Leesfragment: Het land 32

27 november 2015 , door Daan Heerma van Voss
| |

Op 27 februari verschijnt Het land 32, de nieuwe roman van Daan Heerma van Voss. Wij publiceren voor.

'Wat ik met het lichaam moet doen, is onduidelijk. Mijn impulsen laten me in de steek. Er zit vlees aan het dier, maar hoe het te villen? Met het potlood kom ik niet door de huid heen, en hem er met mijn tanden af scheuren durf ik niet, ik ben geen beest, en daarin ligt al mijn zwakte.'

In Het land 32 zijn liefde, verbeelding en macht de inzet van een gevaarlijk spel. Hoofdpersonen zijn een man die Marlon Brando heet, de oude Vrijdag en het meisje Penny Lane. Penny komt in verschillende gestalten terug in de herinneringen van Marlon, maar hij krijgt geen greep op wie zij is en welke rol zij in zijn leven speelt. Zijn welhaast dierlijke zoektocht naar antwoorden raakt aan de wezenlijkste vragen over het behoud van het eigen lichaam, verlies van waardigheid, schuld en angst, en door alles heen altijd het verlangen naar geborgenheid en liefde.

De volgeschreven papieren liggen op de grond, mijn verbeelding is uitgewerkt, het apenverhaal ten einde, de eerste ronde van het spel gespeeld. De kat ligt op mijn schoot. Een toegetakeld lichaam. Een geknakt nekje. Ik weet dat ik het gedaan heb, al kan ik mij van de daad niets herinneren. Ik kijk naar opzij, naar de camera. Het is geregistreerd. Het was dier tegen dier, een eerlijk gevecht in de zin dat ieder oneerlijk gevecht in de natuur eerlijk van aard is. Level twee.
Wat ik met het lichaam moet doen, is onduidelijk. Mijn impulsen laten me in de steek. Er zit vlees aan het dier, maar hoe het te villen? Met het potlood kom ik niet door de huid heen, en hem er met mijn tanden af scheuren durf ik niet, ik ben geen beest, en daarin ligt al mijn zwakte.
Ik klim op de flipperkast en leg het dier op de tak, zijn voorpoten bungelen aan de ene kant, zijn achterpoten aan de andere. Zijn nek ligt in een harde, schuine knik, de punt van zijn oor is nog altijd geblakerd, en zijn staart is stijf.
Mijn rechterduim is beurs. Zo ziet de hand van een moordenaar eruit: niet rood van bloed, maar beurs, van eenzelfde blauw als iemand die stompzinnig tegen een deur is aan gelopen.
Mijn blik valt op de papieren. Volgeschreven, vierduizend woorden, op uw bevel, op iemands bevel, omdat de zaak ook moet vreten. Wie was de vrouw op de trap? Waarom schrikt zij me af, en nodigt ze me tegelijkertijd uit? Waarom heb ik het idee dat ik naar haar toe moet, altijd, al weet ik niet waar ze is? Doodvermoeid ga ik op de grond zitten, sleep ik mezelf naar mijn strobed, en ik val in een slaap vergeven van eetbaar vlees.
'Daar heb je niet veel aan.'
Ik schrik wakker, het is zo lang geleden dat ik een andere stem heb gehoord dat ik niet geloof dat hij echt is, en hem direct als gevaarlijk beschouw. Ik grijp om me heen, pak het potlood, en houd het als een mes omhoog. Tegenover mijn bed staat een oude, grijze man met een in rimpels uiteengevallen gezicht. Zijn gezicht is een woestijn. Putten, craquelés, droge vlakten. De rimpels zijn diep, gekerfd. Hij is lang, tanig, gespierd, op een dierlijke manier imponerend. Hij is oud, niet omdat hij jaren heeft verloren, maar omdat hij veel heeft doorstaan. Doorstaan en niet doodgaan, dat is hetzelfde als overwinnen.
Hij kijkt niet naar mij, maar naar mijn volgeschreven papieren, die hij in zijn hand houdt, leest en sorteert. Zijn ene oog is melkachtig wit. 'Vermakelijk verhaal. Beetje vies. Gal is zo'n woord... ik zou het niet gebruiken. Schrikt af. De aanval op die jonge aap...', hij kijkt naar de in tweeën gebroken kat, die over de tak hangt, 'autobiografisch?'
'Wie ben jij? Is dit een interview?'
'Je weet wel dat je geen aap bent, mag ik hopen?'
'Wie ben jij?' Ik kom omhoog, nog altijd met het potlood naar voren gericht. De punt trilt. 'Ik stel je een vraag.'
'Laat dat potlood zakken. Dit is een ontzettend lullig gezicht.'
'Wie of wat ben jij? Heeft de zaak je gestuurd?'
'O ja, de zaak. De eeuwige zaak.'
'Kennen wij elkaar?'
Hij kijkt vermoeid, als iemand die op een getergde manier zijn ongeduld wil laten blijken. 'Natuurlijk kennen wij elkaar.'
'Hoe lang al?'
'Lang. Zo lang dat hoe lang een ongepaste vraag is.'
'Wat ben jij?'
'Ha.' Hij laat de papieren zakken, mijn papieren, en kijkt me langdurig aan, met zijn ene normale oog, en met zijn aangetaste, dat verkeerd om in zijn kop lijkt geplaatst, niet naar de wereld, maar naar de binnenkant van zijn schedel. 'Ik ben een mens. Uiteraard.'
'Dat zie ik ook wel. Wat doe jij hier, bedoel ik, wat is je functie?
Ben jij de spelleider?'
'Wat een simpelheid. Functie.'
Hij maakt me kwaad. Des te kwader word ik wanneer ik voel dat hij mijn woede bemerkt, en niets doet om deze weg te nemen.
'Waar ken ik jou van?' vraag ik.
Zijn armen, behaard en pezig, gaan over elkaar. Hij draagt een grijs t-shirt, een ruime, versleten pantalon en een soort plastic klompen. Aan zijn riem bungelt een zilverkleurige zaklamp. 'Het ging zo goed met je. Het ging zo lang zo goed. En nu deze terugslag. Ik dacht echt dat je er deze keer uit zou komen. Dat het je zou lukken.'
'Je naam.'
'Vrijdag.'
'Wat?'
'Mijn naam is Vrijdag.'
'Dat is belachelijk. Dat is een belachelijke naam.' Maar ik weet dat het de zijne is.
'Het is mijn naam,' zegt hij onaangedaan. Hij vouwt het verhaal in vieren en stopt het in zijn broekzak. 'Hoe waren de groenteburgers?'
'Waarom zou ik je geen Barry noemen? Of John F. Kennedy?'
'Omdat ik zo niet heet. En omdat, als ik de situatie goed inschat, jij niet weet wie John F. Kennedy is. Waren ze goed, de burgers?'
Hij heeft gelijk. Wie is dat in vredesnaam? Hoe weet die oude man wat ik weet? 'Hoe heet je?' vraag ik.
'Vrijdag.'
'Zo komen we nergens.'
'Wil je me zeggen dat je niet intuïtief aanvoelde dat Vrijdag een naam was, en geen dag? Je wist het. Hoe zou je het kunnen weten, als je me niet kende? Hoe zou je Vrijdag anders in je verhaal hebben kunnen gebruiken als naam, en niet als dag?'
'Hoe denk jij te kunnen weten wat ik weet?'
'Je bent verder heen dan ik dacht. Dit is een serieuze terugval.'
'Waar heb je het over? Een terugval van wat, naar wat? Waarom zit ik hier?'
'Niet zoveel vragen tegelijk. Daar moet je zelf achter zien te komen. Ik kan je hooguit helpen.'
'Weet jij het?'
'Ik weet meer dan jij. Dat is alles wat jij hoeft te weten.'
Ik laat het potlood zakken en stap dichterbij. De man is langer dan ik. Langer en ouder. Slimmer. Ook hij zou me verslaan, welke wedstrijd ik ook zou voorstellen. 'Wie zegt dat je geen fantasiebeeld bent? Een hersenschim, opgewekt door mijn eenzaamheid, mijn honger, mijn fysieke conditie?'
Zijn beweging is ongemeen snel. Hij slaat me met de vlakke hand op mijn wang, en voor ik kan reageren is zijn arm alweer in zijn oorspronkelijke positie. 'Zou een hersenschim dat kunnen?'
Ik voel de linkerkant van mijn gezicht gloeien. Maar ik laat niets merken. Ik stap naar voren en reik met mijn hand naar zijn gezicht. Het is een vreemd gebaar, dat besef ik, maar hij protesteert niet. Zijn gezicht is droog, de gekerfde rimpels zijn gipsachtig.
'Dit is niet normaal,' zegt hij, 'wat je aan het doen bent.'
Ik trek mijn hand terug. Kijk naar de camera.
'Je begint zomaar aan mijn gezicht te voelen. Dat is toch niet normaal?'
'Je deed niets om me tegen te houden.'
'Dat betekent toch niet dat het niet ongepast is voor twee mannen om zomaar aan elkaars gezicht te gaan voelen?'
'Jij voelde niet aan het mijne.'
'Dat zou er nog bij moeten komen.'
'Weet jij hoe ik heet?' vraag ik. Ik klink angstig. Zijn adem ruikt naar oud rubber.
'Ja.'
'Juist.' Ineens besef ik dat ik het niet wil weten. Niet nu al. De kennis van mijn eigen naam, zo plotseling, zo achteloos vrijgegeven, zou me overvallen, hoe die naam ook zou luiden, en me vervullen met schaamte over alles wat ik vergeten ben. Ik stel een andere vraag. 'Waarom heet jij Vrijdag?'
'Ik word genoemd naar de dag waarop ik ze vind. Maar dat weet je ook.'
'Ze?'
'Jullie.'
'Jullie?'
Hij wijst naar mijn borst. 'Ik vond jou op een vrijdag.' Zijn gezicht heeft iets grimmigs, iets sarcastisch gekregen. 'Die dag gaven de goden jou aan mij.'
De geruststelling dat er inderdaad nog dagen zijn, dat het rad doorloopt, en dat er iemand is die de tel bijhoudt, ze werkt verlammend, en verdwijnt dan. Er is geen geruststelling geweest. 'Goden...' stamel ik.
'Hoe je die figuren ook noemt. Als je de kans hebt toeval goddelijk te noemen, dan laat je dat toch niet na?'
'Wat moet ik doen, met die vierduizend woorden? Wat moet iemand als ik met vierduizend woorden?'
'Precies wat je nu hebt gedaan. Verhalen vertellen.'
'Waarom?'
'Omdat dat de eerste regel is.'

Copyright © 2014 Daan Heerma van Voss

Uitgeverij De Bezige Bij

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum