Leesfragment: Het reisverbod. Requiem voor Linda B.

27 november 2015 , door Ismail Kadare

7 januari verschijnt Ismail Kadares Het reisverbod. Requiem voor Linda B. Wij publiceren voor. 'Aha, dacht hij. Dat was het dus. De theaterzaal, de rood pluchen stoelen, het doodstille publiek, en dan ineens een daverend, langdurig applaus met daardoorheen kreten als: "de schrijver op het toneel! de schrijver!" - dat stond nu niet op het spel. Het was vanwege dat meisje dat hij problemen had - als in een felle, witte lichtflits zag hij haar decolleté en haar betraande gezicht voor zich - en waarom, dat wist hij niet.'

De beroemde toneelschrijver Rudian Stefa wordt door een onderzoekscommissie van de partij ondervraagd over zijn relatie met een meisje. Ze doelen op zijn minnares Migena, denkt hij, maar dat blijkt een misverstand. Het gaat hen om een vriendin van haar: Linda B., een meisje dat zelfmoord heeft gepleegd. Het vreemde is: hij heeft Linda B. eigenlijk niet gekend. Hij heeft alleen ooit, na een première, een boek voor haar gesigneerd - maar zonder te weten dat het exemplaar voor haar bestemd was.

Waarom wordt Rudian over Linda ondervraagd? Wat is haar relatie met Migena? Waarom pleegde zij zelfmoord? Linda B. blijkt op afstand verliefd te zijn geweest op Rudian, en hij op zijn beurt kan nu maar geen afscheid nemen van de mysterieuze figuur Linda B., het meisje uit de verbannen familie dat zo hartstochtelijk hield van Tirana, de stad die ze nu nooit te zien zou krijgen.

In Het reisverbod verweeft Ismail Kadare op fenomenale wijze de waanzin van het leven in communistisch Albanië met het mythische verhaal over Orpheus en Eurydice. Een intens tragische geschiedenis over liefde, macht en noodlot.

1

Tot bij het begin van de Rruga e Dibrës was het Rudian Stefa gelukt om nergens aan te denken. Pas toen hij tegenover hotel Tirana stond, aan de noordkant van Sheshi i Skënderbeut – het Skënderbeuplein, voelde hij een lichte paniek opkomen. Hij hoefde alleen nog het plein over te steken en dan stond hij voor de ingang van het gebouw van de communistische partij. Hij kon zich nu niet meer zo koelbloedig voordoen als hij had gewild, en ook kon hij geen moed ontlenen aan de gedachte dat hij een zuiver geweten had. Hij zag alleen het plein voor zich, en hoe groot het ook was, voor iemand die bij het partijcomité was ontboden zonder dat hij wist waarom, duurde het veel te kort om het over te steken.
Met een razende snelheid, alsof hij alleen zo de verloren tijd kon inhalen, overzag hij de twee dingen waardoor hij in de problemen kon zijn geraakt. Het ene was zijn nieuwe toneelstuk, dat al twee weken wachtte op een officieel fiat om te worden opgevoerd; het andere was zijn relatie met Migena.
Op ieder ander moment zou dat laatste hem meer reden tot ongerustheid hebben gegeven dan zijn toneelstuk. Hij kwam net voorbij de Nationale Bank toen hij de afloop van zijn laatste ruzie met haar opnieuw met een ondraaglijke helderheid voor zich zag. Ze stonden op de plek waar ze al eerder onenigheid hadden gehad, de boekenkast maakte daar een rechte hoek met het raam. Er waren bijna dezelfde woorden gevallen en opnieuw had ze gehuild. In feite maakte hij zich daar nog de meeste zorgen over. Als ze niet zo vaak had gehuild, had hij misschien al twee weken eerder een einde aan hun relatie gemaakt. Hij zag haar vooral als een wat geëxalteerd meisje van de kunstacademie dat niet wist wat ze wilde en niet kon zeggen waarom ze elk moment in tranen uitbarstte. Keer op keer hoopte hij te weten te komen wat daarachter zat, als er tenminste iets achter zat. Hij wist zeker dat dit de laatste keer was. ‘Wat is er toch?’ had hij boos gevraagd. ‘Zeg het me, dan weet ik het tenminste ook.’
‘Dat kan ik niet, ik weet het zelf ook niet,’ had ze geantwoord.
‘Zo, weet je het zelf ook niet? Echt niet? Vind je jezelf zo spannend en mysterieus? Met van die trucjes à la Marlène Dietrich, zo van: ik houd van je, ik houd niet van je? Is dat het?’
Hij merkte dat hij zijn zelfbeheersing verloor: ‘Dan zal ik je dit zeggen: je bent niet mysterieus of interessant, je bent gewoon...’ Het lag op zijn lippen om te zeggen: een grietje uit de provincie, maar hij wachtte even en zei: ‘Je bent gewoon schizofreen, of... zit je me soms te bespio...’
Ook al had hij de rest van het laatste woord nog net kunnen inslikken, het kwaad was al geschied.
‘Nee,’ had ze gezegd, maar niet zo stellig als hij had verwacht. ‘Ik ben niet schizofreen en ik zit je ook niet te bespioneren.’ ‘Nou, kom op dan, vertel dan eindelijk eens wat er aan de hand is! Kom op! En zeg niet dat je het niet weet.’
Met een onverwachte beweging was zijn hand uitgeschoten, en hij deed iets wat hij eerder in zijn leven twee of drie keer bijna had gedaan zonder dat het echt zover was gekomen: hij greep haar bij de haren. Hij leek zijn vingers eraan te branden en had gedacht dat hij ze meteen weer zou loslaten, maar zijn vingers hadden hem niet willen gehoorzamen, en erger nog: hij had haar hoofd, dat hij enkele momenten eerder nog zo teder had gestreeld, woedend tegen de boekenkast geduwd. Er vielen een paar haarspelden op de grond, gevolgd door enkele boeken, waarvan zijn ogen als die van een krankzinnige de schrijvers en de titels registreerden: Scott Fitzgerald. Toponiemen van Albanië en Kosovo. Plutarchus.
Het was nog maar veertig seconden lopen tot de ingang van het partijgebouw, maar dat was lang genoeg om te bedenken dat het hem waarschijnlijk niets kon schelen als mocht blijken dat ze hem had aangegeven. In feite zou hij dat minder erg vinden (ook al ging het misschien om dat woord ‘bespioneren’), dan dat hij te horen kreeg dat er problemen waren met zijn toneelstuk.
Wat ben je toch een domoor, zei Rudian bijna hardop tegen zichzelf, want blijkbaar onderschatte hij de risico’s die je door een aangifte liep; toch leek dat risico hem nauwelijks te deren. Diep in zijn hart hoopte hij zelfs dat ze hem inderdaad had aangegeven.
Pas toen hij door de hoofdingang het gebouw betrad, begreep hij waarom: wat voor problemen hij ook zou kunnen krijgen, er was geen ongeluk zonder geluk, zoals het gezegde luidde. Hij hoopte vooral dat hij dan iets meer zou begrijpen van wat hem nu al twee weken lang bezighield: de raadsels waardoor Migena leek te zijn omgeven.

Hij herkende de tafels die in een U-vorm stonden opgesteld, maar het was de eerste keer dat hij als enige aan de rechterkant ervan moest plaatsnemen. Aan de korte kant van de U zat de tweede partijsecretaris, met naast hem nog iemand, die hij niet kende. Waarom hadden ze hem laten komen zonder vooraf iets te vertellen? Een glas water of een kopje koffie kon er blijkbaar niet vanaf, en een ‘excuseert u ons voor het ongemak’ evenmin; zelfs zo’n zinloze frase als ‘hoe is het om scheppend kunstenaar te zijn?’, waaraan hij zich meestal blauw ergerde, leek vandaag te veel gevraagd.
Hij voelde een onbestemde woede opkomen, zo’n gevoel dat je kon helpen om ten minste je waardigheid te bewaren, zoals zijn vriend Llukan Herri zou zeggen, en hij ging fier rechtop zitten.
De tweede partijsecretaris leek zijn gedachten te hebben geraden en zei zonder enige inleiding dat de partij grote bewondering had voor zijn werk als toneelschrijver; daarom had men hem dan ook verzocht naar het partijgebouw te komen om te worden gehoord in verband met een kwestie waarover ieder ander bij de onderzoeksrechter een verklaring zou moeten afleggen. Nog voordat hij uitgesproken was, maakte hij een gebaar in de richting van de onbekende man, die mogelijk als onderzoeksrechter werkte en de beide anderen met een minzame glimlach aankeek.
‘We zijn op zoek naar een verklaring, of liever gezegd: naar twee of drie heel simpele verklaringen,’ zei hij, met een korte blik op de papieren die voor hem lagen. ‘En misschien zou u ons daarbij willen helpen.’
‘Vast en zeker,’ antwoordde Rudian Stefa. Het ging natuurlijk over het tweede bedrijf, dacht hij. Waarin de geest van de dode partizaan verscheen. Het was hem opgevallen dat de meeste fouten, voor zover je het fouten kon noemen, aan het einde van het tweede bedrijf zaten. Toch begreep hij niet waarom hij zich daarvoor tegenover een onderzoeksrechter zou moeten verantwoorden, en niet, zoals je zou verwachten, bij de artistieke raad van het theater.
‘Het gaat om een uiterst delicate kwestie,’ zei de onderzoeksrechter.
‘Maar toch begrijp ik niet waarom ik daarover hier uitleg moet geven,’ zei de toneelschrijver.
De beide functionarissen keken elkaar aan.
‘Kameraad schrijver,’ antwoordde de tweede secretaris, ‘ik vertelde u net dat dit verband houdt met het respect dat de partij voor u koestert. Als u liever op het bureau...’
Rudian beet op zijn onderlip en maakte een onbestemd handgebaar; hij slaagde er echter niet in zijn opwinding te verbergen.
Van de onderzoeksrechter... vulde hij in stilte aan. Was het echt zo serieus?
‘Ik luister,’ zei hij.
De onderzoeksrechter keek even in zijn aantekeningen. ‘Het gaat om een jong meisje,’ sprak hij langzaam en bedachtzaam. Aha, dacht hij. Dat was het dus. De theaterzaal, de rood pluchen stoelen, het doodstille publiek, en dan ineens een daverend, langdurig applaus met daardoorheen kreten als: ‘de schrijver op het toneel! de schrijver!’ – dat stond nu niet op het spel. Het was vanwege dat meisje dat hij problemen had – als in een felle, witte lichtflits zag hij haar decolleté en haar betraande gezicht voor zich – en waarom, dat wist hij niet.
Blijkbaar had zij geweten dat er iets niet klopte, dacht hij verbitterd. En ook dat het verkeerd moest aflopen.
De rechter vroeg: ‘Nou, kent u dat meisje?’ en daarna nog iets anders, of misschien noemde hij haar naam, maar Rudian was te gespannen om zich te kunnen concentreren. Waarom wist zij van zijn problemen af, en hijzelf niet, vroeg hij zich met enig zelfmedelijden af.
‘Dus u kent haar,’ zei de rechter, in het dossier bladerend.
Rudian knikte en probeerde weer iets terug te vinden van de woede die om een of andere reden uit hem leek te zijn weggevloeid. En wat dan nog? dacht hij. Wat was daar voor misdadigs aan? Ja, vroeger werden zulke relaties veroordeeld, vooral tussen mensen die een zeker aanzien genoten en daarom een voorbeeldfunctie vervulden en van onbesproken gedrag dienden te zijn. Tegenwoordig namen weinigen er echter nog aanstoot aan. Tenzij er een schandaal uit voortkwam, een of meerdere gezinnen ontwricht dreigden te raken of er sprake was van een relatie met iemand uit de voormalige, nu naar de marge verbannen elite. Of wanneer het meisje in kwestie een aanklacht had ingediend.
Voordat hij zich kon afvragen waarover Migena een aanklacht kon hebben ingediend, moest hij weer denken aan zijn lompe gedrag bij de boekenkast en aan het woord ‘bespioneren’, waaraan zij zich waarschijnlijk nog het meest had gestoord. Hebt u het woord ‘bespioneren’ gebruikt, ja of nee? Wij willen graag weten in welke betekenis. Bespioneren, voor wie, namens wie? U weet toch dat ons land van de diensten van spionnen geen gebruik maakt... Hij had spijt van dat stomme rotwoord, en zonder te wachten op wat hem gevraagd werd, begon hij in stilte zijn antwoord te formuleren. Het was hem ontvallen zonder politieke bijgedachten, hij had het eruit geflapt in een aanval van razernij, typisch iets voor mensen die in het dagelijks leven geneigd waren om iets te grote woorden in de mond te nemen.
‘Ik neem aan dat u het mij niet euvel duidt als ik u vraag wat de aard van uw relatie met haar was?’ vroeg de onderzoeksrechter.
‘Nee, helemaal niet,’ antwoordde Rudian Stefa, opgelucht dat zijn vriendin geen onaangename details had verteld. ‘Ik zal er geen geheim van maken, het was, of liever gezegd: het is een liefdesrelatie... een intieme relatie, zoals men zegt.’
‘Zo?’ antwoordde de ander. ‘Dus een liefdesrelatie, met afspraakjes en alles wat daar verder bij komt?’
‘Inderdaad,’ zei Rudian.
De tweede secretaris en de onderzoeksrechter keken elkaar zichtbaar verbaasd aan.
‘Is daar iets ongeloofwaardigs aan?’ vroeg de toneelschrijver. ‘Als ik het zou ontkennen, wat de mensen nogal eens doen, als ik zou zeggen: ik ken haar niet, ik heb haar nog nooit gezien enzovoort, dan had u het volste recht om aan mijn woorden te twijfelen. Maar ik verzwijg niets. Ik geef het openlijk toe: ik heb een verhouding met haar. Een liefdesrelatie dus, en wat is daar mis mee?’
De beide mannen keken hem strak aan.
‘Ik bedoel: is het inderdaad zo erg dat de partij het als een probleem beschouwt?’
Misschien zou hij moeten zeggen: natuurlijk, het is niet iets om trots op te zijn, maar toen dacht hij ineens aan zijn vriendin Albana.
Lieve hemel, dacht hij. Hoe had hij zo vergeetachtig kunnen zijn? Hoe was het mogelijk dat uitgerekend zij, de persoon aan wie hij die ochtend het eerst had moeten denken, even zo volledig uit zijn herinnering was verdwenen?
‘Misschien weet u...’ begon hij aarzelend, ‘dat ik...’
Misschien wisten zij – waarom zouden ze het niet weten? – dat hij al geruime tijd samenwoonde met een jonge vrouw die net haar artsexamen had gedaan en met wie hij waarschijnlijk deze zomer zou zijn getrouwd als zij niet vier maanden naar Oostenrijk was gegaan om daar een aanvullende opleiding te volgen. Een opleiding om patiënten onder narcose te leren brengen, of, zoals het in medisch jargon heette: tot anesthesiste. Hij vroeg zich af of hij daarmee enkele overbodige, wellicht zelfs dwaze details zou vertellen die voor niemand relevant waren. Toch konden ze er misschien iets uit afleiden. Als een vrouw lang in het buitenland verbleef, zou dat – zoals in dit geval – de nodige problemen kunnen opleveren.
Het was niet makkelijk om met een verklaring te komen. Hij probeerde het, maar gaf het uiteindelijk op en vroeg alleen nog een keer wat hij niet meer had willen vragen: ‘Wat is daar mis mee?’
De partijsecretaris fronste zijn voorhoofd. ‘Daar is heel wat mis mee,’ zei hij ten slotte, en hij bladerde nog een keer in het dossier. ‘Want volgens onze gegevens is dat meisje nooit in Tirana geweest.’
Rudian Stefa moest lachen.
‘Neemt u mij niet kwalijk, maar dat zou ik toch het best moeten weten.’
De onderzoeksrechter probeerde ook even te glimlachen. ‘Maar wij weten ook heel goed wat we moeten weten – dat is namelijk ons werk.’
‘Daar twijfel ik niet aan,’ zei de toneelschrijver. ‘Ik snap alleen niet wat er aan de hand is. Het heeft allemaal iets bizars. U vraagt mij hier te komen omdat u iets over een meisje wilt weten. Ik vertel u dat ik een relatie met haar heb. En dan zegt u dat ik geen relatie met haar kan hebben omdat ze nooit in Tirana is geweest. Ik wil u niet tegenspreken, maar toch zou ik u, als ik zo vrij mag zijn, willen vragen: als dat zo is, waarom hebt u mij dan laten komen?’
‘Laten we alles nog eens rustig doornemen,’ zei de tweede partijsecretaris. ‘Ik begin namelijk te vermoeden dat er sprake is van een misverstand. Misschien hebben we het over twee verschillende personen.’
De rechter zat nog steeds in het dossier te bladeren, blijkbaar zocht hij ergens naar. De twee anderen keken toe totdat hij gevonden had wat hij zocht.
‘Ik neem aan dat u dit kent,’ zei hij, en hij overhandigde de toneelschrijver een boek.
Rudian Stefa wierp zijn hoofd trots achterover.
‘Dat ken ik heel goed,’ zei hij. ‘Ik herken zelfs de opdracht, met mijn handtekening eronder.’
Zijn blik bleef even op de gesigneerde titelpagina rusten. ‘Aan Linda B., als herinnering aan Rudian Stefa. 12 juni’.
‘Dat is mijn handschrift, en ook mijn handtekening, maar ik weet niet hoe dat meisje heet.’
‘Tja, ziet u wel?’ vroeg de rechter.
Verdomme, dacht de toneelschrijver, want bij het zien van de letter B. schoot hem ineens iets te binnen.
‘Dat kan ik net zo goed zeggen,’ zei hij, duidelijk geïrriteerd.
‘We hebben het over twee verschillende personen,’ concludeerde de tweede partijsecretaris.
Rudian Stefa sprong bijna uit zijn vel. Hij had onnodig een van zijn geheimen prijsgegeven. Idioot, schold hij zichzelf uit. Hij herinnerde zich nog iets anders: het onbekende meisje was niet zelf naar Tirana gekomen. Iemand die zijn boeken las, maar niet naar Tirana kwam... iemand die een boek door hem wilde laten signeren, maar er niet zelf om kwam vragen.
‘Ik begrijp er niets van,’ zei hij. U vraagt mij om bij het partijcomité te komen omdat u van mij wilt weten of ik een relatie met een meisje heb, en omdat ik denk dat dit voor de partij van belang is, zeg ik u de waarheid. Dan zegt u dat het meisje niet mijn geliefde kan zijn omdat ze nooit in Tirana is geweest... ik weet niet wat ik daarvan moet denken. En ten slotte laat u mij een boek zien dat door mij is gesigneerd. Maar dat was voor een ander meisje, voor iemand die ik niet ken, en nogmaals: ik vraag me af wat ik voor verkeerds of misdadigs heb gedaan.’
‘Niet zo haastig,’ zei de tweede partijsecretaris. ‘Blijkbaar is er inderdaad sprake van een misverstand, maar dat was geen kwade opzet van ons... Hoe het ook zij, het meisje voor wie u het boek hebt gesigneerd, met daaronder “als herinnering aan Rudian Stefa”, heeft wel degelijk een probleem, of liever gezegd: ze had een probleem, en niet zo’n gering probleem ook.’
Rudian Stefa voelde een leegte vanbinnen.
‘En zou ik mogen weten wat dat voor probleem is?’ vroeg hij zacht.
‘Natuurlijk,’ was het antwoord. ‘U mag, en sterker nog: u moet het weten. Want dat meisje heeft... of liever gezegd: had een reisverbod.’
Aha, dacht Rudian. Hij had nog iets over die merkwaardige afwisseling van tegenwoordige en verleden tijd willen vragen, maar was te moe om nog een woord uit te brengen. Natuurlijk, dacht hij, daarom kon ze niet naar Tirana komen... Ze mocht het niet...
Hij had even het gevoel dat de leegte in hem snel toenam. Hij hoorde een torenklok slaan, maar ook dat geluid leek vanuit een grote, lege ruimte tot hem door te dringen.
En dus? vroeg hij bij zichzelf, alsof hij de torenklok antwoord gaf.

© 2013 Nederlandse vertaling Roel Schuyt | Uitgeverij Van Gennep

Uitgeverij Van Gennep

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum