole Krauss voorgedragen voor de 5 under 35 Award van de National Book Foundation. Ze is daarmee de jongste genomineerde ooit.

In Israël worden drie vriendinnen volwassen in een wereld vol kogels, angst en moed. Yael is scherpschutter en probeert uit alle macht niet verliefd te worden op de soldaten die ze moet trainen.

Avishag loopt wacht; de eindeloze dagen worden soms onderbroken door vluchtelingen die zich onder het prikkeldraad door proberen te wurmen. Lea controleert paspoorten en moet ook haar medesoldaten in de gaten houden. Samen roddelen ze over jongens, proberen 'gewoon' te zijn en vooral niet na te denken over de verhongerende vluchtelingen of de steeds groter wordende dreiging van buitenaf.

Yael, Avishag en Lea worden constant gedrild voor een oorlog die misschien nooit komt. Ze bevinden zich in het oog van de storm en ontdekken dat dromen van een andere, misschien betere, wereld gevaarlijker is dan ze dachten.

Het eeuwige volk kent geen angst is een urgent boek, onderkoeld van toon en met veel oog voor detail geschreven.

'Ze schrijft humoristisch, ontwapenend en vol levensvreugde. Zelfs wanneer ze over de dood schrijft, doet ze dat levendiger dan menig andere jonge schrijver.' - Nicole Krauss

Kinderen van andere mensen

De geschiedenis is bijna afgelopen

Het is stoffig in deze caravan annex klaslokaal, en het haar van Mira, de lerares, is neporanje met droge puntjes. We zitten in de hoogste klas, we zijn zeventien, en we hebben bijna de hele geschiedenis van Israël gehad. De geschiedenis van de wereld hebben we in de vierde klas afgerond. In ons geschiedenisboek spreken de bladzijden al van 1982, dat is maar een paar jaar voor wij geboren werden, maar een jaar voordat dit dorp werd gebouwd, toen je hier bij de Libanese grens alleen nog maar pijnbomen had, en afvalheuvels. De woorden van Mira de lerares, die ook de moeder is van Avishag, raken bijna aan de geheime werelden van onze ouders op hun dronken avondjes.
De geschiedenis is bijna afgelopen.
‘Er worden volgende week vrijdag in de quiz over de oorlog voor de vrede van Galilea acht definities gevraagd, en daar zit er niet een bij die we hier niet behandeld hebben. plo, sam, iaf, rpg-kinderen,’ zegt Mira. Ik ben vrij zeker van al die termen, behalve misschien rpg-kinderen. Ik ben niet zo goed in definities met echte woorden erin. Daar ben ik een beetje bang voor.
Maar ik maak me niet druk om die quiz. Ik zou er bijna een krachtterm op loslaten; die quiz doet me helemaal niks.
Ik heb nog altijd mijn sandwich in mijn rugzak. Er zit tomaat en mayo en mosterd en zout op en verder niks. Het mooiste van die sandwich is dat mijn moeder hem in een plastic zakje doet en dat zakje vervolgens in blauwe zakdoekjes wikkelt en dat het ongeveer twee minuten kost om hem uit te pakken. Op die manier heb ik zelfs op dagen dat ik geen honger heb iets om op te wachten. Dat is tenminste iets, en dan ga ik tenminste niet gillen.
Het is alweer acht jaar geleden dat ik mosterd-mayo-tomaat ontdekte.
Ik knip met mijn vingers onder mijn kin. Ik rol met mijn ogen. Ik knars met mijn tanden. Ik doe al die dingen al vanaf dat ik klein was, in de klas. Ik kan dit niet veel langer volhouden. Mijn tanden doen pijn.
Nog veertig minuten tot de pauze, maar ik kan hier niet blijven zitten, ik kan niet en ik wil niet en ik…

Hoe ze vliegtuigen maken

plo, sam, iaf, rpg-kinderen,’ zegt Mira de lerares. ‘Wie wil een paar definities hardop voorlezen voor de quiz, bij wijze van oefening?’ sam is een of andere Syrische onderzeeër. En iaf is de Israeli Air Force. Ik weet wat kinderen zijn, en dat rpg-kinderen kinderen waren die rpg’s op onze soldaten probeerden af te schieten maar uiteindelijk alleen elkaar in brand staken omdat ze er niks van afwisten, en omdat het kinderen waren. Maar dat is misschien een zich herhalende definitie. De laatste keer trok dat kreng er vijf punten af omdat ik volgens haar zeven keer in dezelfde definitie het woord ‘zeer’ gebruikte, ook op plaatsen waar je eigenlijk niet eens ‘zeer’ kon zeggen.
Ze kijkt naar mij, of naar Avi shag, die naast me zit, of naar Lea, die naast Avi shag zit. Ze zucht. Volgens mij moet ze een keer een heel correctieve oogoperatie ondergaan. Lea kijkt knalhard terug, alsof ze ervan overtuigd is dat Mira naar haar kijkt. Ze denkt altijd dat iedereen wel naar haar zal kijken.
‘Kun je in elk geval doen alsof je dat opschrijft, Yael?’ vraagt Mira aan mij en ze gaat achter haar bureau zitten.
Ik wend mijn blik af van Lea. Ik pak mijn pen en schrijf:

Wanneer houden we eens op met nadenken over dingen die er niet toe doen en gaan we nadenken over dingen die er wel toe doen? Neuk me rauw

Ik moet naar de wc. Naast de caravan waar we les krijgen staat een caravan met een wc. Als ik op het wc-deksel ga staan en mijn neus tegen het kleine raampje druk, kan ik het eind van het dorp zien en het bleekmiddel opsnuiven dat ze gebruiken om dit rotraampje schoon te maken tot ik er duizelig van word. Ik zie huizen en tuinen en moeders van baby’s op bankjes, rondslingerend als legosteentjes die door een reuzenkind zijn achtergelaten langs de kant van de cementweg naar de bruine bergen die verderop liggen te sluimeren. Vlak buiten het schoolhek zie ik een jongeman. Hij draagt een bruin hemd en zijn huid is lichtbruin, hij zou bijna kunnen verdwijnen op deze berg, ware het niet dat hij groene ogen had, twee blaadjes midden in dit niets.
Het is Dan. Mijn Dan. De broer van Avishag.
Ik weet het bijna zeker.
Terug in de klas zie ik dat iemand iets in het oude, dikke schrift heeft geschreven, vlak onder mijn vraag. Avishag en ik schrijven al met elkaar in schriften vanaf groep vier. Een poosje bewaarden we ook de verhaaltjes die we met Lea schreven toen we met z’n allen in een schrift cadavre exquisdeden, maar in de brugklas speelde Lea niet meer met ons en met niemand meer van haar oude vriendinnen. In plaats daarvan begon ze meisjes te verzamelen, lievelingetjes die moesten doen wat zij zei. Avishag vond dat wij tweeën nog gewoon in ons schrift moesten blijven schrijven, ook al kun je met z’n tweeën geen cadavre exquis doen. Ze zei dat je schriften langer kon bewaren dan losse blaadjes en dat we op die manier, als we achttien waren, terug zouden kunnen kijken en weer aan al die mensen zouden kunnen denken die vroeger van ons hielden, toen we nog klein waren. En op die manier had ze meteen ook een plek voor haar tekeningen, en wist ze zeker dat ik ze allemaal zag. Bovendien, zei ze toen we veertien waren, konden we elk schunnig woord dat we kenden gebruiken als we dat wilden, zonder betrapt te worden, en reken maar dat we dat willen, dat moet gewoon. Het is een regel.

Neuk me rauwer

De laatste tijd is het net of Avi shag niet eens bestaat. Alles wat ik zeg zegt zij iets harder. En dan wordt ze stil. Ze speelt met de gouden halsketting op haar donkere borst. Ze verschuift haar bh-bandje. Ze ziet haar haar langer worden en ze wordt stil. Ik denk dat mijn haar ook langer wordt, en ik stiller.
Maar het punt is, voor het eerst in de geschiedenis van de wereld heeft iemand anders dan Avi shag, toen ik even weg was, iets in het schrift geschreven.
Ik weet het vrijwel zeker. Er staat nog een vreemde mededeling, en zonder krachttermen.

Ik ben altijd alleen. Zelfs nu ben ik alleen

Ik doe het schrift dicht.
Ik zou Avi shag willen vragen of haar broer Dan in de klas is geweest, maar ik doe het niet. De moeder van Avi shag en Dan, Mira, is als moeder een apart geval omdat ze lerares is. Ze is lerares omdat ze lerares in een dorpje moest worden in plaats van in Jeruzalem. De vader van Avi shag was weggegaan, en ze hadden niet genoeg geld meer om in Jeruzalem te blijven. Mijn moeder werkt in de fabriek in het dorp waar ze onderdelen maken voor machines waarmee ze machines kunnen maken waar ze vliegtuigen mee maken. De moeder van Lea werkt in de fabriek in het dorp waar ze onderdelen maken voor machines waarmee ze machines kunnen maken waar ze vliegtuigen mee maken. Ik ben altijd alleen.
Ik heb een idee.
Ik ga een feest geven ook al wordt het mijn einde, en ik weet nog niet waar ik dat feest ga geven, en dat kan ik ook niet weten, en ik zal de eerstkomende twintig minuten ook niks weten omdat ik in de klas zit, maar zo waarlijk helpe mij God, Dan komt ook naar mijn feest. Hij zal komen als ik bel om hem uit te nodigen, dat is gewoon een kwestie van beleefdheid, het is een geniaal idee dat net bij me opkwam, uit het niets, een féést, en als nog één keer iemand tegen me zegt dat het soms oké is om alleen te zijn, ga ik gillen en wordt het gênant.
‘Shalom,’ zeg ik en ik sta op van mijn tafeltje. Ik pak mijn rugzak.
Als Avi shag opstaat schraapt haar stoel over de linoleumvloer en trekken de lippen van Mira samen alsof ze net een hele citroen uit de boom van de familie Levy heeft opgegeten.
‘Deze les duurt nog twintig minuten,’ zegt ze. Ze denkt misschien dat we dan wel blijven, maar we gaan.
‘Ik zeg shalom, goddomme,’ zegt Avi shag. Dit is zeldzaam. Avishag haat het als er hardop gevloekt wordt. Ze houdt alleen van vloeken op papier, dus dit is zeldzaam. Vier jongens staan ook op. In groep zes heeft een van hen een keer een hele citroen uit de boom van de familie Levy opgegeten omdat iemand zei dat hij dat vast niet durfde, maar er gebeurde niks.

Je kunt met niemand praten

Avi shag en ik lopen over de onverharde weg van de school naar het dorp. Als ik mijn mond opendoe, proef ik stukjes van de voetstappen van onze klasgenoten die ons voor zijn gegaan en van onze eigen voetstappen van een dag eerder. Ik kan nauwelijks praten zoveel heb ik in mijn mond.
‘Ik ga zo ongeveer dood. We moeten een feest geven vanavond. We moeten een paar mensen bellen,’ zeg ik.
‘Noam en Emuna zeiden tegen mij dat Yochai had verteld dat zijn broer van Sarit, de zus van Lea, had gehoord waar je bereik had,’ zegt Avi shag. Ze knijpt haar zwarte ogen tot spleetjes.
Geen enkele mobiel in het dorp doet het momenteel. Eerst was er alleen op school geen bereik. Toen, afgelopen woensdag, hadden we zelfs geen bereik toen we over het houten hek waren geklommen in plaats van naar wiskunde te gaan. Avi shag had misschien een seconde of tien twee streepjes, maar dat was niet genoeg om iemand te bellen. Toen werd het één streepje en dat bleef zo.
We liepen al naar de winkel, maar daar was ook geen bereik, dus kochten we een pakje Marlboro en wat gummibeertjes en liepen we naar de pinautomaat, maar daar was ook geen bereik, dus liepen we naar het parkje, maar daar was ook geen bereik, en iemand had op de enige schommel gekotst die groot genoeg was voor twee, dus we bleven daar niet, en toen konden we nergens anders meer heen in het dorp.
‘Eigenlijk was het niet Noam of Yochai van wie ik het heb,’ zegt Avi shag. ‘Ik heb het van Dan. Hij praat weer tegen me. Of althans genoeg om te zeggen dat je bij de telefoonmast bereik hebt.’
Ik kijk niet naar Avi shag als ze dat gezegd heeft. Ik zou haar willen vragen of Dan in de klas was geweest en in het schrift heeft geschreven, maar ik weet wel beter.
De telefoonmast. Natuurlijk. Soms denk ik weleens dat het hele dorp dood zou gaan als er geen mensen zoals Dan waren, zo stom zijn we.

Wat is liefde

In mijn hele godganse leven heb ik besloten maar van één jongen te houden, van Dan, de broer van Avi shag. Ik heb al hetzelfde vriendje, Moshe, vanaf mijn twaalfde, maar dat is niet echt eerlijk omdat ik niet echt de gelegenheid heb gekregen om te beslissen van hem te houden. Hij was van een bevriende familie en gooide appels naar me, dus ik had niet echt de keus. Twee weken geleden hebben we het uitgemaakt. Negen weken geleden hebben we het ook uitgemaakt. Hij zit nu trouwens al een maand of zes in het leger. Dat heeft Dan allemaal al gehad.
Dan had altijd een test. Daarom besloot ik van hem te houden. Hij werd er helemaal gek van, van die test.
Helemaal aan het eind van Jerusalem Street heeft ons dorp uitzicht. Het kijkt uit over de hele wereld en haar zuster. Echt waar. Als je daar boven op dat heuveltje staat, kun je vier bergen zien, boordevol altijdgroene mediterrane bossen. En dan zie je dekens van rode anemonen, kussens van paarse anemonen, cirkels van gele margrieten. En kleine grotten, beschut door wilgen, en, nou ja, het doet bijna pijn om ernaar te kijken. Alsof je kinderen van andere mensen aan de andere kant van de straat ziet.
En er zijn bankjes, uiteraard, daar aan het eind van Jerusalem Street. Je zou denken dat je daar naar dat uitzicht kon gaan zitten kijken, alleen dat kan niet. Want als je op die bankjes gaat zitten, zit je met je rug naar het uitzicht, en zit je te koekeloeren naar huis nummer 24 aan Jerusalem Street, en het enige wat je dan ziet is ondergoed dat hangt te drogen en een verweesde hondenriem in het gele gras en de recyclecontainer op de veranda. Hij nam daar mensen mee naartoe, Dan, en dan vroeg hij hun: ‘Wat is er verkeerd aan dit beeld, wat is er verkeerd, wat is er verkeerd,’ maar niemand kon het hem zeggen en dan werd hij kwaad en ging hij harder praten en zei hij dat het hele dorp dood zou gaan als er geen mensen zoals hij waren, zo stom zijn we. Hij kan heel arrogant zijn. En dan bleef degene uit het dorp die hij daar mee naartoe had genomen, zijn klasgenoot, de vriendin van zijn moeder, zijn zus, zijn zusje, een poosje naar het gele gras van nummer 24 zitten staren en zei dan: ‘Jij zei dat je wilde chillen. Ik begrijp het niet.’ Maar ik begreep het wel.
In de brugklas, ik kwam net bij Avishag vandaan, sprong Dan vanachter een olijfboom op me af. Boven hem waren geïmporteerde platanen en vogels, de vogels waren onzichtbaar maar zoefden zo snel in de rondte dat het net leek of er lichtvlekjes om hem heen dansten, als in een discotheek. Hij kwam één stap dichterbij. En toen nog één. Hij stond zo dicht voor me dat ik kon zien dat er twee ooghaartjes waren uitgevallen die op zijn linkerwang zaten. Ik keek naar beneden, gegeneerd, en merkte op dat zijn voeten bloot en lang waren. Ik knipte met mijn vingers bij mijn hals, nerveus. Hij was heel lang, net als Avishag. Of misschien was ik wel klein.
‘Heb je zin om te chillen?’ vroeg hij.
Toen ik op dat bankje zat, voelde ik me heel even alleen maar moe. Ik draaide me een keer om, en nog een keer, om de andere kant op te kijken, zodat Dan niet zou zien hoe opgewonden ik was, zodat ik iets anders moois had om over na te denken. En toen kwam het bij me op.
‘Dus d’r komt iemand met twee bankjes en ze zeggen tegen diegene: “Neem cement en plant die bankjes in de grond,” en hij, nou ja,’ zei ik. Ik wilde alleen maar iets te zeggen hebben, maar de groene ogen van Dan straalden, en zijn dichte wenkbrauwen gingen op en neer.
Daarna zaten we een poosje op de grond, en keken we naar de rode vlakken en gaten in de verte en vertelde ik hem al mijn geheimen. Ik denk dat ik die avond een beetje van hem hield, maar ik weet niet of het ware liefde was, omdat ik alleen van hem hield omdat hij van mij hield, of van iets wat ik gezegd had. Dat kon je aan hem wel zien aan de manier waarop hij naar voren en naar achteren zat te schommelen en aan het feit dat hij, toen ik hem het schrift liet zien, beloofde dat hij er ooit iets in zou schrijven, iets fokking slims.
Na die avond heb ik nooit meer met hem gepraat. Twee maanden later vertelde hij een van mijn geheimen aan Avishag door. Twee jaar daarna ging hij in dienst, en toen hij terugkwam ging hij niet werken in de fabriek in het dorp waar ze onderdelen maken voor machines waarmee ze machines kunnen maken waar ze vliegtuigen mee maken, en ging hij ook geen vak leren zodat hij later meer betaald zou krijgen als hij in de fabriek in het dorp ging werken waar ze onderdelen maken voor machines waarmee ze machines kunnen maken waar ze vliegtuigen mee maken, maar bleef hij gewoon thuis en maakte tekeningen van soldatenkistjes. Dat weet ik omdat mijn zusje vorige week ging spelen bij zijn kleinste zusje, en toen ze terugkwam zei ze dat er overal tekeningen van kistjes en kistjes en kistjes hingen. De hele keuken was ermee behangen, de muur zag er zwart van.
‘Dan zegt dat hij je mist,’ zei mijn zusje. ‘Hij zei dat je nooit meer met hem gaat chillen,’ voegde ze eraan toe. En ze maakte er kusgeluidjes bij. Toen zette ze het geluid van haar Bully the Snow Man-tekenfilm heel hard zodat ik niet tegen haar kon schreeuwen.

Niet één huis is leeg

Als je iets in iemands schrift schreef, zou je in elk geval ook wel naar een feestje komen als degene van wie dat schrift was je uitnodigde.
Tegen de tijd dat we bij de telefoonmast aankomen weet ik vrijwel zeker dat het Dan is geweest die in het schrift heeft geschreven. Hij heeft iets geschreven tussen mijn definities van ‘rpg-kinderen’ en ‘iaf’ in. Ik denk dat ik nog steeds iets om hem geef. Ik denk dat hij nog steeds iets om mij moet geven.
Ik weet dat het onwaarschijnlijk klinkt, maar ik weet gewoon dat hij gewoon heel relaxed als Superman de klas in is komen lopen en daarna meteen het hek uit is gelopen. Ik zou anders Avishag wel gevraagd hebben of hij binnen was geweest toen ik weg was, en ik vraag me af waarom ze het niet gewoon vertelt, maar ik weet ook dat ze vast haar redenen heeft – als je broers hebt heb je redenen – en bovendien, ik ben er alleen maar vrijwel zeker van en vrijwel zeker is altijd nog beter dan het risico iets te weten te komen wat je niet weten wilt.
Ik kan bijna niet geloven dat we er niet eerder aan gedacht hebben om te kijken of we bij de telefoonmast geen bereik hadden. We zijn er nu zo dichtbij dat we in de schaduw van de mast staan, op de rotsachtige helling, en we schreeuwen, want zelfs met het beetje bereik dat we hier hebben kunnen de mensen ons nog moeilijk verstaan.
Er zijn een heleboel zeldzame dingen in dit dorp. Privacy, openbaar vervoer, volle melk. Maar het zeldzaamst van alles is een leeg huis. Om de zoveel tijd gaan de ouders van iemand op kosten van hun werk naar het stadje verderop, waar ze zich laten masseren en waar ze kunnen zwemmen in het zwembad van het hotel. Maar dat is mijn familie nog nooit overkomen, en trouwens bijna niemand die wij kennen. Meestal gaan ouders bij andere ouders koffiedrinken en stemmen ze erin toe om tot na elf uur weg te blijven, en stemmen ellendige broertjes of zusjes toe in logeerpartijtjes. Zo krijg je een leeg huis, en kun je bier drinken en roken en vrijen zonder je te hoeven generen.
Maar het lijkt erop of er vandaag voor onze klas geen enkel leeg huis is om een feest in te geven, niet één.
We hebben al twaalf mensen gebeld en we hebben vochtige kringen onder onze armen, maar we kunnen niet naar huis omdat mijn zusje thuis is en het kleine zusje van Avishag thuis is en we niet kunnen hebben dat zij ons dit soort plannen horen maken, net zo goed als zij ons over twee jaar ook niet willen laten meeluisteren als zij plannen maken voor een feest. Bovendien, ik kom nooit meer bij Avishag thuis nu Dan terug is. Ze wil me daar niet hebben.
Mijn zusje zou ons horen als we naar mijn huis gingen, en zij is het ergste. Op een vaste lijn hoor je alles. Als mijn moeder belt via de vaste lijn, maakt niet uit hoe laat op de avond, kan ik alles horen wat ze zegt, zelfs als ze fluistert, en kan ik het ook horen als ze huilt.
weet je het zeker?’ We staan in onze mobieltjes te schreeuwen.
Ja, Tali Feldman weet het zeker. Haar moeder wil niet dat zij een feest geeft als het huis leeg is omdat ze bang is dat de vrienden van haar dochter nog meer van haar Roemeense serviesgoed breken, en de moeder van Noam wil niet dat haar dochter een feest geeft als het huis leeg is omdat ze bang is dat de vrienden van haar dochter de huisvrede zullen breken, en de moeder van Nina wil niet dat haar dochter een feest geeft als het huis leeg is omdat ze bang is dat de vrienden van haar dochter het maagdenvlies van haar dochter zullen breken: ze is een beetje aan de godsdienstige kant.
We komen er ook achter dat Lea een feest geeft, dat zij een leeg huis heeft omdat haar moeder en vader zich laten masseren in het hotel in het stadje in de buurt, maar dat haar moeder heeft gezegd dat ik niet ben uitgenodigd omdat ik de laatste keer een pot met kastanjes heb gebroken en Lea tegen haar gezegd heeft dat ik dat had gedaan. De echte reden is dat Avishag en ik de enigen zijn die niet superbang zijn voor Lea, omdat wij met haar speelden voor ze superpopulair was, toen ze nog met anderen speelde in plaats van ze te bespelen.
Ik vertelde Dan die dag op dat bankje al mijn geheimen. Een daarvan was dat Avishag en ik nog met poppen speelden. Dat is iets wat we zelfs geheimhielden voor Lea, al vanaf dat we in groep zeven zaten. Het was eigenlijk nog leuker om met poppen te spelen toen we in de brugklas zaten, omdat we toen dingen konden bedenken waar we eerder nog niet op zouden zijn gekomen. De poppen konden geel waterijs uitspugen en een andere pop daarmee onderkotsen, waarna de fik erin ging. Ze konden een middel tegen kanker uitvinden of beginnen met roken of rechten gaan studeren. Het was lachen.
Toen Avishag erachter kwam dat ik haar broer had verteld dat we nog met poppen speelden, kwam ze om acht uur de volgende morgen de klas in, deed ze mijn rugzak open en gooide ze mijn sandwich op de grond, waar iedereen bij zat, en ging ze erop staan en begon ze te gillen. Er sijpelde rood en geel vocht op de grond toen ze ook nog op mijn tomaten met mayo ging staan springen.
‘Walgelijk,’ riep ze. ‘Hij is mijn broer, misselijke, misselijke trut. Je hebt een vriendje! Wie denk je wel dat je bent? Ik ken je niet eens.’ Ook dat was zeldzaam, dat ze zo uitviel.
We deden een tijdje alsof we elkaar echt niet kenden, want we kenden elkaar ook echt niet, dat zou ik niet ontkennen, maar ik wist sowieso niet of er nog wel iemand was die ik kende. Emuna kwam naast mij zitten in plaats van Avishag, en Avishag ging naast Noam zitten.
Toen ging Dan in dienst. Dat was gebruikelijk, hij was achttien, en het was ook gebruikelijk dat Avishag en ik vergaten wat ze over hem gezegd had. Maar ik weet dat ze vindt dat ze mij niet kent. Dat zal ik altijd weten.
‘Zijn rpg-kinderen van die kleine rpg’s waar je geen granaatwerper voor nodig hebt?’ vraagt ze voor we weer bij de telefoonmast weggaan.
‘Nee,’ zeg ik. ‘Jij denkt aan die sovjethandgranaten die ook rpg’s heetten, maar die gebruikte niemand meer in de tijd van de oorlog voor de vrede van Galilea. Jij denkt aan het verleden. Ik laat je alle definities nog wel overschrijven.’

[...]

© 2012 Shani Boianjiu
© 2013 Nederlandse vertaling Ambo|Anthos uitgevers, Amsterdam en Auke Leistra
© Auteursportret Alon Sigavi

Uitgeverij Ambo|Anthos

MINDBOOKSATH : athenaeum