Leesfragment: Dat is wat ik bemin

27 november 2015 , door Isabelle Rossaert
| |

Wij richten in samenwerking met Recensieweb de schijnwerpers op de vijf Nederlandse prozadebuten van augustus, allemaal voorzien van uitgebreide fragmenten. Lees op onze website de voorpublicaties uit de romans van Thomas Acda, Inge van der Krabben, Anne Neijzen, Isabelle Rossaert en Rebekka de Wit.

Eind augustus debuteert Isabelle Rossaert met Tot waar we kijken kunnen. Hier staat alvast een voorpublicatie. ‘Patrice komt me een kop thee brengen. “Ça va?” vraagt hij. Ik vraag me soms af hoe mijn gelaatsuitdrukking is, terwijl ik hier zo aan het schrijven ben. Soms betrap ik me erop dat ik frons, of zucht, of in de verte staar, naar hogerop in de straat, alsof daar iets is wat de andere mensen op het terras niet zien. Ik ben een vertrouwd onderdeel van het terras geworden. Patrice mag me wel, volgens mij.’

De betoverende geschiedenis van een liefde die nooit heeft kunnen bestaan, en van de poging daarmee in het reine te komen. Wanneer op een vroege morgen de mannen van Cucuron, aan de voet van het ruige Luberon-gebergte, de jacht op een bijzonder groot everzwijn openen en Max niet komt opdagen, zoeken ze er niets achter en vertrekken ze zonder hem. Na hun eerste schoten, hoog op de bergrug, horen ze een schreeuw - maar niet van een everzwijn. Valérie is de laatste in het dorp die Max levend heeft gezien, de avond voor het jachtongeval. Het duurt een jaar tot ze beseft waarom ze naar Parijs vertrok: ze moest afstand van hem nemen. Had ze zijn laatste woorden, die hij haar die avond toefluisterde, wel begrepen? Had ze wel door dat hij zijn toekomst niet zonder haar voor zich zag? Haar geboortedorp werd te benauwd voor Valérie, en ze gaat aan de Sorbonne studeren. Maar Max en het everzwijn laten haar niet los. Jean-Michel, die Valérie in Parijs leert kennen, reist naar Cucuron en probeert in het dorp aan de hand van de geruchten, roddels en verhalen te reconstrueren wat er die ochtend op de berg daadwerkelijk is gebeurd. Dat is wat ik bemin is een boek over schoonheid op onverwachte plaatsen en over het ontstaan van mythes en legendes. Bovenal is het een sfeervol romandebuut over de levensreddende kracht van verhalen - omdat het idee van wat had kunnen zijn, meestal sterker is dan iedere realiteit.

Parijs, september 1997

 

 

Ik heb van je gedroomd vannacht. Ik zag je liggen, een gewond dier. Ik had je willen aanraken, je hand vastpakken, mijn hand op jouw hart leggen en het voelen kloppen. Maar in het zwart van je ogen zag ik een gier weerspiegeld die al zijn trage cirkels maakte.
Ik boog me over je heen en er lag een glimlach om je lippen. Het was een flits, en toen was het voorbij en wist ik dat ik gewoon in Parijs was, in mijn bed lag, en wakker was geworden. Maar ik voelde een scheur in mijn borstkas, ik voelde duizend mieren die van binnenuit mijn hart opvraten.
Ik probeerde mijn ogen gesloten te houden, de droom af te maken. Ik probeerde jou te zien, jou te zeggen dat je dit niet mocht doen. Ik probeerde opnieuw je hand in mijn hand te voelen, maar het lukte niet. Het beeld vervaagde. Er bleef alleen dat bijten, dat krioelen in mijn borstkas. Het leek alsof je me had willen zeggen: ik heb dit voor jou gedaan. En ik wil dit niet. Dit heb ik nooit gewild.
Het kostte me moeite om op te staan. Ik ben koffie gaan drinken op een terras in de Rue Mouffetard. Ik ben de kerk van Saint-Etienne-du-Mont binnengegaan, naar de kaarsen gaan kijken bij de schrijn van Sainte-Geneviève. Ik probeerde tot rust te komen in de middeleeuwse tuin van het Hôtel de Cluny. Bij het parkje voor het museum heb ik over de schoen van Montaigne gewreven, over die gekke damesschoen van hem die steeds meer gaat blinken. Ik heb over de kade van de Seine gelopen, langs de eindeloze rij boekenkraampjes tot aan de Pont Neuf, en daar heb ik lang, heel lang, naar het kolkende water gekeken, maar niets hielp.
Het is een warme dag vandaag. Mijn voeten zijn beurs van het stappen. Bij Dubois, naast het Panthéon, waar ik zo graag naar de kleurpotloden en pastelkrijtjes kijk, kocht ik dit schrift. Straks moet ik weer aan het werk, maar ik heb nog even tijd. Binnen bij Patrice draaien ze Cassandra Wilson. ‘Love is blindness’.
De dagen zijn lang nu de colleges nog niet begonnen zijn. Iedereen is weg, naar familie op het platteland, naar zee. Genieten van de nazomer. Ik blijf in Parijs. Ik kom niet meer terug. Je moet begrijpen dat dit hier mijn leven is. Daarover wil ik jou schrijven. Over hoe mijn leven hier is. Dat het altijd de bedoeling was dat dit mijn leven zou zijn. Ik had nooit je vrouw kunnen worden.

zondag 7 september

De zon begint al te zakken, er hangt een dampig licht in de straat. Het blijft hier lang warm op dagen als vandaag en hoe later het wordt, hoe beter de jazz die Patrice draait.
De droom blijft knagen.
Wat kom jij hier in mijn dromen doen? Dit is mijn gebied. Al sinds ik een meisje was droomde ik ervan hier te komen wonen.
Ik was dertien toen mijn ouders mij voor het eerst hiernaartoe meenamen. We hadden een hotel met zicht op de Eiffeltoren. We wandelden over het plein voor het Trocadéro, waar manshoge gouden standbeelden staan. We bezochten het Louvre. Ik herinner me hoe teleurgesteld ik was toen we eindelijk voor de Mona Lisa stonden. Je moet goed turen, tussen de vele bezoekers door, om er een glimp van op te vangen en het schilderij was veel kleiner dan ik me had voorgesteld. Het was zo weinig magisch. Ik kon niet begrijpen waarom dit het beroemdste schilderij ter wereld was. Ik had verwacht betoverd te worden.
Op de Place Saint-Michel, ’s nachts, stond iemand met fluorescerende buisjes die je om je hals kon sluiten als een halssnoer van groenig licht. Iemand anders verkocht plastic duiven die je kon opwinden en die vlogen. Het klapwiekende geluid dat ze maakten leek precies op dat van de echte duiven op en rond de fontein. Ik kreeg het halssnoer. Later aten we bij een Griek waar de ober me behandelde als een prinses. Mama en papa dronken wijn uit een fles met een asymmetrische buik en dikke ribbels in het geblazen glas waar de vingers van een volwassen hand tussen pasten, een fles met een greep. Ik vond hem zo mooi, ik kreeg hem mee. De ober had de flessenhals met zilverpapier afgesloten, zodat er geen restjes wijn zouden lekken op mijn jurk.
Probeer je mij voor te stellen, toen. Het was een jurk van lichtblauw Indisch katoen, met op het korte bovenlijfje een geborduurde bloem. Mama had hem voor me gemaakt. Ik weet zeker dat het die jurk was, want dat is de herinnering die ik heb overgehouden aan mijn eerste bezoek aan Parijs.
Ik zit in de metro met op mijn schoot die vreemde fles die ik met mijn twee handen omklem. Een man op een bankje schuin tegenover me kijkt naar mij. Ik zie dat hij het hele verhaal ziet – ik, de eerste keer in Parijs, met mijn ouders, met die fles op mijn schoot, met dat lichtgevende halssnoer. Dat hij dat weet is een geheim tussen ons. Er is een twinkeling in zijn ogen die me optilt. Het is de eerste keer dat een man zo naar me kijkt. Mijn oerherinnering aan Parijs is dit gevoel van opgetild worden.

zaterdag 13 september

Ik koester nog een ander beeld van Parijs. Geen herinnering maar een foto. Mama en papa die hand in hand de trappen naar de Sacré-Coeur oplopen. Ik moet hen voor zijn geweest, al sneller de trappen zijn opgeklommen.
Ze zien er verliefd uit. Mama, energiek zoals ze toen nog was, is al een trede hoger dan papa, een brede glimlach om haar mond. Op de achtergrond de daken van de benedenstad.
De foto staat bij papa op het nachtkastje. Ik keek er vaak naar als ik bij hem was. Het is de laatste foto van mijn ouders voor hun levens veranderden. Voor de diagnose hun levens veranderde.
Een jaar voor haar dood gingen mama en papa samen een lang weekend naar Parijs. Een verjaardagscadeau van hem aan haar. Ze droeg geen pruik. Papa kocht voor haar een carré van Hermès, ze knoopte de zijden sjaal als een piraat om haar kale hoofd. Ze maakte haar ogen op met zwarte kohl, haar rebellie tegen de ziekte. Mijn amazone, noemde papa haar.
Er zat een soort dons op haar schedel in die dagen, verborgen onder de kleurige zijde. In de zomer gingen we weleens met z’n drieën naar de markt in Cucuron, mama met een grote rieten mand. Ik herinner me jou nog daar, met die ouwe van je. Jullie waren een vreemd stel. Angstaanjagend vond ik jullie, met die dode beesten. Maar jullie deden goede zaken.
Natuurlijk was ik jaloers – zij tweeën in Parijs, ik bij tante. Een voorschot op later, maar dat wist ik toen nog niet. Binnenkort gaan we samen, zei mama sussend, met z’n drietjes, en dan gaan we weer naar De dame en de eenhoorn, zei ze, terwijl ze haar arm om mijn middel sloeg en me tegen zich aantrok. De dame en de eenhoorn was ons geheim.
Mama leefde van zulke plannen. Langer dan de dokters haar gegeven hadden.
We zaten op het strand. De zee rolde golf na golf aan op de keien. Het was al laat op de dag. Mama had het grootste deel van de tijd geslapen. Toen ze wakker werd richtte ze haar bovenlichaam op, leunde op haar onderarmen en keek uit over de zee. ‘Ze hebben de tentoonstelling in Beaubourg verlengd, fijn hè. In september kunnen we er vast heen.’
Waarom september? Waarom opnieuw september?

zondag 14 september

Hoe kan ik je over Parijs vertellen, terwijl ik niet eens weet of jij al ooit een stad hebt gezien? Hoe zou je een stad als Parijs kunnen uitleggen aan iemand die is opgegroeid op de berg? Je hebt niet eens de zee gezien, je hebt wellicht nog nooit de Provence verlaten.
Stel je voor dat je op het uitkijkpunt aan de oude kluizenaarskapel staat. Maar om je heen zijn geen groenbeboste bergflanken, er zijn geen wijngaarden, aan je voeten strekt zich geen landschap uit van amandelboomgaarden en meloenplantages, met groepjes cipressen als keuvelende oude tantes, platanen die de wegen flankeren en hier en daar een dorpje op een heuvel. De horizon reikt niet tot de blauwige contouren van de Mont Sainte-Victoire. In plaats van dat alles zie je, zo ver je oog kan reiken, daken. Gebouwen en daken. Alles is stad. En ik vraag me af wat dat landschap met iemand als jij zou doen.
Als je met de trein naar Parijs komt is het eerste wat je bij aankomst doet naar de ondergrondse afdalen. Het eerste wat je van Parijs ziet is de onderkant. Het eerste wat je hoort is het geraas, geknars, gekletter, geloei en dan die flarden muziek, een cello, een viool, iemand die zingt om de hoek. Het eerste wat je ziet zijn die eindeloze gangen en de grote reclameborden, overal die grote reclameborden en dan de af en aan rijdende metrotreinen, die je opslokken met hun tientallen deuren, waar je opeengestouwd meegevoerd wordt om verderop, in een andere ondergrondse plek, weer uitgespuwd te worden.
En als je dan voor het eerst boven komt, met die lange roltrappen naar het daglicht wordt gestuwd, daar, die eerste blik op de stad die jou dan overvalt, dat is jouw plek in Parijs. Voor mij is dat de Place Saint-Michel. Het geklater van de drakenfontein. Het zonlicht weerspiegeld in de ramen van statige gevels. De terrassen van de bars en als je je omdraait, eenmaal de metro uit, het zicht op de Seine en de oude paleizen van het Île de la Cité.
Papa nam me mee naar Parijs voor mijn zestiende verjaardag. Hij reserveerde hetzelfde hotelletje als waar hij twee jaar eerder met mama was geweest. Het was klein maar gerieflijk, in een rustig achterafstraatje. We deden de dingen die hij samen met mama had gedaan. Het Beaubourg, het Quai d’Orsay, het Musée de l’Orangerie. Altijd weer keerden we via de ondergrondse terug naar de Place Saint-Michel.

maandag 15 september

Hij had het niet mogen doen. Niet dezelfde dingen als twee jaar eerder met mama. Het moet hem ontzettend veel pijn hebben gedaan, maar hij wilde me tonen wat mama me zo graag had getoond. Daar stonden we, tussen de waterlelies. Nagenoeg alleen in die grote ovale zaal. Rondom ons het licht gevangen in penseelstreken. Niets dan het vastleggen van het moment.
Wel een uur stonden we daar. We zwegen, hoorden elkaars ademhaling, elkaars zachte voetstappen terwijl we ons mijmerend van kleur naar kleur, van stip, naar lijn, naar boog, naar spat bewogen. Papa schraapte zijn keel, slikte. Het gebeurde vaak, in die tijd, op momenten dat we samen stil waren. Het was alsof hij aarzelde tussen een herinnering inslikken of uitspreken.
‘Mama stond hier.’ Hij spreidde zijn armen een beetje, zoals mama had gedaan. Hij keek me aan en glimlachte zwak. ‘Monet had een oogziekte waardoor hij de kleuren anders zag. Mama zei...’ Zijn stem stokte. Met dichtgesnoerde keel, met een stem die vreemd de hoogte in ging zei hij: ‘Hoe ziekte zo veel moois kan brengen.’ Toen, in het midden van die zaal, te midden van de waterlelies, brak hij in tranen uit. Ik weet niet hoelang we daar zo gestaan hebben, elkaar omklemmend terwijl mijn vader bleef snikken.

Ik blijf maar terugdenken aan papa. Aan zijn snikken toen, hoe er iets brak. En ik probeer het gevoel te volgen waar die tranen naartoe leiden. Het was, denk ik, dat mama altijd zo hoopvol bleef.
Er is niets moois aan ziekte, niets. Er is niets moois aan ziekenhuiskamers, met hun gespikkelde muren, met hun bedden en takels van metaal. Er is niets moois aan de lauwe geur van bedwongen dood die er hangt. Aan een lichaam dat opzwelt, uitzakt, dun en slap wordt. Er is niets moois aan ogen die almaar dieper gaan liggen.
Mama weigerde in het ziekenhuis te blijven, net zoals ze eerder de pruik weigerde. Ze weigerde een ziekbed in de woonkamer, ook al zou dat zo veel comfortabeler zijn geweest. Tot de laatste dag trok ze jurken aan, losse, zwierige jurken in kleurige zijde, en knoopte ze zo’n sjaal om haar hoofd, deed ze een halssnoer om en stiftte ze haar lippen in een lichtroze dat haar teint deed oplichten. Ze had altijd bloemen in een vaas op tafel staan, en verdroeg niet één verwelkt bloemblad. Zolang zij er was, was het huis een oase van rust en schoonheid. Toen ze er zelf niet meer voor kon zorgen, vroeg papa de huishoudelijke hulp om vaker te komen. Mama gaf haar instructies. Maar de bloemen deed ze zelf, tot de allerlaatste dag heeft ze zelf de bloemen geschikt.
Ze zat als het kon voor het raam met zicht op het kasteel. Papa en mama zijn in Ansouis gaan wonen voor dat kasteel. Mama deed er jarenlang de restauratie van het oude textiel – draperieën, fauteuils, wandtapijten, er was altijd werk. Zij en de oude hertogin waren erg gehecht aan elkaar. Het was alsof ze de tweede dochter des huizes was. Toen de hertogin stierf en haar zoon het kasteel betrok, werd mama goed bevriend met zijn echtgenote.
Als mama niet voor het raam zat, keek ze in een van de vele kunstboeken die we in huis hadden en waarvan er altijd een aantal op de salontafel lag. ‘Kijk,’ wees ze me dan soms aan. ‘Deze hier hangt in Madrid. Daar moeten we beslist eens heen.’
Patrice komt me een kop thee brengen. ‘Ça va?’ vraagt hij. Ik vraag me soms af hoe mijn gelaatsuitdrukking is, terwijl ik hier zo aan het schrijven ben. Soms betrap ik me erop dat ik frons, of zucht, of in de verte staar, naar hogerop in de straat, alsof daar iets is wat de andere mensen op het terras niet zien. Ik ben een vertrouwd onderdeel van het terras geworden. Patrice mag me wel, volgens mij. En hij probeert me niet te versieren. Het is hier prettiger zitten dan op mijn kamer.
Ik heb je nog niet verteld waar ik woon. Papa heeft een kleine studio voor me gehuurd. Een gebouw van rond de eeuwwisseling, met een statige gevel met balkons op de tweede en de vijfde verdieping. Als je de toegangspoort binnengaat kom je in een grote marmeren hal terecht. Een glazen deur geeft toegang tot de binnenkoer. Het is er rustig, stijlvol. Er klatert een fonteintje. Er groeien varens en hosta’s in de schaduwen en waar de zon schijnt staan op de kasseien terracottapotten met pelargoniums. Je hebt een code nodig om hier binnen te komen.
Ik woon onder het dak. Officieel heet het hier geen verdieping. De vloer is van eenvoudige terracottategels, de grijze verf bladdert van de muren. Waar de gang een hoek maakt, staat nog een oude lavabo die onder het roest zit. Verderop is een toilet dat altijd lekt.
Mijn zolderkamer meet drie bij vier. Vroeger woonde hier het dienstpersoneel. Het is klein, maar ik heb alles wat ik nodig heb: een wc, een douche, een kookstel, een koelkast en koffiezetapparaat. Onder het plafond is een platformpje gemonteerd waarop mijn matras ligt, je kan er niet eens rechtzitten. Daaronder een klein bureautje, een kast, een boekenrek.
Ik heb niet veel contact met mijn buren. Naast mij woont een man die ik rond de dertig schat. Hij geeft les aan het conservatorium. Als er een vrouw bij hem slaapt, hoor ik het. Aan de overkant van het koertje kan ik in de appartementen naar binnen kijken. Vele ervan zijn mooi ingericht, zoals mama dat wist te doen.
Het waren de kleine gebaren, dingen die ze schijnbaar terloops deed als ze door het huis ging. Een tijdschrift recht leggen op tafel, achtergelaten sloffen oprapen, op de gepaste momenten de draperieën openen of sluiten, de schemerlampen aan doen. Zaken die we pas opmerkten toen ze er niet meer was. De chaos verspreidde zich al na een paar dagen als een schimmel in ons huis. We deden pogingen om op te ruimen, maar het lukte nooit om het huis weer zo licht, zo stralend te krijgen. Ik was te jong om een huishouden te bestieren en papa was voor zijn werk zo vaak van huis. Zo is het gekomen dat ik bij mijn tante in Vaugines ben gaan wonen. En het was een verademing toen, na die mooie, moeilijke zomer. Tante runde haar winkel en liet me met rust.

 

© 2015 Isabelle Rossaert en Uitgeverij Cossee bv, Amsterdam

Utgeverij Cossee

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum