Leesfragment: De waarheid over de zaak Harry Quebert

27 november 2015 , door Joël Dicker
|

2 januari 2014 verscheen Joël Dickers De waarheid over de zaak Harry Quebert (uit het Frans vertaald door Manik Sarkar). Het werd een hit. We hernemen onze voorpublicatie. 'Weg uit New York, een andere omgeving. Nooit had een uitnodiging om in ballingschap te gaan zo zinnig geklonken. Weggaan om op het Amerikaanse achterland inspiratie op te doen bij mijn oude leermeester: dat was precies wat ik nodig had. En zo vestigde ik me een week later, halverwege februari 2008, in Aurora, New Hampshire. Dat was een paar maanden voor de dramatische gebeurtenissen die ik hier zal beschrijven.'

New York, voorjaar 2008. De jonge auteur Marcus Goldman lijdt aan een writer's block, en dat terwijl de deadline van zijn uitgever nadert. Dan wordt in de tuin van zijn mentor, sterauteur Harry Quebert, het lichaam gevonden van Nola Kellergan, die ruim dertig jaar eerder op vijftienjarige leeftijd spoorloos is verdwenen. Op Nola's lichaam ligt het manuscript van de roman die Quebert zijn doorbraak naar het grote publiek heeft bezorgd. Harry Quebert is onmiddellijk hoofdverdachte en zijn beroemde roman komt in opspraak. Overtuigd van de onschuld van zijn grote voorbeeld vertrekt Marcus naar Harry' huis in New Hampshire om de werkelijke toedracht rond de dood van Nola te achterhalen. Maar de waarheid blijkt veel gecompliceerder dan hij dacht.

In De waarheid over de zaak Harry Quebert verbindt Joël Dicker op indrukwekkende wijze een intrigerende moordzaak met een gevoelig geschreven verhaal over schrijverschap, onzekerheid, ambitie, vriendschap en liefde.

  • 'Een dijk van een roman.' - Marijke Arijs, De Standaard
  • 'Onvergetelijke formuleringen moet je van Dicker niet verwachten. Maar dat wordt ruimschoots vergoed door de meesterlijke dialogen, de vele schilderachtige personage, en vooral door de manier waarop de schrijver zijn verhaal meer dan zeshonderd bladzijden lang adembenemende wendingen geeft en zijn personages laat evolueren.' - Ger Leppers, Trouw
  • 'Het is Dicker gelukt om een subliem smakende cocktail te maken van zeer uiteenlopende genres.' - Vrij NederlandDe detective- & thrillergids

 

Begin 2008, dat wil dus zeggen ongeveer anderhalf jaar nadat ik met mijn eerste roman de nieuwe publiekslieveling van de Amerikaanse letteren was geworden, kreeg ik last van een heel zware aanval van writer’s block, een syndroom dat wel vaker schijnt voor te komen bij schrijvers die in één klap overweldigend succesvol zijn. De ziekte sloeg niet in één keer toe, maar kreeg langzaam vat op me. Alsof mijn hersenen besmet waren geraakt en langzaam maar zeker versteenden. Toen de eerste symptomen zich aandienden, wilde ik er geen aandacht aan besteden. Ik zei tegen mezelf dat de inspiratie vanzelf wel terug zou komen: morgen, overmorgen of de dag daarna. Maar de dagen, weken en maanden verstreken en de inspiratie bleef weg. 
Mijn afdaling naar de hel verliep in drie fases. De eerste is essentieel voor iedere val van grote hoogte, namelijk een bliksemsnelle opgang: van mijn eerste roman waren twee miljoen exemplaren verkocht, en daarmee was ik op achtentwintigjarige leeftijd al een bestsellerauteur. Dat was in de herfst van 2006, toen mijn naam in een paar weken tijd een begrip werd. Ik was overal te vinden: op televisie, in de krant, op tijdschriftcovers… In metrostations hingen enorme reclameborden waarop mijn gezicht stond afgebeeld. Zelfs de meest kritische recensenten van de grote dagbladen van de Oostkust waren het met elkaar eens dat de jonge Marcus Goldman een heel groot schrijver zou worden.
Eén boek. Een enkel boek en ik zag de deuren naar een nieuw leven voor me opengaan: ik werd een jonge, rijke ster. Ik verliet mijn ouderlijk huis in Montclair, New Jersey, en betrok een luxueus appartement in de Village; ik ruilde mijn derdehands Ford in voor een gloednieuwe zwarte Range Rover met getint glas, ik at in chique restaurants en ik verzekerde me van de diensten van een literair agent die mijn agenda beheerde en baseball met me keek op het reusachtige televisiescherm in mijn nieuwe optrekje. Ik huurde een kantoor vlak bij Central Park waar een secretaresse genaamd Denise die een beetje verliefd op me was mijn post sorteerde, koffiezette en mijn papieren ordende. 
Het eerste halfjaar na het verschijnen van mijn boek deed ik niets anders dan genieten van mijn heerlijke nieuwe bestaan. ’s Ochtends ging ik even langs kantoor om een blik te werpen op alles wat er eventueel over mij geschreven was en de tientallen brieven van bewonderaars te lezen die ik dagelijks ontving en die Denise vervolgens in grote ordners stopte. Dan vond ik dat ik wel genoeg had gedaan en ging ik, innig tevreden over mezelf, flaneren door de straten van Manhattan, waar het onder de voorbijgangers gonsde als ik langskwam. De rest van de dag maakte ik gebruik van de privileges die de roem me verschafte: het recht om te kopen wat ik wilde, het recht op een vip-loge in Madison Square Garden bij wedstrijden van de Rangers, het recht om over de rode loper te lopen met muzikanten van wie ik in mijn jeugd de platen had gekocht en het recht om uit te gaan met Lydia Gloor, dé televisiester van het moment, om wie iedereen vocht. Ik was een beroemd schrijver: ik had het gevoel dat ik het mooiste beroep van de wereld had. En omdat ik ervan overtuigd was dat mijn succes nooit voorbij zou gaan, sloeg ik geen acht op de signalen van mijn agent en mijn uitgever toen ze er bij me op aandrongen dat ik aan mijn tweede roman zou beginnen. 
In de zes maanden daarna drong het langzaam tot me door dat de wind uit een andere hoek begon te waaien: de brieven van bewonderaars werden schaarser en op straat werd ik minder vaak aangesproken. Niet lang daarna begonnen de voorbijgangers die me nog herkenden te vragen: ‘Waar gaat uw volgende boek over, meneer Goldman? En wanneer komt het uit?’ Ik begreep dat ik aan het werk moest en dat deed ik ook: ik schreef ideeën op losse blaadjes en typte verhaallijnen uit op de computer. Maar het stelde allemaal niets voor. Dus kwam ik met andere ideeën en bedacht ik andere verhaallijnen. Maar ook die waren niet geslaagd. Daarom kocht ik een nieuwe computer, in de hoop dat die inclusief sterke ideeën en uitstekende verhaallijnen werd geleverd. Tevergeefs. Toen veranderde ik van methode: ik legde tot laat in de avond beslag op Denise en dicteerde haar allerlei invallen die volgens mij geweldige bon mots, prachtige zinnen en buitengewone invalshoeken voor romans waren. Maar de volgende dag vond ik mijn woorden vaal, mijn zinnen gammel en mijn invalshoeken uitvalswegen. En zo begon de tweede fase van mijn ziekte. 
In de herfst van 2007 was het een jaar geleden dat mijn eerste roman was verschenen en had ik nog geen regel van de opvolger geschreven. Toen er geen brieven meer op te bergen waren, toen ik in openbare gelegenheden niet meer werd herkend en de affiches met mijn beeltenis uit de grote boekhandels van Broadway waren verdwenen, besefte ik dat roem iets vluchtigs is. Het is een uitgehongerde Gorgo die je moet blijven voeden, anders zal ze je direct vervangen: de politicus van de dag, het sterretje uit de laatste realityshow en de band die pas was doorgebroken namen mijn deel van de aandacht in. Toch waren er nog maar een schamele twaalfmaanden verstreken sindsmijn boekwas verschenen: inmijn ogen een belachelijk korte tijd, maar op de schaal van de mensheid een eeuwigheid. In dat jaar waren er alleen al in Amerika een miljoen kinderen geboren en een miljoen mensen gestorven, ruim tienduizend mensen beschoten, een half miljoen aan de drugs geraakt, een miljoen miljonair geworden, zeventien miljoen van mobieltje veranderd en vijftigduizend omgekomen bij auto-ongelukken, waarbij ook nog eens twee miljoen al dan niet ernstig gewond waren geraakt. En ik had maar één enkel boek geschreven. 
Schmid & Hanson, de machtige New Yorkse uitgeverij die me een aardig sommetje geld voor mijn eerste roman had gegeven en die heel veel hoop op me had gevestigd, bestookte mijn agent, Douglas Claren, die op zijn beurt in mijn nek hijgde. Hij zei dat de tijd drong en dat ik absoluut met een nieuw manuscript moest komen en ik deed er alles aan om hem gerust te stellen, om zo mezelf gerust te stellen: ik bezwoer hem dat ik goed opschoot met mijn tweede roman en dat hij zich niet druk hoefde te maken. Maar ondanks alle uren dat ik me op kantoor opsloot, bleef het papier spierwit: de inspiratie was er zonder enige waarschuwing vandoor gegaan en ik had geen idee waar ik die moest terugvinden. En ’s avonds in bed, als ik niet kon slapen, bedacht ik dat de grote Marcus Goldman binnenkort, nog voor zijn dertigste, alweer zou ophouden te bestaan. Die gedachte boezemde me zo’n angst in dat ik besloot op vakantie te gaan om op andere gedachten te komen: ik deed mezelf een maand vakantie cadeau in een paleis in Miami, zogenaamd om nieuwe inspiratiebronnen aan te boren, in de heilige overtuiging dat ontspanning onder de palmbomen me in staat zou stellen om mijn creatieve geest weer op volle toeren te laten draaien. Maar natuurlijk was Florida gewoon een vluchtpoging, en tweeduizend jaar voor mij was de filosoof Seneca ook al eens in die penibele situatie beland: waarheen je ook vlucht, je problemen zoeken een plaatsje in je bagage en reizen overal mee naartoe. Het leek of er bij aankomst in Miami bij de uitgang van het vliegveld een vriendelijke Cubaanse kruier naar me toe kwam rennen die vroeg: ‘Bent u meneer Goldman?’ 
‘Ja.’ 
‘Dan is dit voor u. 
’ En me vervolgens een envelop overhandigde met daarin een stapel papieren. 
‘Zijn dat mijn ongeschreven bladzijden?’ 
‘Ja, meneer Goldman. U zou toch nooit uit New York vertrekken zonder die mee te nemen?’ 
Zo bracht ik een maand door in Florida, alleen, ellendig en ontgoocheld, met mijn demonen opgesloten in een suite. Op mijn computer, die dag en nacht aanstond, bleef het document dat ik nieuwe roman.doc had genoemd, gekmakend ongerept. Op een avond dat ik de pianist in de hotelbar een margarita aanbood, begreep ik dat ik een ziekte had opgelopen die in creatieve kringen vaker voorkomt. Aan de bar vertelde hij dat hij in zijn hele leven maar één nummer had geschreven, maar dat dat een dijk van een hit was geworden. Het was zo succesvol geweest dat hij nooit meer iets anders had kunnen schrijven; en nu overleefde hij, geruïneerd en ongelukkig, door andermans successen op de piano te pingelen voor hotelgasten. 
‘In die tijd ging ik op reusachtige tournees langs de grootste zalen van het land,’ zei hij terwijl hij zich vastklampte aan de kraag van mijn overhemd. 
‘Tienduizend mensen brulden mijn naam, sommige meisjes vielen flauw en andere wierpen me hun slipjes toe. Dat was nog eens een tijd.’ En terwijl hij als een hondje het zout van de rand van zijn glas likte, zei hij nog: ‘Echt waar, ik zweer het.’ Maar dat was juist het erge: ik wist dat het waar was. 
De derde fase van mijn rampspoed begon met mijn terugkeer naar New York. In het vliegtuig dat me terugbracht uit Miami las ik een artikel over een jonge auteur die een roman had uitgebracht die door de critici werd bewierookt, en toen ik aankwam op het vliegveld LaGuardia zag ik zijn gezicht op grote affiches in de bagagehal. Het leven dreef de spot met me: niet alleen werd ik vergeten, maar wat erger was, ik werd ook nog eens vervangen. Douglas, die me van het vliegveld afhaalde, was in alle staten: het geduld van Schmid & Hanson was bijna op en ze wilden bewijzen zien dat ik goed opschoot en hun binnenkort een voltooid manuscript zou kunnen overhandigen. 
‘Het staat er niet goed voor,’ zei hij in de auto toen hij me naar Manhattan bracht. ‘Zeg me in ieder geval dat je energie hebt opgedaan in Florida en dat je opschiet met je boek! Er is een nieuwe schrijver waar iedereen het over heeft… Zijn boek wordt de grote kerstknaller. En jij, Marcus? Wat heb jij voor kerst?’ 
‘Ik ga direct aan het werk!’ riep ik in paniek uit. ‘Het komt wel goed! We gooien er heel veel publiciteit tegenaan en dan komt het allemaal goed! De mensen vonden m’n eerste boek mooi, dus waarom zouden ze het volgende niet mooi vinden?’ 
‘Je begrijpt het niet, Marc. Dat had gekund als we een paar maanden tijd hadden. Dat was de strategie: meedrijven op het succes van je eerste boek en het publiek voeden, geven waar het om vraagt. Het publiek wou Marcus Goldman, maar Marcus Goldman ging het er lekker van nemen in Florida en nu hebben de lezers een boek van iemand anders gekocht. Heb je je weleens in economie verdiept, Marc? Boeken zijn inwisselbaar geworden: mensen willen een boek dat ze bevalt, ontspant en vermaakt. Als jij dat niet voor ze schrijft, doet je buurman het wel, en dan ben jij rijp voor het grofvuil.’ 
Douglas’ georakel joeg me de stuipen op het lijf, en ik ging harder aan het werk dan ooit tevoren: om zes uur ’s ochtends begon ik met schrijven en ik werkte door tot negen of tien uur ’s avonds. Hele dagen zat ik onafgebroken op kantoor te werken: gedreven door een waanzin die gevoed werd door wanhoop krabbelde ik woorden neer, bouwde ik zinnen en bedacht ik de ene verhaallijn na de andere. Maar jammer genoeg bracht ik niets van waarde voort. En ondertussen zat Denise zich hele dagen ongerust te maken over mijn toestand. Aangezien ze niks meer te doen had, geen dictaat op te nemen, geen post te sorteren, geen koffie te zetten, liep ze te ijsberen op de gang. En als ze er niet meer tegen kon, trommelde ze op mijn deur. 
‘Marcus, ik smeek je, laat me binnen!’ kermde ze. 
‘Ga lekker naar buiten, wandelen in het park. Je hebt vandaag nog niks gegeten!’ 
‘Ik heb geen honger! Geen honger!’ brulde ik dan ten antwoord. ‘Eerst het boek, dan eten!’ Ze stond haast te snikken. 
‘Zeg niet zulke vreselijke dingen, Marcus. Ik ga naar de deli op de hoek om je lievelingsbroodje met rosbief te halen. Ik ben zo terug! Tot zo!’ 
Dan hoorde ik hoe ze haar tas pakte en naar de deur rende om vervolgens de trap af te stormen, alsof het feit dat ze zich haastte iets aan mijn situatie kon veranderen. Want eindelijk besefte ik de ware omvang van het probleem waarmee ik zat: vanuit het niets was het heel gemakkelijk geweest om een boek te schrijven, maar nu ik aan de top stond, nu ik mijn talent met me meetorste en ik het afmattende pad naar succes dat het schrijven van een roman is voor de tweede keer moest afleggen, voelde ik mij er niet meer toe in staat. Ik was gevloerd door de schrijversziekte, en niemand kon me helpen: degenen met wie ik erover sprak zeiden dat het niets was, dat het ongetwijfeld heel normaal was en dat ik mijn boek als het vandaag niet lukte toch ook morgen kon schrijven. Ik probeerde twee dagen lang om in mijn oude kamer te werken, bij mijn ouders in Montclair, waar ik ook de inspiratie voor mijn eerste roman had gevonden. Maar dat liep uit op een verschrikkelijke mislukking waarvan mijn moeder niet geheel valt vrij te pleiten, vooral omdat ze beide dagen naast me zat en naar het scherm van mijn laptop zat te kijken, terwijl ze continu tegen me zei: ‘Heel goed, Markie.’ 
‘Maar mam, ik heb nog geen zin geschreven,’ zei ik ten slotte. 
‘Ik weet gewoon dat het heel goed wordt.’ 
‘Mama, kun je me niet alleen laten…’ 
‘Waarom wil je alleen zijn? Heb je buikpijn? Moet je een wind laten? Je mag wel een wind laten waar ik bij ben, liefje. Ik ben je moeder.’ 
‘Nee mama, ik hoef geen wind te laten.’ 
‘Of heb je honger? Wil je pancakes? Wafels? Iets hartigs? Eieren misschien?’ 
‘Nee, ik heb geen honger.’ 
‘Waarom wil je dat ik wegga? Of bedoel je dat de aanwezigheid van de vrouw die jou het leven heeft geschonken je tot last is?’ 
‘Nee, je bent me niet tot last, maar…’ 
‘Maar wat?’ 
‘Niks, mama.’ 
‘Je zou een vriendinnetje moeten hebben, Markie. Dacht je dat ik niet wist dat het uit was met die actrice van de televisie? Hoe heette ze ook weer?’ 
‘Lydia Gloor. Maar we hadden niet echt wat, mama. Ik bedoel: het stelde niets voor.’ 
‘Het stelde niets voor! Het stelde niets voor! Zo is de jeugd: eerst stelt het allemaal niets voor en dan zijn ze vijftig, kaal en eenzaam!’ 
‘Wat heeft kaalheid ermee te maken, mama?’ 
‘Niks. Maar vind jij het normaal dat ik in een tijdschrift moet lezen dat jij iets met dat meisje hebt? Welk kind doet zijn moeder dat aan? Stel je voor, net voordat je naar Florida ging kwam ik bij Scheingetz – de kapper, niet de slager – en toen keek iedereen me heel vreemd aan. Ik vroeg wat er aan de hand was, en daar laat mevrouw Berg me met de permanentkap op haar hoofd het tijdschrift zien dat ze aan het lezen is: er staat een foto in van jou met die Lydia Gloor, op straat, samen, en de kop van het artikel is dat jullie uit elkaar zijn. De hele kapsalon wist dat jullie uit elkaar waren en ik wist niet eens dat jullie iets hadden! Natuurlijk wilde ik niet dat ze dachten dat ik achterlijk was, dus ik zei dat ze een schat van een meid was en geregeld bij ons was komen eten.’ 
‘Ik heb je niets over haar verteld omdat het niets voorstelde, mama. Ze was niet de ware, bedoel ik.’ 
‘Het is ook nooit de ware bij jou! Je ontmoet nooit eens een net meisje, Markie! Dat is het probleem. Dacht jij dat televisieactrices weten hoe je een huishouden runt? Maar laat ik nou gisteren in de supermarkt mevrouw Emerson zijn tegengekomen: haar dochter is ook vrijgezel. Ze is perfect voor jou. Bovendien heeft ze prachtige tanden. Zal ik vragen of ze nu even langskomt?’ 
‘Nee, mama. Ik probeer te werken.’ Op dat moment werd er aangebeld. 
‘Daar zul je ze hebben,’ zei mijn moeder. 
‘Hoe bedoel je, “daar zul je ze hebben”?’ 
‘Mevrouw Emerson en haar dochter. Ik heb ze om vier uur op de thee gevraagd. En het is klokslag vier uur. Een goede vrouw is altijd op tijd. Vind je haar nu al niet geweldig?’ 
‘Heb je ze op de thee gevraagd? Maar mama, stuur ze weg! Ik wil ze niet zien! Ik moet een boek schrijven, verdomme! Ik ben hier om een boek te schrijven, niet om thee te leuten!’ 
‘O Markie, je hebt echt een vriendinnetje nodig. Een vriendinnetje om je mee te verloven en later mee te trouwen. Je denkt veel te veel aan boeken en veel te weinig aan trouwen…’ 
Niemand besefte hoeveel er op het spel stond: ik moest absoluut een tweede boek schrijven, al was het maar om te voldoen aan de voorwaarden van het contract dat me aan mijn uitgeverij bond. In de loop van januari 2008 werd ik door Roy Barnaski, de machtige directeur van Schmid & Hanson, ontboden op zijn kantoor op de eenenvijftigste etage van een wolkenkrabber aan Lexington Avenue voor een serieuze waarschuwing: 
‘En, Goldman, wanneer krijg ik je nieuwe manuscript?’ blafte hij. 
‘We hebben een contract voor vijf titels: je moet aan het werk, en snel een beetje! We willen resultaat zien, omzet maken! Je deadline is al verstreken! Alles is al verstreken! Heb je die vent gezien van wie met kerst dat boek is uitgekomen? Die heeft jouw plaats bij het publiek ingenomen! Zijn agent zegt dat hij zijn nieuwe roman al bijna af heeft, maar jij? Jij kost alleen maar geld! Dus geef jezelf een schop onder de kont en doe iets. Doe je best, doe jezelf een plezier en schrijf een mooi boek voor me. Ik geef je zes maanden. Je hebt tot juni.’ Zes maanden om een boek te schrijven, terwijl ik al bijna anderhalf jaar op slot zat. Het was volstrekt onmogelijk. Maar het was nog erger, want toen ik die nieuwe deadline van Barnaski kreeg, vertelde hij er nog niet bij wat er zou gebeuren als ik die niet zou halen. Dat deed Douglas voor hem, twee weken later, tijdens het zoveelste gesprek in mijn appartement. Hij zei: 
‘Je zult aan de slag moeten, jongen. Je komt er echt niet onderuit. Je hebt getekend voor vijf boeken! Vijf boeken! Barnaski is woedend, hij wil niet langer wachten… Hij heeft me laten weten dat hij je tot juni met rust laat, maar weet je wat er gebeurt als je die deadline niet haalt? Dan verscheuren ze je contract, klagen je aan en plukken je helemaal kaal. Dan pakken ze al je poen af en kun je een streep zetten door je luxeleventje, je mooie appartement, je Italiaanse schoentjes en je mooie wagentje: dan heb je helemaal niks meer. Ze kleden je uit.’ Daar zat ik dan: een jaar geleden was ik de literaire sensatie van het land, nu was ik de grote mislukkeling, het lulletje van de Noord-Amerikaanse boekenwereld. De tweede les: roem was niet alleen vluchtig, maar ook niet zonder gevolgen. De avond na die waarschuwing van Douglas pakte ik mijn telefoon en toetste ik het nummer van de enige persoon van wie ik dacht dat hij me uit de penarie kon halen: Harry Quebert, mijn vroegere docent aan de universiteit, maar in de eerste plaats een van de meest gelezen en gerespecteerde schrijvers van Amerika, met wie ik al een jaar of tien heel goed bevriend was, sinds ik zijn student was geweest aan de universiteit van Burrows, Massachusetts. Op dat moment had ik hem al ruim een jaar niet gezien en al bijna even lang niet gebeld. Ik belde naar zijn huis in Aurora, New Hampshire. Toen hij mijn stem hoorde, vroeg hij sarcastisch: 
‘Hé, Marcus! Ben jij dat echt? Ongelooflijk. Sinds je een ster bent laat je nooit meer iets van je horen. Ik heb je een maand geleden proberen te bellen, maar toen kreeg ik je secretaresse aan de lijn die zei dat je voor niemand bereikbaar was 
.’ Ik wond er geen doekjes om. 
‘Het gaat slecht met me, Harry. Ik geloof dat ik geen schrijver meer ben.’ Hij werd direct serieus. 
‘Wat zeg je me nou, Marcus?’ 
‘Ik weet niet wat ik moet schrijven, ik ben leeg. Writer’s block. Al maandenlang. Misschien al wel een jaar.’ Hij barstte uit in een geruststellende, warme lach. 
‘Gewoon een mentale blokkade, Marcus! Writer’s block is even stompzinnig als een erectiestoornis vanwege faalangst: het is de angst van het genie, dezelfde paniek die je piemeltje helemaal slap maakt als je op het punt staat de koffer in te duiken met een bewonderaarster en je aan niets anders meer kunt denken dan dat je haar een orgasme moet bezorgen dat in de schaal van Richter valt. Probeer gewoon niet geniaal te zijn en zet wat woorden achter elkaar. Dan komt het genie vanzelf wel.’ 
‘Denk je?’ 
‘Dat weet ik wel zeker. Maar je moet wel minderen met die glamourfeestjes en petitfours. Schrijven is geen kattenpis. Ik dacht dat ik je dat wel had bijgebracht.’ 
‘Maar ik werk me te pletter! Ik doe niet anders! Ik krijg gewoon geen woord op papier!’ 
‘In dat geval werk je niet op de goede plek. New York is leuk en aardig, maar vooral ook heel rumoerig. Waarom kom je niet hierheen, zoals toen je nog bij me studeerde?’
Weg uit New York, een andere omgeving. Nooit had een uitnodiging om in ballingschap te gaan zo zinnig geklonken. Weggaan om op het Amerikaanse achterland inspiratie op te doen bij mijn oude leermeester: dat was precies wat ik nodig had. En zo vestigde ik me een week later, halverwege februari 2008, in Aurora, New Hampshire. Dat was een paar maanden voor de dramatische gebeurtenissen die ik hier zal beschrijven.

*

Copyright Nederlandse vertaling © 2014 Manik Sarkar
Copyright foto auteur © Jérémy Spierer

Uitgeverij De Bezige Bij

MINDBOOKSATH : athenaeum