Leesfragment: Noordgeest

27 november 2015 , door Ricus van de Coevering
| |

6 november wordt bij Athenaeum Boekhandel Ricus van de Coeverings tweede roman Noordgeest gepresenteerd. Wij publiceren voor. ‘Ze had altijd gedacht dat haar vader alle spullen van Ama had weggegooid. Nieuwsgierig sloop ze met de doos een verdieping hoger, naar haar eigen kamer, waar ze de inhoud bekeek. Een katoenen rok en een blouse, een paar slippers en een paar sandalen, een enkelbandje van houten kralen, een beduimeld dichtbundeltje van Aquah Laluah, Ama’s favoriete Afrikaanse dichteres, en een paar kanten slipjes. Ze hield haar adem even in. Waarom had haar vader dit allemaal bewaard? En wat moest hij in godsnaam met Ama’s slipjes?’

Kun je de toekomst naar je hand zetten? Wat laat je na aan je kinderen? Over de opkomst en ondergang van Willem Noordgeest en zijn familie.

Willem Noordgeest heeft maar één droom: de eer van zijn familie herstellen. Die was rijk in de Gouden Eeuw, maar is in later tijden aan lager wal geraakt. Hij wil een voornaam grachtenpand bewonen en zijn kinderen in staat stellen in grote stijl te leven.

Na de dood van zijn vrouw en een carrière op zee brengt Willem uit Afrika de mooie Ghanese Ama mee. Zij zal de verzorging van zijn zoon en dochter op zich nemen. Als Ama op een dag plotsklaps verdwijnt uit het leven van de kinderen komen de spanningen in het gezin tot een climax en raakt Willem de regie volkomen kwijt.

Noordgeest is een roman over de verheerlijking van het verleden en het verlangen om over het graf heen te regeren.

 

Hoofdstuk 1

Willem hoorde het dreunen van een diesel en liep naar het raam. Een rondvaartboot schoof tussen de oude gevels voorbij. Terwijl hij naar het flitslicht keek, vroeg hij zich af op hoeveel foto’s hij onbedoeld stond afgebeeld. Zeker honderden en misschien wel duizenden. Pas als die toeristen thuiskwamen en de foto’s goed bekeken, ontdekten ze hem misschien, maar ze zouden niet zien wat hem zo bijzonder maakte.
Toen hij zich van het raam afwendde, sloeg de pendule op de schouw vier en voelde hij een mengeling van melancholie en spanning in hem opkomen omdat het over minder dan een week oud en nieuw was. Negentien tachtig, herhaalde hij een paar keer in gedachten – tachtig, tachtig, om er alvast aan te wennen. Terwijl hij leunend op zijn stok de gang in liep, voelde hij zich met zijn stijve knie wel zeventig jaar oud in plaats van zevenenveertig. Nadat hij zijn lange jas had aangetrokken, bekeek hij zichzelf in de spiegel: hij had duidelijk de haakneus van Ferdinand Janszoon Noordgeest, zijn beroemdste voorvader, medeoprichter van de VOC, wiens levensgrote portret achter hem aan de muur hing. Alsof hij de gelijkenis voor het eerst zag wipte hij trots met zijn hakken van de grond, toen riep hij met zware stem Thomas en Rosa, zijn kinderen.
Thomas kwam uit de achterkamer gelopen met een stripboek in zijn hand. Willem commandeerde hem zijn zus te gaan halen, waarna Thomas de trap op rende. Even later kwam hij naar beneden met een boodschappenbriefje, omdat Rosa geen zin had om mee te gaan.
‘Haas,’ mompelde Willem, toen hij het slordige handschrift van zijn dochter had ontcijferd, daarna opende hij de zware eikenhouten voordeur. Moeizaam, trede voor trede, met één hand aan de leuning en de andere hand stevig om zijn stok geklemd ging hij het trapje naar de gracht af. Het zout dat hij er ’s ochtends gestrooid had, knisperde onder zijn zolen. ‘Maar jij gaat ’m kopen Thomas, want ik zet daar geen voet binnen.’
Willem zette zijn kraag omhoog tegen de gure wind die over de gracht blies en liep samen met zijn zoon de eerste zijstraat in. Hij zag dat veel pandjes nog steeds te koop stonden. Ze kwamen langs dichtgetimmerde ramen en nissen die naar pis stonken. Wie tegenwoordig een gezinnetje wilde stichten trok de oude stad uit, de provincie in, waar de mensen hun eigen stoepje tenminste nog veegden. Nog even en zijn huis was minder waard dan toen hij het gekocht had, maar gelukkig sloeg de verloedering op de mooiste gracht van de stad minder hard om zich heen dan hier. Hij kwam langs de winkelruimte van zijn ouderlijk huis, waar vroeger de slagerij van zijn vader was. Tegenwoordig was er een broodjeszaak gevestigd, maar die bleek vandaag gesloten. Hij keek omhoog naar de eerste verdieping, waar hij opgegroeid was en waar zijn moeder tot anderhalf jaar geleden nog gewoond had. Na een hersenbloeding was ze gestorven. Nu verhuurde hij de verdieping aan twee studenten. Ze betaalden de huur op tijd, maar klaagden altijd over de staat van onderhoud. Ze moesten niet zo zeuren, dacht Willem terwijl hij verder liep, leunend op zijn stok.
Een eindje verderop hield een donkere man een magere junk bij zijn arm vast. Hij liet hem iets zien dat op zijn handpalm lag. Ze lachten met bruine tanden naar elkaar. Willem hield zijn stok stevig vast, zodat hij zichzelf en zijn zoon ermee zou kunnen beschermen, maar besloot voor alle zekerheid om toch rechtsaf te slaan, de kortste route de straat uit. ‘Dan maar een eindje om, hè Thomas?’ zei hij tegen zijn zoon, maar die had niks in de gaten; Thomas liep zijn stripboek te lezen.
In de winkelstraat rook Willem de vette lucht van wafels en oliebollen. De kerstverlichting in de etalages knipperde, belletjes tingelden, in de verte klonk geknal van vuurwerk. Iedereen scheen opgewekt en vrolijk en juist die vrolijkheid deed hem beseffen hoe eenzaam hij zich voelde.
Hoe dichter hij bij de slager kwam, hoe langzamer hij ging lopen – voor de etalage bleef hij staan. Hij zag de gestroopte konijnen aan de haken en de lappen vlees in de vitrines. Telkens als de deur open- en dichtging, rook hij die weeë geur van vroeger weer, de geur die hem naar zee had gejaagd. Hij moest weer aan zijn jeugd denken, aan zijn vader, de winkel, en hij gruwde ervan. Rond deze tijd moest hij ’s middags na school vaak helpen met slachten: konijnen, hazen, een varken. Niet het slachten zelf, maar de manier waarop was hij gaan haten. Zijn vader was zo ruw met de dieren dat ze hun poten braken en pezen scheurden voordat ze dood waren. Het was altijd een opluchting geweest als hun kelen eindelijk waren doorgesneden en hun bloed over de klinkers liep. Op zaterdagen moest hij zijn moeder helpen achter de toonbank: vlees verkopen, vriendelijk zijn voor de klanten, glimlachend gehakt malen, biefstuk inpakken en tussendoor bloed en vet van zijn vingers wassen.
‘Tot zo,’ zei hij vol walging en hij gaf zijn zoon geld mee. Daarna liep hij naar een ijzerwinkel een eindje verderop en keek hij in de etalage naar vijlen, hamers en houtboortjes, waar hij er een paar van nodig had. Het was stil in de winkel en nadat hij geholpen was, keek hij er nog even rond. Toen hij weer buiten kwam, stond Thomas op hem te wachten met de haas als een koude baksteen onder in een plastic tas.
‘En nu, de groenteboer of eerst de slijterij?’ vroeg Willem. Thomas antwoordde dat hij ijs moest hebben van de supermarkt. Hij de toetjes, zijn zus het hoofdgerecht, zo hadden ze het afgesproken.
‘Dan kopen we daar de rest wel,’ mompelde Willem.
Toen ze even later met alle boodschappen voor het avondmaal langs de gracht sjokten, brandden de straatlantaarns al. Twee toeristen met een kaart in de hand kwamen hen tegemoet en bekeken de verlichte oude gevels met de familiewapens in de hoogte. Terwijl Thomas de boodschappen het trapje op sjouwde, viel het Willem op hoe stil en donker het binnen was. Zijn longen begonnen te piepen en hij begon te hoesten – zo hard en lang dat hij aan de deurpost steun moest zoeken.

*

Terwijl haar vader en broertje naar de winkel waren, doorzocht Rosa de linnenkast van haar moeder op zoek naar iets dat bij haar nieuwe rokje paste. Ze had vanavond een afspraak met Peter, haar nieuwe vriend, en kon niet wachten om hem weer te zien. De gesloten muffe vitrages voor het raam bewogen in de tocht. Ze paste snel een truitje en daarna een blouse. Vroeger, toen haar moeder nog leefde, had ze hier vaak geslapen, maar tegenwoordig kwam ze hier liever niet. Haar vaders pyjama lag op het tweepersoonshemelbed midden in de kamer en aan een spijker in de muur hing zijn kapiteinspet met een laagje stof erop. De geur van mottenballen steeg op uit zijn kast, ze werd er misselijk van. Toen ze de piepende deuren wilde sluiten, zag ze onderin een kartonnen doos staan. Ze vouwde hem open en ontdekte tot haar verwondering dat er spullen van Ama in zaten, de hulp in de huishouding, die een jaar geleden uit huis was gevlucht.
Rosa luisterde op de gang of haar vader en broertje al terug waren, maar het was stil in huis. Ze had altijd gedacht dat haar vader alle spullen van Ama had weggegooid. Nieuwsgierig sloop ze met de doos een verdieping hoger, naar haar eigen kamer, waar ze de inhoud bekeek. Een katoenen rok en een blouse, een paar slippers en een paar sandalen, een enkelbandje van houten kralen, een beduimeld dichtbundeltje van Aquah Laluah, Ama’s favoriete Afrikaanse dichteres, en een paar kanten slipjes. Ze hield haar adem even in. Waarom had haar vader dit allemaal bewaard? En wat moest hij in godsnaam met Ama’s slipjes?
Kort na het overlijden van haar moeder was Ama in huis gekomen om voor het huishouden te zorgen. De eerste dagen had Rosa aan Ama moeten wennen en hadden ze weinig contact gehad. Ama was toen negentien jaar oud geweest, zes jaar ouder dan zijzelf, en ze was verlegen en praatte niet zo graag. Maar al gauw werden ze vriendinnen. In die jaren kon ze met Ama overal over praten: over jongens, over haar uiterlijk, over de liefde en seks. Ama had eens verteld over een mooie jongen uit haar geboortedorp. Ze was al verliefd op hem geworden toen ze nog maar een meisje was, maar ze had het hem nooit durven vertellen. Op een avond werd hij door het dorpshoofd gestraft omdat hij diens dochter zou hebben verleid. Ama hoorde hem schreeuwen en kermen en toen ze ging kijken, zag ze hem tegen een boomstam aan staan met zijn handen en voeten samengebonden en een krans van takjes en stro rond zijn hals. Ze kon door de vlammen zijn gezicht niet zien. Ze was die nacht het dorp uit gevlucht, naar Accra, om er een nieuw leven op te bouwen.
Ama had zachtjes gehuild en gezegd dat ze het verhaal nog nooit aan iemand had verteld. Ze had Rosa een ketting van houten kralen gegeven, als bewijs van hun vriendschap.
Rosa zocht naar Ama’s ketting en vond hem in de onderste lade van haar rococokaptafeltje, tussen tientallen andere kettingen, ringen en oorbellen. Ze stak haar blonde haar op terwijl ze in de spiegel keek en deed de ketting om. Ze begreep nog steeds niets van die nacht, nu ruim een jaar geleden, waarop Ama uit huis was gevlucht.
Ze herinnerde zich het gestommel dat ze die avond op Ama’s kamer naast de hare had gehoord. Even later had ze haar vader in zijn badjas naar beneden zien gaan, waarna ze bezorgd naar Ama geslopen was. Ama fluisterde dat er niks aan de hand was en dat ze maar snel moest gaan slapen. Met een papieren zakdoekje had Ama haar bloedneus gestelpt terwijl haar oog begon te zwellen. Rosa had gevraagd of haar vader haar geslagen had, maar Ama had op strenge toon gezegd dat ze zich er niet mee moest bemoeien, daarna had ze de deur gesloten. De volgende ochtend was Ama nergens te vinden. Haar dekbed lag op de grond, de lades en deuren van haar kast stonden open en ervoor lagen wat kleren op de grond. Rosa had aan haar vader gevraagd wat hem bezield had om Ama te slaan en ze was boos op hem geworden. Hij had hoofdschuddend verteld dat hij Ama had betrapt toen ze een van zijn antieke horloges in haar schortzak liet glijden. Hij had een paar dagen daarvoor nog gezocht naar een ander horloge, dat het niet meer deed maar een mooie vergulden kast had. Hij wist niet eens wat er precies in huis was, laat staan dat hij het meteen miste. Een zilveren lepel, een porseleinen bord, een koperen kandelaar uit een rommellade? Kruimelwerk, maar bij elkaar kon het toch in de papieren lopen. Ze had een goed leven hier, maar ze wilde blijkbaar meer? In plaats van antwoord te geven was Ama naar boven gerend, naar haar kamer, waar hij het haar nog eens had gevraagd. Ze had onnozel haar schouders opgehaald en gezegd dat ze terug wilde naar Ghana, waarna hij haar een klap had gegeven. Met de vlakke hand in haar gezicht.
‘Tja, stom natuurlijk,’ zei hij ten slotte, ‘nooit moeten doen.’
Ze hadden later die ochtend ontdekt dat er nog meer spullen verdwenen waren. Het ergste was nog wel de ontdekking van haar broertje dat er een schilderij weg was: Botters op de Zuiderzee, het kleine maar kostbare werkje van Cornelis de Bruin. Ama bracht de spullen misschien naar verschillende antiekzaakjes of helers, waar ze, wie weet, op het idee gebracht was om een schilderij te stelen.

Rosa schrok op toen ze beneden de voordeur hoorde. Ze deed Ama’s spullen snel terug in de doos en ging ermee de trap af naar de eerste verdieping, de verdieping van haar vader, omdat hij niet mocht ontdekken dat ze in zijn kast geweest was. Ze wilde tenslotte ook niet dat hij ongevraagd in háár kast kwam. Toen ze langs de muur liep waar Botters op de Zuiderzee gehangen had, bleef ze even staan. Ze herinnerde zich het schilderij met de grauwe schuimkoppen op de golven en een woeste wolkenlucht erboven. Nu stak er een kale spijker uit de muur. Het was het lievelingsschilderijtje van haar moeder geweest, haar huwelijkscadeau zelfs, dus wat had Ama toch bezield om uitgerekend dat mee te nemen? Was ze puur uit hebzucht met stelen begonnen, of had er iets anders gespeeld? Haar vader was goed voor Ama geweest, herinnerde Rosa zich. Hij betaalde haar niet slecht en als Ama eens geen zin had, deed hij zelf de afwas. En ’s ochtends mocht ze uitslapen, als ze dat wilde. En ze hadden het ook goed kunnen vinden, dacht ze, want ze zaten vaak tot ’s avonds laat samen en ze had hem weleens haar kamer zien binnengaan.
Ze hoorde haar vader met zware stem roepen: ‘Rosaline, kom je nog?’
‘Ja, zo,’ riep ze terug.
‘Ze heeft geen zin,’ hoorde ze de stem van haar broertje galmen in de hal.
‘Waar bemoei jij je mee?’ riep ze.
Haar vader had de ochtend na Ama’s vertrek haar kamer opgeruimd, schoongemaakt en op slot gedaan, omdat hij niet wilde dat iets nog aan haar zou herinneren. Hij schaamde zich zeker voor de situatie en voelde zich er misschien verantwoordelijk voor. Hij had Ama immers in Ghana meegevraagd naar Nederland en haar hier als hulp in huis genomen. Rosa had hem weleens gevraagd waarom. Hij had toch ook hier in de stad een hulp kunnen vinden? Ze hadden toch geen seks met elkaar? Zeker weten deed Rosa het niet, want dít had ze Ama noch haar vader ooit durven vragen.
Ze zette de doos terug in de kast en ging snel zijn kamer uit. Hij had de sloten laten veranderen, want Ama had de sleutel nog. Ze mochten Ama nooit meer binnenlaten, had hij gezegd. Toen haar broertje vroeg of hij aangifte ging doen, zei hij dat het toch geen zin zou hebben. Hij wilde bovendien geen gedoe met de instanties. Ama woonde officieel niet eens bij hen in huis, haar salaris betaalde hij haar zwart uit en haar verblijfsvergunning was allang verlopen. Het was het beste dat ze zich bij de diefstallen zouden neerleggen en Ama zo snel mogelijk zouden vergeten.
‘Vergeten?’ had ze geroepen. ‘Alsof dat zomaar kan!’
De eerste maanden na haar vlucht had ze elke dag aan Ama gedacht. Ze had haar vader nog vaak naar de ruzie gevraagd. Hij kapte ieder gesprek daarover af en zei dat ze blij moesten zijn dat ze weg was.

Toen Rosa de laatste trap af ging, zag ze haar broertje van het toilet komen, waarna hij de tas met boodschappen door de lange gang naar de schemerige keuken sjouwde. Ze ging achter hem aan en deed de lamp boven de tafel aan. Nadat ze de boodschappen had gecontroleerd vroeg ze aan haar broertje waarom ze geen aardappelen hadden gekocht.
‘Omdat we die nog hebben,’ zei hij.
‘En peterselie dan?’ vroeg ze.
‘Die was op,’ riep hij haar vanuit de hal na.
Ze legde de haas met tegenzin op de plank op het aanrecht en begon de uien te pellen voor de soep. Als Ama hier nog gewoond had, zouden ze samen boodschappen zijn gaan doen en hadden ze daarna samen gekookt. Ama’s lievelingseten was pindasoep met fufu van cassave en bakbanaan en ze had het vaak klaargemaakt. Nu ze eraan dacht, kreeg Rosa een leeg gevoel in haar buik. Ama las tijdens het koken vaak in het Engels gedichtjes voor of ze vertelde over Ghana: over de droogte in de winter, de zware regenbuien in lente en zomer, over de compound waar ze in Accra woonde en het zware werk dat ze er gedaan had. Hoe meer ze over Ghana hoorde, hoe sterker Rosa ernaar verlangd had om er eens met Ama naartoe te gaan. Ze zag Ama weer voor zich: haar ronde gezicht, korte kroeshaar, witte voortanden met het spleetje ertussen en de kleine littekens van haar stam op haar wangen. Ze kreeg een warm gevoel bij de gedachte hoe lief Ama was geweest.
Toen haar vader de keuken in kwam om een glas melk te drinken, vroeg ze: ‘Papa, waarom nam je Ama mee naar Nederland?’
‘Ama?’ Hij ademde met piepende longen in en zei: ‘Ik wilde haar… helpen. Hier in Nederland kon ze geld sparen. Dat weet je toch?’
‘Maar ik heb je een paar keer op haar kamer gezien, ’s avonds laat, toch?’
‘Niet dat ik weet,’ mompelde hij.
‘Hoe kun je zoiets nou vergeten. Ik heb het toch gezien?’
‘Nou, we praatten ’s avonds weleens met elkaar ja.’
‘Ze was negentien jaar toen ze in huis kwam. En jij vierenveertig...’
‘Hm,’ zei hij, daarna zette hij zijn glas in de gootsteen en vroeg: ‘Zeg, hoe laat zullen we eten, rond zessen?’
‘Dat is geen antwoord.’ Ze verzamelde al haar moed om te durven vragen: ‘Dééd je het met haar?’
‘Rosa, nou is het genoeg! Ten eerste heb je er niks mee te maken en ten tweede, niet nu, alsjeblieft!’
‘Zes uur haal ik nooit. Zeven uur op z’n vroegst,’ antwoordde ze.
‘Mooi, dan ga ik eerst even liggen, anders lopen we elkaar maar in de weg.’
‘Jij mij, bedoel je.’
‘Niet zo’n grote mond, hè meisje,’ antwoordde hij terwijl hij zwaar leunend op zijn stok de gang in liep.
‘En anders?’ riep ze. ‘Ga je mij ook slaan?’
‘Rosa, ophouden, het is voorbij, ze is weg,’ hoorde ze haar vader nog zeggen, toen was hij naar boven.
Nu ze de doos gevonden had en Ama’s spullen weer gezien had, besefte ze eens te meer hoe vreemd de geschiedenis met Ama was geweest. Ze sneed nadenkend een ui in stukken. Hij deed alsof hij het zich nauwelijks herinnerde, maar ze had wel gezien dat zijn gezicht bleek geworden was. Stel je voor dat hij seks met haar had gehad, met de vijfentwintig jaar jongere straatarme Ghanese hulp. Het viel haar moeilijk om zich een beeld te vormen van het seksleven van haar vader, het stond haar tegen. Ze herinnerde zich dat Ama de laatste paar weken stiller was geworden, schuwer, en dat ze hun vader nauwelijks nog durfde aan te kijken. Zou dat vanwege de diefstallen zijn geweest?
Ze legde het mes neer en ging de hal in. Ze móést er met iemand over praten. Voordat ze de hoorn van de haak nam, controleerde ze of haar vader al boven was, toen draaide ze Peters nummer. ‘Hé, met mij,’ fluisterde ze. ‘We zien elkaar vanavond, toch? Hoe laat precies? Oké, negen uur. Ik...’ Op dat moment hoorde ze een traptrede kraken. Ze werd er zenuwachtig van. Toen ze omkeek, stond hij halverwege de trap en keek hij vragend naar haar. Zijn grijze haar zat in de war; de haarlijn was steeds verder naar achteren geweken en naarmate zijn wangen verder invielen, leek zijn haakneus groter te worden.
‘Met wie bel je?’ vroeg hij.
‘Gewoon een vriendin.’
‘Waarom?’
‘We gaan de stad in vanavond,’ antwoordde ze.
‘Dat zullen we nog weleens zien.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Precies zoals ik het zeg.’
‘En als ik toch ga?’
Hij draaide zich zwijgend om en ging langzaam weer naar boven.

*

Willem klom zwaar ademend naar de eerste verdieping, zich optrekkend aan de leuning, trede voor trede. Voordat hij zijn slaapkamer in ging, keek hij naar de spijker waaraan Botters op de Zuiderzee gehangen had. Hij wilde er iets anders ophangen, maar hij wist nog steeds niet wat. Hij deed op zijn slaapkamer zijn schoenen uit, zette ze naast zijn sloffen en ging op het hemelbed liggen. Déden jullie het met elkaar? Hij vroeg zich af hoe Rosa daar opeens bij kwam. Had ze destijds meer gehoord of gezien, terwijl hij dacht dat ze lag te slapen?
Willem staarde naar de openstaande deur van zijn slaapkamer alsof Thomas en Rosa daar zouden staan en zijn gedachten konden lezen. Zijn longen begonnen steeds meer te piepen. Hij hoopte maar dat Rosa er niet opnieuw over zou beginnen. Hij voelde zijn hand weer tintelen nu hij aan de klappen dacht die hij Ama een jaar geleden had gegeven. Ama’s ogen waren groter geworden in haar donkere gezicht. En nog eens had hij geslagen, met de vlakke hand tegen haar wang, en daarna met zijn vuist, zodat er een druppel bloed uit haar neus gerold was. Die ruzie had Rosa door de dikke eeuwenoude muur heen gehoord.
Willem draaide zich op zijn zij en keek naar het portret van Annigje, zijn vrouw, aan de muur naast zijn bed. Hij had het kort voor haar dood van haar laten maken. Ze keek hem verlegen aan en zag er lief uit, vond hij. Wat zou hij graag samen met haar en de kinderen gedineerd hebben, wat zou ze er mooi uit hebben gezien. Hij zou vanavond over haar vertellen, nam hij zich voor; hij zou Rosa en Thomas over hun moeder vertellen, over de jaren waarvan zij zich weinig of niets herinnerden. Hij zou ze vertellen hoe optimistisch en grappig hun moeder was geweest. Hoe snel ze Rosa gebaard had. Zo klein, rimpelig, roze en onschuldig als Rosa geweest was. En zo slaperig en tevreden als ze aan haar moeders borst had gelegen. En hopelijk zou Rosa dan niet weer over Ama beginnen.
Hij glimlachte naar Annigje, maar kon haar lieve ogen niet langer zien en wendde zijn gezicht af. Voor Annigje schaamde hij zich over Ama misschien nog het meeste. Ze zou van hem gewalgd hebben, vanzelfsprekend, maar gelukkig zou zij het nooit meer te weten komen. Toch luchtte deze gedachte hem nauwelijks op en werd de schaamte er niet door weggenomen.
Hij nam zijn medicijn uit de borstzak van zijn overhemd, zette het busje aan zijn mond en inhaleerde diep. Hij kreeg er weliswaar meer lucht van, maar langer dan een uur hielp het nooit. Na de kerst moest hij maar naar de dokter gaan voor zwaardere medicijnen, al had hij er weinig vertrouwen in, want de schaamte trok zich als een riem steeds strakker rond zijn borst.
Hij sloot zijn ogen en probeerde te slapen, maar in plaats daarvan zag hij in gedachten Ama naast een emmer op de keukenvloer neerhurken. Schort voor, slippers aan. Ze tilde de dweil als een konijn bij zijn nekvel uit de emmer en kwakte hem op de grond. Hij liep om haar heen, zijn schoenen lieten smerige voetstappen na. Met een bezweet gezicht dweilde ze de vloer, het puntje van haar tong tussen haar tanden. Hij kon tussen haar benen kijken en zag de rode stof van haar slipje.
Zijn gedachten gingen naar een andere dag, niet lang daarna, waarop hij de badkamer in gegluurd had, waar hij haar hoorde neuriën. Ze zeepte haar donkere armen en benen in, haar borsten en dijen. Hij was zwaar ademend de badkamer in gegaan, terwijl hij zich nog zo had voorgenomen om van haar af te blijven. Ze bleef doodstil staan. ‘Don’t worry, Ama,’ had hij zachtjes gezegd. ‘Relax, everything is okay.’ Hij nam een borst in zijn hand, toen de andere, een voor een. Hij likte haar egale donkere huid met de nog donkerder tepels. Hij legde zijn handen op haar prachtige heupen, draaide haar om, kuste haar billen, duwde ze uit elkaar. Nadat hij zijn riem had losgemaakt, nam hij haar staand.

Toen Willem in de verte een stem hoorde roepen, duurde het even voordat hij besefte dat hij in slaap was gevallen.
‘Papa, eet je nog mee?’ riep zijn dochter van beneden.
‘Ja, ja, ik kom eraan!’ riep hij terug.
Hij rekte zich op bed geeuwend uit en voelde zich wat fitter dan daarstraks. Nu hij opstond, merkte hij dat hij een erectie had en herinnerde hij zich zijn droom. Hij keek vervreemd naar zijn onderlijf, dat zich nergens voor schaamde.

 

© 2014 Ricus van de Coevering | Uitgeverij Van Gennep

Uitgeverij Van Gennep

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum