Leesfragment: Constellaties

27 november 2015 , door Roelof ten Napel
| |

In oktober debuteren Lodewijk van Oord, Guido den Aantrekker, A.N. Ryst, Marc-Marie Huijbregts, Shantie Singh en Roelof Ten Napel. In samenwerking met Recensieweb brengen we uitgebreide fragmenten uit hun boeken.

15 oktober debuteert Roelof ten Napel met Constellaties. Wij publiceren voor. 'Zijn naam is vreemd. Hij heeft wel een naam, of tenminste, wij hebben iets wat we beiden als zijn naam herkennen, je kunt hem alleen niet uitspreken. Hij bestaat niet uit letters of klanken, maar heeft de vorm van een driehoek. Toen we elkaar nog maar net kenden vroeg ik hem erom, zijn naam, maar hij vertelde dat hij hem enkel kon uitbeelden. Daarna hield hij zijn handen in de lucht, duimen recht tegen elkaar en wijsvingers puntig de lucht in. Het was de eerste keer dat ik de driehoek zag.'

Een vrouw kan niet slapen en verbergt dit voor haar vriend. Een man herinnert zich hoe hij met zijn broer een vogel begroef en iemand staat oog in oog met een wolf, al vraagt hij zich af of dat kan.
In Constellaties wordt de grens tussen een individu en zijn omgeving onder druk gezet. Waar een mens ophoudt en iets of iemand anders begint - zij het een vader, broer, plant, vriendin of kat - blijkt minder helder dan gedacht. Personages worden opgevoerd, ontwikkeld, vernoemd en herschreven. Telkens weer moeten ze bepalen waar ze zich bevinden om te leren wie ze zijn. In schaarse bewoordingen en uitermate precies, bijna meetkundig, taalgebruik beschrijft Ten Napel relaties met of tot anderen en de grond waarop ze zichzelf vormen.

Grond

 

Zomer


Hij zit buiten en ik sta bij het raam. We hebben in de tuin een kersenboom, hij heeft een kruk gepakt en is er zo’n twee meter vanaf gaan zitten. Daar kijkt hij naar de kersen. Ik kan me slecht voorstellen wat hij denkt.

In de lade van de kast naast me ligt een camera, ik pak hem en maak een foto. Het scherm is te klein om zekerheid te bieden, maar volgens mij heb ik gevangen wat ik wilde, waarna ik het apparaat weer wegleg. Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat hij opstaat en naar binnen komt, de kruk in zijn rechterhand.
Zijn naam is vreemd. Hij heeft wel een naam, of tenminste, wij hebben iets wat we beiden als zijn naam herkennen, je kunt hem alleen niet uitspreken. Hij bestaat niet uit letters of klanken, maar heeft de vorm van een driehoek. Toen we elkaar nog maar net kenden vroeg ik hem erom, zijn naam, maar hij vertelde dat hij hem enkel kon uitbeelden. Daarna hield hij zijn handen in de lucht, duimen recht tegen elkaar en wijsvingers puntig de lucht in. Het was de eerste keer dat ik de driehoek zag.
Later heb ik hem gevraagd of we alles zouden delen. Hij vroeg me wat ik bedoelde. Ik vertelde dat het me lastig leek te leven met iemand die een gebaar heeft, als naam, maar dat het me misschien zou lukken als we elkaar verder alles zouden vertellen. Hij stemde in, daarom sta ik nu in het huis waar hij net weer binnenloopt.
We hebben gegeten. Hij ruimt de tafel af en ik ben alvast naar de woonkamer gelopen om op de bank te gaan zitten. Ik strek mijn vingers, kijk naar mijn hand. Hij roept vanuit de keuken.
— Wil je nog koffie of thee?
Ik denk even na.
— Thee, roep ik.
Hij zoekt in wat lades en haalt kopjes uit de kast. Ik probeer me, op gehoor, voor te stellen hoe hij water op vuur zet, en de schotels alvast op het dienblad. Gas aan. Hij loopt naar hier, de kamer in, en komt naast me zitten.
— Waar dacht je vanmiddag aan? vraag ik.
Hij kijkt op.
— Wanneer vanmiddag? Ik heb aardig wat gedacht.
— Toen je buiten zat, bedoel ik. Voor de kersenboom.
— O, de kersen. Ken je die tekeningen, van vroeger? Van die stippen, met getallen, die je moest verbinden?
Ik knik.
— Ongeveer dat, ik was de kersen aan het verbinden.
— Met lijnen?
— In mijn hoofd dan.
— Je hebt er volgens mij wel een uur gezeten.
— Het zijn veel kersen.
Ik moet lachen, en hij ook. Wat een idee. Ik zou verder willen vragen, maar ik weet niet waarnaar. Ik weet niet eens of er wel meer te vertellen is. Hij staat op, de ketel fluit.

Winter


We lopen samen, hebben al een poos niets gezegd. Het sneeuwt. Ik kijk naar van alles, dus eigenlijk naar niets, misschien. Af en toe voel ik hoe zijn hand mijn vingers anders vastpakt, en om de zoveel tijd sluit ik voor even mijn ogen. Dan loop ik niet meer over een stoep of schelpenpad, maar alleen nog naast hem. Dat is mooi.
— Ik besef net iets geks, zegt hij.
Hij kijkt me even aan.
— Hm?
— Nou ja, iedereen heeft het vast wel eens gedacht.
— Wat dan?
— Kies eens één moment, nu, een herinnering.
Ik denk na.
— Heb je iets?
— Ja.
— Is het een beeld?
— Wat is daar gek aan?
— Nou ja, dat er meestal geen geluid bij zit, dat drong tot me door.
Ik laat het even in me omgaan.
— Het is, zeg ik, alsof je een foto probeert te maken van vallende sneeuw.
— Zoiets, ja, eigenlijk wel.
Recht achter ons ligt het pad waarlangs we hier kwamen, maar als je terugloopt, zie je hoe de stappen steeds vager worden, gevangen door nieuwe sneeuw. Helemaal aan het begin zijn ze waarschijnlijk al niet meer te zien, dus ergens, in de buurt van deze plaats, begint spontaan een spoor.

Zomer


Ik word wakker en sta op. Hij is vertrokken, vertelde me gister al dat hij vroeg weg moest, maar heeft alsnog een briefje achtergelaten. Beneden staat de rooster al klaar, het brood ernaast. Aan de andere kant een bord. Ik hoef maar langzaam te beginnen, zo. De ochtend is voorbij voor ik het doorheb.
Aan het begin van de middag vraag ik me af wat ik zal doen. Ik zit op de bank. Door het raam zie ik af en toe iemand voor het huis langs fietsen, het is mooi weer. Ik ga wat water halen. De kraan in de keuken sist zacht. Eerst vul ik het glas tot de helft; ik maak kleine cirkelbewegingen met mijn hand, laat het water rondkolken en giet dan het glas weer leeg. Daarna vul ik het helemaal. Ik drink, het smaakt fris.
Later laat ik het glas leeg achter, op de onderzetter, en loop ik naar de garage. Daar pak ik de kruk. Ik loop ermee naar de kersenboom en ga zitten. Wacht af. Ik raak afgeleid door een koolmees, jaag hem voorzichtig weg en kijk weer naar de kersen. Ik begin lukraak lijnen te trekken, in gedachten.
Dat werkt allemaal niet.
Ik loop terug naar binnen, zet de laptop aan, zoek tussen mijn bestanden naar de foto. Die print ik uit, groot, en ik kijk ernaar. Ik weet niet wat ik zien wil. Hij zit daar op de kruk. Hij kijkt gewoon. Ik snap het niet, laat de foto achter op tafel en loop weer naar de tuin.
Hoe kun je dit een uur lang doen?
Ik durf het hem niet te vragen.
Stel je voor: hij weet niet goed hoe hij antwoorden moet. Hij probeert het wel, zoekt woorden, maar het lukt hem niet. Het komt niet over. Wat dan.

Ik weet niet meer wat ik doen moet. Wat ik moet zeggen.
— Heb je al wat vogelvoer gestrooid?
Schud mijn hoofd. Hij loopt naar buiten, ik zie hem door het raam. Weer binnen gaat hij achter de piano zitten, en begint hij te spelen. Het duurt even. Dan stopt hij weer, hij komt naast me.
— Wat speelde je? vraag ik.
Dat is denk ik een goede vraag.
— Een prelude van Chopin.
— Mooi.
— Ja. Bach schreef achter preludes een fuga, maar Chopin liet ze los, open. Eigenlijk gaan ze vooraf aan alles wat erop volgt.
Zoals een spoor, denk ik. Zoals voetstappen. Hij staat op. Straks: koffie, thee. Ik doe mijn ogen dicht. Hij loopt naar de keuken. Ik voel mijn vingers.
— Koffie of thee?
— Thee.
Stilte. Stilte. Ik wil ontsnappen, maar ik denk niet dat dat kan. Zijn naam klinkt in al mijn herinneringen. Buiten hangen de kersen, en één ervan valt. Daarmee vallen alle constellaties die je net nog kon maken, moet je helemaal opnieuw beginnen, elke kers weer.

 

© 2014 Roelof ten Napel

Uitgeverij Atlas Contact

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum