Leesfragment: Hier wonen ook mensen

27 november 2015 , door Rob van Essen
| | |

Op 14 augustus verschijnt Rob van Essens verhalenbundel Hier wonen ook mensen. Wij publiceren voor. ‘Twee keer per week arriveerde een busje uit de dichtstbijzijnde stad, met een Mexicaans echtpaar, een kok en een kale boeddhistische monnik in een zwarte pij. Wanneer het busje vijf uur later weer vertrok, had het Mexicaanse echtpaar het huis schoongemaakt, de kok de maaltijden voor de komende dagen bereid en de boeddhistische monnik het grind in de rotstuin in nieuwe patronen geharkt.’

Ze zijn allemaal op zoek naar geluk, verlossing en verlichting, de personages in Hier wonen ook mensen, allen op hun eigen manier. Sommigen gaan op zoek naar oude boeddhistische rituelen in Korea, anderen trekken de woestijn in, reizen naar Portugal of keren terug naar het ouderlijk huis. Ondertussen komt God langs bij Richard Dawkins en worden in kroegtoiletten pistolen getrokken. In de verhalen van Rob van Essen zijn melancholie en waanzin nooit ver weg, maar in de meest onverwachte hoeken schuilt humor en genade. Van Essens veelgeprezen laconieke stijl maakt deze verhalen een traktatie voor lezers die zich graag verbazen. 

 

De godservaring van Walter Denitz

Tot het moment waarop de vrouw aan de overkant van het water verscheen, bestond er geen tijd meer in het leven van Walter Denitz. Natuurlijk, de dagen regen zich aaneen, de zon kwam op, de zon ging onder, maar nu Walter niets meer hoefde te doen, zou je net zo goed kunnen zeggen dat na elke nacht weer dezelfde dag aanbrak; en ook het feit dat hier, aan de rand van de woestijn, de weersomstandigheden nooit veranderden, droeg bij aan het idee van een stilstaande tijd waarin dezelfde dag zich eindeloos herhaalde.
Wanneer hij in zijn grote, uit één bouwlaag bestaande huis rondliep, verbaasde Walter zich soms over zijn geschiedenis. Die verbazing was niet ironisch of berustend; ze was zuiver, onvermengd met ander emoties, een verbazing die als ze iets sterker werd aangezet, zou leiden tot gefrons en de vraag hoe het allemaal zo gekomen was. De relativerende, stoïcijnse houding die bij zijn vrienden zoveel bewondering had afgedwongen toen hij zijn strips nog in undergroundbladen publiceerde en zijn inkomen rond het bestaansminimum schommelde, zou hem in zijn huidige positie goed van pas komen, maar hoorde inmiddels bij het verleden. Het was alsof hij een stadium had overgeslagen: het stadium van brandende ambitie. In de tijd dat hij een verbeten om erkenning en beloning strijdende kunstenaar had moeten zijn, had hij alvast een voorschot genomen op de kalme houding die paste bij iemand die geslaagd was en zich geen zorgen meer hoefde te maken; en nu hij inderdaad geslaagd was en zich geen zorgen meer hoefde te maken, was de bijpassende houding niet meer beschikbaar omdat hij haar al had opgebruikt. Het was alsof hij in zijn dagen van armoede al had geweten hoe het zou eindigen, zodat er geen reden was geweest om zich ongerust te maken.
Hij was niet ongelukkig. Als hem gevraagd werd hoe hij zich voelde, zou hij waarschijnlijk antwoorden: tijdloos. Toch was niet elke dag hetzelfde. Twee keer per week arriveerde een busje uit de dichtstbijzijnde stad, met een Mexicaans echtpaar, een kok en een kale boeddhistische monnik in een zwarte pij. Wanneer het busje vijf uur later weer vertrok, had het Mexicaanse echtpaar het huis schoongemaakt, de kok de maaltijden voor de komende dagen bereid en de boeddhistische monnik het grind in de rotstuin in nieuwe patronen geharkt.
Walter had deze mensen zelf bij elkaar gezocht. Soms vroeg hij zich af waar ze over spraken tijdens de lange rit, of ze elkaar in de loop der tijd beter hadden leren kennen, of ze informeerden naar elkaars gezondheid, of ze bij elkaar over de vloer kwamen. Wanneer ze aan het werk waren, sprak hij nauwelijks met hen. Meestal stond hij uren voor het raam en keek toe hoe de monnik het grind harkte. Elk jaar kocht hij een nieuw busje voor ze.
Ze spraken ook nauwelijks met hem. Blijkbaar wisten ze wel wie hij was, want de Mexicaanse vrouw had ooit een poster van de Frutzles voor hem uitgerold en gevraagd of hij die wilde signeren. Hij deed dat, achteloos, alsof hij het elke dag deed. Hij vroeg zich af of ze de volgende keer met ander materiaal (bekers, t-shirts, schoolspullen) zou komen, maar ze hield het bij die poster, die blijkbaar voor gebruik in eigen kring was. In ieder geval dook er op internet nergens een aanbieding op van een door de maker zelf gesigneerde Frutzlesposter.
Veel andere mensen kwamen niet langs. Walter haalde zelf zijn post op in de dichtstbijzijnde nederzetting. Verzoeken voor interviews wimpelde hij af. De enige andere vaste gast was de Finse architect die dit huis had ontworpen en bedongen had dat hij één keer per jaar met een groepje studenten mocht langskomen. De studenten luisterden bedachtzaam knikkend naar de uitleg van de architect, namen zo nu en dan een foto en glimlachten bescheiden wanneer ze Walters blik vingen. De architect was telkens weer een jaar ouder, maar de studenten zagen er ongeacht hun herkomst elk jaar hetzelfde uit en goten hun bewondering voor het huis in exact dezelfde termen als hun voorgangers.

Hij was meteen voor deze plek gevallen. Als je op het terras stond, keek je kilometers ver de woestijn in, tot aan de trillende horizon, een uitzicht waarin niets gebeurde. Aan de andere kant van het huis werd het uitzicht afgesloten door een bergrug die in de loop van de dag van donkerrood naar lichtroze naar roestbruin verkleurde. Voor de bergrug lag een strook spiegelend water. Toen de makelaar hem in zijn vliegtuigje had meegenomen om dit gebied te laten zien, had Walter gedacht dat het een langwerpig meer was. Maar de makelaar had uitgelegd dat het ging om een doodlopende zijarm van een rivier, waaruit per dag net zoveel water verdampte als werd aangevoerd, zodat het waterpeil gelijk bleef. Toen Walter dat hoorde, had hij het perceel meteen gekocht. Daarna had hij de Finse architect opdracht gegeven een langgerekte woning te ontwerpen van één bouwlaag, met veel blank hout, grote, geschakelde ruimtes en een plat dak dat hier en daar ver uitstak om schaduw te geven. Dit was wat hij had gewild: iets langgerekts om in rond te dwalen en waarin verder niets gebeurde, iets zonder trappen of verdiepingen, alsof tijd verticaal was en eeuwigheid horizontaal.
En nergens iets wat herinnerde aan de vierling die dit alles mogelijk had gemaakt: Fritz, Fratz, Fretz en Frotz Frutzle. Ze waren even binnengekomen toen de Mexicaanse vrouw had gevraagd of hij de poster wilde signeren, maar diezelfde dag nog waren ze weer vertrokken, opgerold, in een kartonnen koker, zonder sporen na te laten.
Niets herinnerde hier aan zijn werk. Zijn archief bevond zich ergens in een opslag aan de westkust. Hij betaalde er nog steeds huur voor, maar het adres kende hij allang niet meer uit zijn hoofd en soms stelde hij zich voor hoe alles daar rustig lag te vergaan, ten prooi aan vocht en kleine beestjes die van papier leefden. Nog steeds ontving hij zo nu en dan een uitnodiging om langs te komen op een stripconventie. Dan ging het niet om de Frutzles, maar om eerder werk, Dr. Sjutsi, The School of Sex Lords – verzamelaars betaalden inmiddels grof geld voor de paar albums die destijds waren uitgebracht. Ook de Frutzles dateerden uit die tijd: de redactie van een van de bladen waarvoor hij werkte wilde een themanummer uitbrengen met kinderstrips, en omdat Walter voorzag dat zijn collega’s zich zouden overgeven aan vermoeiende parodieën vol goorheid en geweld, besloot hij als ultieme parodie een echte kinderstrip te maken, zonder poep, pis en anale seks. Zo ontstonden op een achternamiddag Fritz, Fratz, Fretz en Frotz Frutzle, en Walters agent (die tot dan toe geen grote rol in zijn leven had gespeeld) zag meteen de mogelijkheden van het kleurrijke kwartet. Walter had zijn twijfels, maar de agent drong aan en zette hem aan het werk. Binnen een paar jaar was het bekeken. Eerst kwamen de strips, daarna de merchandise (kleding, speelgoed) en de tekenfilms. Het geld stroomde binnen, en algauw werd het bedenken en tekenen aan anderen overgelaten. Walter ontwierp een protocol waaraan de nieuwe schrijvers en tekenaars zich moesten houden en ruilde zijn rechten voor een percentage, en dat was het einde van zijn actieve bemoeienis met zijn creaties.
Binnen verbijsterend korte tijd werden de avonturen van de Frutzles in meer dan honderd landen uitgezonden, en in China werd een studio gebouwd waar letterlijk aan de lopende band nieuwe filmpjes werden gemaakt. Walter kocht een huis in de Hollywood Hills, wees steeds vaker interviewverzoeken af en liet zijn baard staan. Hij bleef strips tekenen, maar deed steeds langer over een pagina. Geld was geen probleem meer en hij had alle tijd van de wereld. Hij maakte lange reizen, en op elke hotelkamer waar hij overnachtte, telde hij hoeveel keer hij moest zappen voor hij de Frutzles tegenkwam. Maar het reizen verveelde hem, en dus bleef hij thuis, in zijn eigen omgeving, rustig, op zijn gemak, als een kampeerder die een beetje bij zijn tent rondscharrelt. Zijn agent (die inmiddels van het geld dat hij aan de Frutzles had verdiend een ranch op een eiland in de Stille Zuidzee had laten bouwen) drong er bij hem op aan dat hij vaker de deur uit moest en meer geld moest uitgeven, maar Walter liet zich niet opjagen. Tijdens een van zijn dagelijkse bezoeken aan de supermarkt (‘Laat dan op z’n minst je boodschappen thuis bezorgen!’ had zijn agent ooit uitgeroepen) zag hij dat er vrijwilligers werden gevraagd om een verwaarloosd park schoon te maken en te onderhouden. Onder de naam Walter Smith sloot hij zich aan bij de groep buurt- en milieuactivisten die een paar middagen per week in het park aan het werk gingen. Hij vertelde dat hij als programmeur werkte en begon iets met een van de vrouwen uit de groep. Haar zoontje sliep onder een Frutzlesdekbed, en om het jongetje te verrassen, maakte hij onder schooltijd op de muur van diens slaapkamer een grote schildering van de vier Frutzles; hij moest even nadenken welke kleur ook weer bij welke Frutzle hoorde.
Nadat het trotse jongetje de schildering aan zijn schoolvriendjes had laten zien, vroegen de moeders van die vriendjes aan Walter of hij ook voor hun zoontjes zoiets wilde maken. Een paar maanden lang reed hij door de kalme, schaduwrijke straten van de voorsteden van kinderkamer naar kinderkamer, om als ‘die aardige computerprogrammeur die zo goed kan tekenen’ scènes uit het leven van de Frutzles op muren te schilderen. Elke opdracht zorgde weer voor nieuwe opdrachten, en met verscheidene moeders ging hij naar bed. Hij vroeg een bescheiden bedrag voor zijn schilderingen, nauwelijks genoeg om de verf te betalen, en de ironie van dit nieuwe bestaan beviel hem wel. Die ironie kreeg nog een extra laag toen zijn agent, altijd op jacht naar mensen en bedrijven die op illegale wijze een graantje van het succes van de Frutzles wilden meepikken, hem meldde dat zijn kantoor een kunstenaar op het spoor was die Frutzles op muren van kinderkamers schilderde. De verleiding was groot om door te gaan om te zien wat ervan kwam (Walter nam aan dat de kans vrij groot was dat hij daadwerkelijk in overtreding was), maar bij nader inzien zag hij op tegen het gedoe en besloot hij geen nieuwe opdrachten voor kinderkamers meer aan te nemen, en dat betekende meteen het einde van programmeur Walter Smith. Hij wilde meer leegte, meer ruimte, en twee dagen later zat hij in een privévliegtuig naast een makelaar die vertelde dat het water dat hij beneden zag geen meer was, maar een doodlopende zijarm van een rivier. Wanneer hij door zijn huis liep, met achter de ene glaswand de woestijn en achter de andere het water en de bergrug (waarachter meer woestijn), liet hij gedachten gaan en komen. Soms probeerde hij iets te tekenen, maar dat lukte niet goed. Zijn hart lag er niet in, en daar had hij vrede mee. Hoe belangrijk was het nog? De wereld was van een grote onmetelijkheid geworden. Hij had het niet geweten, maar dit is wat je kocht met geld: ruimte. Niet alleen hier, op zijn eigen grond; hij ervoer het ook de paar keer per jaar dat hij zijn huis verliet en in een vreemde stad rondliep. Overal was ruimte om hem heen, alsof de wereld hem met rust liet. Het was eenzaamheid, maar een mooie eenzaamheid, alsof hij in z’n eentje in een leeg stadion stond; je werd onbetekenend, je was er bijna niet. Als hij nog rijker was, zou hij helemaal verdwijnen. Maar nu was er die vrouw.

Dit was al de tweede dag dat ze aan de overkant van het water zat. Net als gisteren was ze met een bootje komen aanvaren, een oranje rubberboot met buitenboordmotor. Ze had een klein meisje bij zich, en een grote picknickmand, en een parasol. Moeder en dochter, dat kon niet anders. Wat zochten ze hier? Vanaf het terras bestudeerde Walter ze door zijn verrekijker. Ze zaten op de oever, op dezelfde plek als gisteren, onder de parasol, die een flauwe knik in zijn steel had. Achter hen de pastelkleuren van de bergrug. De boot was half aan land getrokken, de buitenboordmotor omhoog geklapt, als een ingewikkeld stuk afweergeschut. Het was of hij nog steeds een verre echo hoorde van het motorgeluid waarvan hij gisteren zo was geschrokken, juist omdat het zo zacht was. Dit was niet het snelle, jagende geluid van motoren die door de woestijn scheurden, dit was anders geweest – het rustige gebrom van iets dat zich langzaam voortbewoog, niet op weg naar de horizon, maar naar hem. Hij was naar buiten gelopen en had in de verte het bootje zien langs varen, het meisje voorin, met een felroze zwemvest, de vrouw achterin, met één hand aan de stuurhendel en de andere in haar schoot. Ze hadden aangelegd en zich op de oever geïnstalleerd. Een vreemde plek om een kind mee naartoe te nemen – zo’n vreemde plek dat hij niet om de gedachte heen kon dat de komst van de vrouw en het meisje iets met hem te maken moest hebben.
Hij stelde scherp op de vrouw. Ze droeg een wit badpak en lag te lezen, languit, op een grote handdoek, onder de parasol. Ze las een dikke paperback, waarvan hij de titel niet kon onderscheiden. Naast de vrouw lag het meisje te slapen, met op haar hoofd een wit zonnehoedje. Aan haar voeten stond het emmertje waarmee ze eerder bij het water had gespeeld. Hij zwenkte het beeld terug naar het gezicht van de vrouw. Hij wist zeker dat hij haar nooit eerder had gezien.

[...]

 

© Rob van Essen, 2014

Uitgeverij Atlas Contact

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum