Leesfragment: Tobi

27 november 2015 , door Vincent Overeem

24 januari verschijnt de tweede roman van Vincent Overeem, Tobi. Wij publiceren een fragment voor. 'In ons ondergoed sluipen we over dat zonovergoten grasveld, die mensen staan al in de keuken, de makelaar leunt met zijn rug tegen het raam. We horen ze praten. En als ik ze de hal in zie lopen, trek ik Nickie mee naar binnen. De keuken ruikt naar stilstaand water, maar erdoorheen ruik ik de geur die er altijd heeft gehangen. Nickie lacht ingehouden en gaat op het aanrecht zitten, ze doet de kraan open en dicht.'

In het bos vlak bij het dorp waar ze woonde wordt het levenloze lichaam van Nickie gevonden, het zeventienjarige meisje over wie iedereen kwaadspreekt, het meisje dat bloedmooi is, en onhandelbaar. Wat heeft de veertienjarige Tobi ermee te maken en waarom trok hij de weken voor haar dood met haar op? Wat vertelde hij haar over zijn moeder, die een paar weken eerder is overleden en die hij niet kon loslaten? Gaandeweg komt de lezer erachter hoezeer hun levens zijn verstrikt. 
Tobi is het subtiele verhaal over de obsessieve verhouding tussen een moeder en een zoon, en over de radeloze weken waarin de liefde voor Nickie haar beklemmende einde vindt.

 

In ons ondergoed sluipen we over dat zonovergoten grasveld, die mensen staan al in de keuken, de makelaar leunt met zijn rug tegen het raam. We horen ze praten. En als ik ze de hal in zie lopen, trek ik Nickie mee naar binnen.
De keuken ruikt naar stilstaand water, maar erdoorheen ruik ik de geur die er altijd heeft gehangen. Nickie lacht ingehouden en gaat op het aanrecht zitten, ze doet de kraan open en dicht. ‘He, pleaser,’ zegt ze zachtjes en ik vraag haar meteen hoe ze van die bijnaam weet. Ze laat zich van het aanrecht glijden, haalt haar schouders op en zegt: ‘Je bent het toch gewoon?’
Ze wenkt, ze wenkt me de hal in, het marmer voelt koud aan mijn voeten. En we lopen langs de openstaande deur, de bezoekers praten in de serre, ze hebben de deuren naar de tuin opengezet. Je voelt de tocht door het huis heen gaan.
Ze draait zich in die hal naar me om, haar ogen staan vrolijk en nu geloof ik dat de oude Nickie weer terug is. Ze is zo verrekte knap met dat stoere natte haar en die mond met de kaarsrechte tanden. Ik zeg het haar zachtjes, ze kijkt me dankbaar aan, ze is goed in het ontvangen van een compliment. Ik zeg haar ook dat Ciel Taminiau niet knap is, dat ik haar verlepte moeder in haar zie, dat die al uit haar tevoorschijn komt, en Nickie lacht en zegt: ‘Nee, daar hoef je bij mij niet bang voor te zijn.’ Ik zeg dat ik me bij die halve zoen van Ciel een klootzak voelde, ik kon er niks aan doen. ‘Het kwam door... door...’ Ze drukt haar wijsvinger op mijn mond.
‘Door het groepje,’ fluistert ze. ‘Weet ik toch? Wat anders?’
En op dat moment naderen de voetstappen, de bezoekers staan stil in de eetkamer, Nickie loopt snel naar de volgende deur, opent hem voorzichtig en we gaan de zitkamer in. Ik zeg dat ze hier behoorlijk de weg weet, ze grinnikt en drukt haar handen tegen de gesloten paneeldeuren. Ze legt haar oor te luisteren. ‘Hou je bek ’s?’ fluistert ze. ‘Ik wil horen wat ze zeggen.’ En terwijl ze luistert kijk ik naar die kont en die vlekkeloze huid en die sliert nat haar in haar nek.
Na een tijdje draait ze zich weer om en trekt een vies gezicht, ze fluistert: ‘Getver. Normale dingen. Al die fucking mensen hier in dit dorp. Wat willen ze nou?’ Ze legt haar handen op haar rug en kijkt me uitdagend aan. Jezus, denk ik, ze zouden die paneeldeuren aan de andere kant open moeten trekken, ze zouden niet weten wat ze zagen. ‘Daar lag jij,’ fluistert ze opeens.
Ik kijk om naar waar ze naar wijst. Naar de hoek waar de bank stond. Waarop mijn moeder heel vaak zat.
‘Je lag daar. Je was ziek. Je moeder was heel bezorgd. Ze ging alsmaar kijken en je vader werd er gek van.’
‘Waar heb je het over?’ vraag ik. ‘Wanneer?’
En jezus, hoe ze nu kijkt, ze trekt me naar zich toe met die blik, ik stap op haar af en plaats mijn beide handen tegen de paneeldeuren, zodat ze niet weg kan.
‘Zeg het dan, Nickie, wanneer?’
Ze schudt plagerig haar hoofd en ik voel en ruik haar adem, zo dicht staan we bij elkaar. Ik laat mijn handen zakken en ze pakt mijn hoofd vast. Ze woelt door mijn haren en ik weet niet wat het is,het is alsof ze me daar staat te troosten, alsof ze mijn moeder is, terwijl ze me troost vanwege mijn moeder, en nou duwt zemijn kin omhoog, ze zucht, we luisteren naar die stemmen. Ik weet dat ik haar nu kan zoenen, dat ze het ook van me verwacht, hoewel ik drie jaar jonger ben, en ik buig mijn gezicht al naar het hare, maar op dat moment trekt er iemand van de andere kant aan die deuren. Ze gaan niet meteen open, ze klemmen, ze hebben altijd geklemd, en ik neem Nickie mee. En als ze toch piepend opengaan, stappen wij net weer de hal in, en daarna door de andere deur naar de kamer waar die mensen zo-even stonden. Echt, hoe kalmer je alles doet, hoe kleiner de kans is dat je wordt gezien.
We verstoppen ons achter de open kast naast de deur, we luisteren naar de dingen die deze mensen zeggen, naar het domme praatje van de makelaar. Ik heb de drang om tevoorschijn te komen en te zeggen dat dit mijn huis is, dat ik hier geboren ben. Dat dit hier stond en dat daar. Dat onze spullen hier horen, onze spullen, niet die van hen. Dat mijn moeder dood is, en of ze nu alsjeblieft willen gaan. En Nickie merkt het, ze houdt me tegen door me te omhelzen, ze zucht, het is heel prettig. Ik fluister in haar oor dat mamma een keer gek geworden was, toen ik met haar alleen was, en dat ik die dagen vreemd genoeg mis. ‘Ik mis het gewoon. Ik was hartstikke bang en toch wil ik het terug.’ Ze pakt me steviger vast, ik merk zonder haar gezicht te kunnen zien dat ze triest wordt van mijn woorden. ‘Net als dit,’ fluister ik. ‘Het is droevig en fijn tegelijk.’ Ik voel dat ze knikt, ze haalt haar neus zacht op. ‘Heel fijn. Zo fijn,’ fluistert ze terug.
Die mensen stappen de hal in, en lopen door naar de werkkamer van mijn vader. Nickie laat haar armen zakken en we kijken naar elkaar. Haar ogen die je niet loslaten. Die felle bruine ogen. De sliert haar tegen haar wang geplakt. Haar adem die sneller lijkt te gaan en die van mij ook, ik kus haar neus, haar mond, we zoenen, hij is zoveel beter dan die van Ciel Taminiau, die eerste echte zoen van mij. Ik proef haar lippen en voel haar tong tegen de mijne, maar ze is gelukkig voorzichtig met haar tong.
Alleen, de zoen duurt kort, want opeens duwt ze me van zich af. Ze kijkt opzij en gaapt. ‘Niet mijn type,’ fluistert ze, en haar blik is zo anders. Ze is een tweeling, denk ik, of een drieling of een vierling, met zijn hoevelen zijn ze wel niet in dat hoofd? Ze stapt de zitkamer in, ze kijkt me minachtend aan.
Maar meteen wenkt ze me weer, ik stap op haar af, ze zegt: ‘Zie je dat je een pleaser bent?’ En ik geloof dat ik op dat moment ook doorheb hoe alles weer van voren af aan begint, hoe Nickie me bij zich wil en ook niet, precies zoals bij mijn moeder.
Ik volg haar de hal in. We lopen langs de oude werkkamer van mijn vader, we zien die mensen kijken naar de hoge roodmarmeren schouw. Ik houd mijn pas in en op dat moment draait het jongetje zich om en snel sluip ik Nickie achterna de trap op. We horen hem vragen: ‘Wie is dat, mamma?’
‘We zijn in gesprek, lieverd,’ is het antwoord.

Copyright © 2013 Vincent Overeem
Copyright auteursportret © Krijn van Noordwijk

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum