Leesfragment: Woesten

27 november 2015 , door Kris Van Steenberge

Aan het begin van elke maand presenteert Athenaeum in samenwerking met Recensieweb.nl voorpublicaties van de Nederlandstalige prozadebuten van die maand, dit keer: Woesten van Kris Van Steenberge: 'Elisabeth zat op de rand van haar bed. Ze had voor de lieve vree de schorseneren nog gekuist. Haar handen kleefden, zaten vol met vlekken. Ze keek ernaar. Mijn leven staat stil, dacht ze. Sinds die dag. Ze kon zich de geur van het bureau moeiteloos herinneren: boenwas en gesteven rokken.'

Woesten brengt ons naar de Vlaamse klei, waar de negentiende eeuw ten einde loopt. In het dorp treedt Elisabeth, dochter van de smid, in de echt met de jonge arts Guillaime Duponselle. Het zal geen gelukkig huwelijk worden. Als Elisabeth acht maanden later van een tweeling bevalt, blijkt de eerstgeborene een prachtige zoon, Valentijn. Het tweede kind is zo mismaakt dat Guillaume weigert hem een naam te geven. Toch blijft Nameloos in leven. Omdat hij vader en dorpelingen doet huiveren, gaat Nameloos gesluierd door het leven.
Dan doet de Eerste Wereldoorlog zijn intrede.
Woesten vertelt het broeierige verhaal vol dorpsgefluister achtereenvolgens vanuit Elisabeth, Guillaume, Valentijn en Nameloos. Voor alle vier pakt de toekomst anders uit dan verwacht.

Kris Van Steenberge (1963) is (toneel)schrijver, regisseur en docent. Hij woont in Lier. De waarheden en de verzwegen feiten van zijn grootvader over de 'Groote Oorlog' waren de kiemen voor deze roman. De lentezon die scheen over de zerken in Vleteren gaf de doorslag. Het verhaal deed de rest.

Vleugels

I

Was het de wind die haar naar hem toe liet lopen? Of gaf het lot haar een zetje? Hij stond onder een eenzame boom naast het bietenveld, in een lange jas gehuld, een grijze hoed op het hoofd, de rug naar haar toegekeerd. Ze twijfelde even tussen de preek van haar moeder, spreek zomaar geen vreemde mensen aan, en haar eigen nieuwsgierigheid, hij komt misschien wel uit de stad. Toen ze tot vlak bij hem genaderd was en hij zich omdraaide, zag ze pas wie het was. Mijnheer Funke. Geen vreemdeling dus. Hoewel.
‘Een mens vliegt hier bijna omver,’ zei Elisabeth. Het klonk een beetje te volwassen.
‘Hij komt uit het westen,’ antwoordde mijnheer Funke. ‘Nog een dag of twee. Dan gaat hij liggen.’ Een warme stem.
Ze had hem nog nooit horen praten, maar had hem wel een keer bij vader in de smidse gezien, met tekeningen voor een balustrade van het bordes van Zulma’s huis. Er moest een leeuw in verwerkt worden met een roos in zijn muil. De leeuw was er gekomen en de bloem in zijn muil ook, en al begreep niemand wat het betekende, men vond het schoon, en goed gevonden en passend bij zo’n groot huis in de hoofdstraat. Vader was er weken mee bezig geweest en hij had zijn centen gehad, op tijd en stond, in schijven.
‘Ik hou er wel van,’ zei Elisabeth.
Hij keek haar aan en zweeg.
‘Ik hou van zo’n wind,’ ging ze verder. ‘Hij blaast gelijk het hoofd van een mens leeg.’
Hij kuchte even: ‘Zit jouw hoofd dan zo vol?’ Een strakke blik, maar niet onvriendelijk.
‘Barstensvol,’ zei ze.
‘Jij leert zeker veel op school?’ In zijn ogen las ze nieuwsgierigheid.
‘Ik ga niet meer naar school…’ ze aarzelde even, ‘… dus mijn hoofd zit vooral vol met de dingen die ik niet weet.’
Hij grinnikte. ‘Dingen die je niet weet, zijn de mooiste. Er zit verlangen in verscholen.’
Ze begreep die woorden niet zo best maar ze kon er wel uit opmaken dat hij haar ernstig nam.
Donkere wolken. Het zou gaan regenen.
Samen liepen ze huiswaarts. Hij had een stevige pas waarvan zij het tempo probeerde te volgen met vrolijke huppelsprongen die haar vlechten en haar jurk deden opwippen. Hij zweeg en zij vertelde. Ronduit. Over zuster Imelda, de ijzeren hand van de nonnenschool. Over bronstige hengsten die in de smidse niet stil wilden blijven staan. Over de scheur in de stof van moeders kerkstoel. Over de keien die ze verzamelde, van kinds af aan al, omdat ze stellig geloofde dat je verhalen van lang geleden kon horen als je ze tegen je oor hield. Maar je moest het wel geloven. Ze vertelde ook alles over de dag dat de zwaluw stierf, drie jaar geleden. Hoe godsjammerlijk dat wel was, omdat ze nu geen ontdekker kon worden, of uitvinder, of kunstenaar of zo. Ze zou nu nooit haar eigen naam kunnen geven aan iets. Aan een lied, een automobiel, een eiland, een viool, een toneelstuk. Om het even wat.
‘Wil je dat dan?’ vroeg hij.
‘Wie niet,’ antwoordde Elisabeth. ‘Pas dan blijf je leven na je dood.’
Enkele losgekomen blonde haren wapperden dartel in haar blote hals.
‘Ik wil niet dat je zo lang wegblijft.’ Moeder wreef zenuwachtig met beide handen over de mouwen van haar gebloemde schort.
Moeders maken zorgen, dacht Elisabeth, ze hebben er geen.
‘Je beloofde me te helpen met het order van vrijdag.’ Ze ging bij het raam zitten en nam haar kantwerk. De bloemen, de druivenranken, de dieren, de vele sierlijke krullen, al dat minutieuze werk had haar ogen kapotgemaakt. Een bril drong zich op, maar dat wou ze niet toegeven.
De Kalfskop zou er vrijdag staan, in een mooi pak, over de keukentafel gebogen, uiterst zorgvuldig de werkstukken nakijkend op kleine foutjes met zijn geoefend oog voor gevallen steken en voor geld.
‘Ik help je alle dagen van de week, moeder. Mag ik dat kleine stukje zondag dan ook al niet meer hebben?’
‘Jij zal nooit content zijn, Elisabeth. Nooit.’ Haar bovenlip spande zich tot een fijn streepje. Haar ogen zochten iets in de duisternis achter het raam, een oud verdriet waarvan iemand zopas het stof geveegd heeft. Elisabeth keek naar haar tengere schouders, haar iets gekromde rug en de in elkaar gevouwen handen die op haar schoot lagen. De schoot waarin zij verwekt was. Ze zocht naar lijnen, trekken, glooiingen, huid, vlekken die haar verwant leken.
Vader, die alles gehoord had, mompelde iets over een kapotte kolenschop, en ging naar buiten.
‘Ik ben mijnheer Funke tegengekomen, moeder, meer niet.’
‘De vreemdeling?’
‘Ja mama, die…’ Elisabeth zuchtte.
De kwezels, die met hun giftige commentaren het dorpsleven voorzagen van kuise voetnoten, hadden het vaak over Funke. Zij vonden hem een welgemanierd mens. Dat was het woord. Welgemanierd. Al kon niemand precies zeggen waarom. Hij had een sobere manier van begroeten, was eerder zwijgzaam en had donkere diepliggende ogen, waarmee hij eenieder die aan het woord was warm maar scherp kon aankijken zonder daarbij te indringend te zijn.
Hij was jaren geleden komen aanwaaien in het dorp. Zijn leeftijd was iedereen onbekend. Mijnheer Funke had het huis van de overleden Zulma gekocht. Notaris Bouttelgier, voor wie de akte verleden was, deed uiterst mysterieus over zijn precieze afkomst.
Mijnheer Funke werkte ook niet. Dat had even voor ontstemming gezorgd, maar hij had het verkommerde huis van Zulma – dat in de hoofdstraat stond – laten opkalefateren door een aantal werklieden uit het dorp zelf, en dat maakte veel goed. Er was zelfs een verdieping boven opgetrokken, zodat de gevel nu even hoog was als die van de notabelen.
Hij hield van lezen, fietsen, wandelen en hij was niet getrouwd. Ook daarover was in den beginne uiteraard wat consternatie, maar hij deed zelf zijn boodschappen en betaalde zijn rekeningen bij de oude Thérèse, de kruidenierster van het dorp, altijd contant.
‘Hij kookt een gezonde pot en ziet niet op een cent,’ zei Thérèse vaak.
Nee, er was geen twijfel, mijnheer Funke was een welgemanierd mens.
Toch bleef hij de vreemdeling.

Elisabeth zat op de rand van haar bed. Ze had voor de lieve vree de schorseneren nog gekuist. Haar handen kleefden, zaten vol met vlekken. Ze keek ernaar. Mijn leven staat stil, dacht ze. Sinds die dag. Ze kon zich de geur van het bureau moeiteloos herinneren: boenwas en gesteven rokken.
‘Je hebt hier een deftige opvoeding gehad, Elisabeth Mazereel. Wij hebben je geleerd een vrome vrouw te zijn in alle omstandigheden.’
Zuster Imelda had haar gerimpelde handen over haar schoot gevouwen en keek vanonder de witte kap naar de muur, alsof ze dat wat ze wilde vertellen, liever aan het pleisterwerk prijsgaf.
‘Je bent door God begiftigd met een groot verstand, meisje.’
Het klonk als iets uit de hel. Begiftigd zijn.
‘Je hebt leren lezen en schrijven en ook in de wiskunde ben je sterk.’
‘Het liefst van alles lees ik,’ antwoordde Elisabeth.
De zuster gebaarde dat ze moest zwijgen.
‘Je hebt al de kans gehad om langer hier te blijven dan gebruikelijk is, maar weldra breekt de tijd aan om onze school te verlaten.’
‘Ik weet het,’ flapte Elisabeth eruit, ‘ik ga naar de humaniora in het moederklooster.’
‘Daar wil ik iets over zeggen.’ De zuster keek haar nu wel nadrukkelijk in de ogen. ‘Ik heb van mijnheer pastoor begrepen dat je moeder erop staat dat je niet verder studeert.’
Elisabeth voelde haar maag samentrekken. Ze probeerde te begrijpen wat ze net gehoord had. De woorden tolden door haar hoofd.
‘U kan uw moeder onnoemelijk veel beter van dienst zijn door haar thuis te helpen bij het kantwerk.’
Ze keek onbegrijpend naar de zuster. Er kwam geen geluid uit haar keel. De hele kamer versmachtte haar. Het massieve kersenhouten bureau, het vaandel van de patroonheilige dat slap naar beneden aan zijn stok hing, de tot aan het plafond reikende boekenkast met missalen en bijbels, en vooral de stempel van de school die roerloos in de ijzeren houder hing.
De tranen sprongen in haar ogen. Die wilde ze echter niet laten zien, niet daar. Ze duwde de stoel te bruusk achteruit waardoor die kantelde en met veel lawaai tegen het parket kletterde, en liep het bureau uit, de trappen af, zonder de treden echt te zien. Ze holde naar huis, naar haar vader. Hij zou haar begrijpen. Vader kende haar drang naar verder weg.
Ze had hem zo vaak uitbundig verteld over wat ze gezien had op haar zwerftochten door naburige gehuchten. De boten op de vaart, traag maar zeker glijdend naar andere wateren. De wieken van de molen die draaiden op winden uit verre streken en na iedere omwenteling weer naar beneden kwamen. De ganzen die bij het vlieden van de herfst in grote troepen naar gebieden vlogen waar niemand van hun dorp al van gehoord had. Vader had toen gelachen terwijl hij de vuren heet stookte, zijn ogen hadden geblonken. Hij zei nooit veel, toch niet met woorden.
Maar hij was er niet. De smidse was leeg. Toen hoorde ze de droge plof. Een zwaluw was tegen het raam gevlogen. Met het kleine lijf ertegenaan gesmakt. In volle vlucht, overtuigd van zijn kunnen. Zwaluwen hebben een onvoorspelbare vliegroute. Alsof ze voortdurend op andere gedachten komen. Met schuchtere passen ging ze kijken naar het angstige gekweel onder de forsythia. Voorzichtig raapte ze het diertje op. Het lag trillend in haar handpalm, bloed uit het opengesperde bekje, oogjes vol water, vleugel gebroken, het hartje broos kloppend. Ze suste het met eenvoudige woorden. Natuurlijk begreep het haar. Vogels en meisjes van twaalf zijn uit eenzelfde ziel gegoten. Ze ging op het houten bankje voor het huis zitten en bleef het vasthouden tot het niets meer deed.
Daarna wandelde ze met die bebloede dode vogel in haar handen naar de vaart tot bij de olm, haar boom, waaronder ze jaren geleden, tijdens een zware storm, tegen alle regels in, had geschuild. Niet eronder, erin. Hij was aangevreten door ongedierte, je kon erin wegkruipen. De boom paste precies om haar heen als een oude mantel. Hij was omgeven door een verwilderd vlierbosje. Je kon er goed alleen zijn. Ze kwam er vaak. Ze begroef de dode vogel met haar blote handen en legde er grijze keien op. Toen kwamen de tranen, daar onder de oude olm, met een steen in haar hand.
Maar zwaluwen zijn bodes.

Vrijdagnamiddag. Ze had net een door haar vader herstelde zeis weggebracht. In de hoofdstraat werd een raam geopend. Mijnheer Funke stak zijn hoofd naar buiten en riep terwijl hij naar haar zwaaide.
‘Elisabeth, ik heb iets voor je!’
Haar hart begon sneller te kloppen. Ze huppelde de drie trappen van het bordes op en stond voor een grote eiken deur. De klopper was ook een leeuw, maar die hoefde ze niet te gebruiken want mijnheer Funke deed al open.
‘Kom binnen. Ik haal het even.’
Ze kwam in een gang waarop een aantal kamers uitkwamen en waarin een brede trap, bekleed met een groene loper, naar de eerste verdieping leidde. Een lichtkroon aan het plafond met melkwitte glazen lelies wierp een zwak schijnsel op schilderijen aan de muur. Mijnheer Funke stapte een van de kamers binnen en liet de deur openstaan. Een bibliotheek. Meer kon ze niet zien.
Fijntjes glimlachend kwam hij terug met een boek in de hand.
‘Het zal misschien een beetje moeilijk zijn, maar er staan vast interessante dingen voor je in.’ De huid van die fijne hand was bleek. Zijn nagels waren verzorgd. Even kruisten hun blikken elkaar en dan nam ze het aan. Stenen en hun bestaan stond in gouden letters gekalligrafeerd op een rode stoffen kaft.
‘Ik breng het morgen wel terug,’ zei ze haastig.
‘Dat hoeft niet. Ik heb het niet meteen nodig.’
Ze aarzelde, wist niet goed of ze nog iets zeggen moest. Hij droeg puntige zwarte schoenen. Die blonken zo erg dat de lelies erin weerspiegeld werden. Uiteindelijk draaide ze zich om en liep de deur uit.
‘Dank je wel,’ zei ze nog toen ze van de trappen sprong, in de hoop dat hij het gehoord had.
Op weg naar huis hield ze het boek onder haar jas tegen zich aangedrukt. Pas in haar slaapkamer haalde ze het weer tevoorschijn. Ze ging op haar knieën op bed zitten, legde het boek voor zich neer en sloeg dan voorzichtig de eerste bladzijde om. In hanenpoten maar toch duidelijk leesbaar stond er iets op geschreven. Für den Liebsten. Het raakte een haar onbekende snaar.
Het boek was te wetenschappelijk, maar er stonden wel erg mooie tekeningen in van rotsmassieven en doorsneden van gebergten. Achterin was een tabel afgedrukt waarin moeilijke namen stonden waarvan ze nog nooit had gehoord. Het vertelde iets over de hardheid van mineralen.
Het woord alleen al was een melodie. Mineralen. Hun hardheid. De ene kon krassen in de andere maar de andere niet in de ene. Helemaal bovenaan in de tabel stond talk. Zacht, haast kneedbaar. Dat was haar mineraal, vond ze. Zij stond bovenaan. Mijnheer Funke stond helemaal onderaan, fantaseerde ze verder, de hardste van alle bekende natuurlijke stoffen. Diamant. Kan enkel gekrast worden door zichzelf. Ze verstopte het boek in haar kamer onder een loszittende vloerplank.

De Kalfskop grinnikte. Hij deed zijn vest uit, hing het over de stoel en legde de patronen op tafel. Het was een order voor een gefortuneerde dame die onderleggers wilde voor het verlovingsfeest van haar petekind. Onder zijn oksels tekenden zich grote zweetkringen af op zijn hemd. Zijn kale hoofd blonk.
‘’t Mag wat meer zijn en wat moeilijker hè, nu ge twee ijverige en schone handen extra bij u in huis hebt.’ Hij keek naar Elisabeth met zijn varkensoogjes en wierp haar een vettige glimlach toe. Ze was naast de schouw blijven staan, op veilige afstand. De geur van zijn duur parfum, dat de kamer vulde, maakte haar onwel.
‘Ze maakt fijn werk, uw schone dochter, dat weet ge toch?’
‘De zusters hebben hun werk goed gedaan,’ zei moeder. Ze glimlachte schaapachtig.
Hij nam een zakdoek, depte zijn voorhoofd en snoof opzichtig door zijn neus.
‘Talent kunt ge ruiken,’ zei hij.
Vlak naast talent ligt geld, dacht Elisabeth. Ze bekeek vlug de ingewikkelde tekeningen op papier en knikte haast onzichtbaar naar haar moeder. Er hing een soort van samenhorigheid tussen hen beiden. Voor het eerst?
‘Ja,’ zei moeder tegen de Kalfskop. ‘We doen het.’
‘Twintig augustus moet het klaar zijn. Zonder pardon.’
‘Dat is weinig tijd, voor zo’n secuur werk,’ wierp moeder nog op.
‘Ge kunt laat doorwerken. Het is nog lang licht. En ik zal u dertig centiemen meer geven.’
‘Zo weinig,’ verzuchtte moeder.
‘Te nemen of te laten.’
‘Veertig centiemen meer,’ zei Elisabeth rustig. ‘Of anders neem je die patronen maar weer mee naar huis.’
Een korte stilte. De Kalfskop keek haar aan.
‘Ze durft, uw dochter.’ Hij ging vlak voor haar staan en liet zijn ogen rusten op haar borsten. ‘Maar ’t is goed. Omdat ze het zo schoon vraagt.’ Zijn knipoog was nog vuiler dan zijn glimlach.

Een week later stond ze, net voor ze naar de markt ging, weer voor zijn deur. De leeuwenkop klonk metalig hard. Ze wachtte een tijdje, keek om zich heen. Niemand op straat, maar wel de zekerheid dat ze vanachter enkele gordijnen beloerd werd. Op strategisch bij het raam geposteerde armstoelen zouden kwezelruggen zich strekken, zouden hun fijne tengels de sierlijke motieven op de vitrages wat beroeren zodat ze een onbelemmerd zicht hadden op wat daar gebeurde aan de overkant van de hoofdstraat, op het bordes van het huis van die welgemanierde man. Maar er gebeurde niets. De deur bleef dicht.
Elisabeth wandelde de hoofdstraat uit en draaide de hoek om. Daar kon je, als je het gammele bruggetje naast de brouwerij overstak, een kleine zandweg inlopen waarop de percelen van de hoofdstraat uitkwamen. De tuin van mijnheer Funke was ommuurd maar er was een klein poortje gemaakt in het metselwerk, waarlangs je met een rijwiel of kruiwagen naar binnen kon. Ze aarzelde even toen ze de verroeste grendel opzij schoof. Dit hoorde niet. Maar haar nieuwsgierigheid won het van de rede en het fatsoen. Ze stapte naar binnen en belandde in een verzorgde tuin. Het gras was kort gemaaid, er stond een houten bank onder een okkernotenboom, die het zonlicht temperde boven een perk met hosta’s en hortensia’s. Wat verderop, meer naar de achtergevel, zag ze een keurig onderhouden moestuin. Vlak bij het huis was een wintertuin gebouwd, met glazen dak en glazen muren, gedragen door een roestbruine, met de hand gesmede constructie. Er stonden slechts enkele planten in. Vooral een oude fauteuil met blauwe fluwelen armleuningen en een schildersezel sprongen in het oog. Er lagen kwasten op een tafeltje naast potten olieverf. Een op een kader gespannen doek prijkte op de ezel. Ze liep naar de zijkant van de serre om het beter te kunnen bekijken. Het was een schets, meer niet. In potlood of in houtskool. De basis van iets. Een begin. Maar het was overduidelijk. Ze herkende zichzelf. De zuiverheid waarmee hij haar in enkele eenvoudige lijnen had weergegeven, legde iets bloot van haar wat ze niet kende en wat haar een ongemakkelijk doch tegelijkertijd opwindend gevoel gaf. Vlug legde ze het boek op de tuinbank onder een omgekeerde zinken emmer. Dan liep ze weg van haar evenbeeld.

Het werd een warme zomer. Zo een die de mensen dwingt in de koelte van hun huizen te blijven en die de boeren op het land – want daar moet het werk toch voortgaan – laat zuchten en kreunen bij het aanaarden van de bieten en het hooien der beemden. Een zomer die zelfs laat in de avond – wanneer het buiten iets draaglijker geworden is – nog nazindert in het gesjirp van de krekels en in de heftige gesprekken in de cafés. Het was de zomer waarin Elisabeth dagelijks de smidse veegde, het onkruid in de moestuin wiedde en uren naast haar moeder op een stoel zat met het kantkloskussen boven de benen. Zwijgzaam, vreugdeloos. De dingen waren nu eenmaal zoals ze waren.
En toch. Zondagnamiddag kon ze er eindelijk nog eens – haar vrije uren waren schaars geworden – op uit trekken. Haar moeder was met de buurvrouwen naar het lof.
Ze wandelde in gedachten verzonken, haast doelloos, tot bij haar boom. Ze kroop tussen de vlierstruiken en ging zitten. Toen zag ze het. De stapel stenen was niet meer dezelfde. Hij was hoger, breder, en vooral: bovenop lag een nieuwe laag met witte keien, die zij daar zeker niet op had gelegd. Ze hurkte bij de hoop stenen neer. Voorzichtig nam ze de bovenste weg, keek ernaar en legde hem opzij. Ze deed hetzelfde met de volgende, tot ze alle witte stenen op een apart hoopje verzameld had. Dan zag ze het kistje.

© 2013 – Kris Van Steenberge & Uitgeverij Podium 

Uitgeverij Podium

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum