Leesfragment: Voor altijd voor het laatst

27 november 2015 , door Tjitske Jansen
| | |

Tjitske Jansen schreef na succesvolle poëziebundels haar debuutroman Voor altijd voor het laatst. Dit boek is genomineerd voor de Bronzen Uil 2015. Wij brengen een leesfragment. 'Op de grote dag, de optochtdag, nadat een van de hulpmoeders mij geel had geschminkt, wilde ze mij een hoed opzetten waaraan een dikkere vlecht vastzat dan de vlecht die ik had gevlochten. Ik protesteerde. Ik wilde mijn eigen maaksel op mijn hoofd. Volgens de hulpmoeder moest ik niet zeuren, alle hoeden leken op elkaar. Ik kreeg de hoed op die een ander had gemaakt.'

‘Wat goed is, stijgt boven de etiketten uit,’ schreef De Morgen over Het moest maar eens gaan sneeuwen, het overrompelende poëziedebuut van Tjitske Jansen waarin ze als met de ogen van een kind keek naar haar ervaringen in heden en verleden. In Koerikoeloem, bekroond met de Anna Bijns Prijs, beschreef ze haar persoonlijke geschiedenis in sprookjesachtige observaties. Ook haar nieuwe boek, Voor altijd voor het laatst, heeft een persoonlijke inslag maar voor het eerst drukt Tjitske Jansen zich uit in proza. Met scherpe blik en een even ontroerend als ontluisterend oog voor detail schetst ze een jeugd waarin grote keuzes gemaakt moeten worden. De opgroeiende vrouw die ze portretteert, schaaft soms haar huid aan de werkelijkheid, waarin ze tastend maar kordaat haar weg zoekt.

 

Een zondagmiddag. Mijn nieuwe geliefde en ik stonden nadat we een paar uur in de stad hadden doorgebracht weer voor de deur van zijn huis. Ik belde aan. ‘Drukte je nou op de bel?’ vroeg hij en duwde de deur open. Ja, ik had op de bel gedrukt. Terwijl hij naast me had gestaan, de sleutel uit zijn jaszak had gehaald en in het slot gestoken, waren mijn gedachten er niet bij geweest en had ik gedaan wat ik al weken deed op het moment dat ik voor zijn deur stond: aanbellen. Niet iets om buitengewoon over in te zitten. Beetje vreemd, verstrooid, meer niet. Mijn gevoel dacht iets anders. Mijn gevoel dacht dat mijn nieuwe geliefde me verafschuwde: wie belt er nu aan wanneer de enige die thuis had kunnen zijn naast haar staat en de deur aan het openmaken is. Wat is dat voor iemand?! Al mijn vrolijkheid en schoonheid, al mijn warmte, slimheid, originaliteit, al ons samen lachen, alles wat wij tot nu toe hadden gedeeld, was zijn waarde kwijtgeraakt. Welke man wil er nu een vrouw die er met haar gedachten niet bij is? Hij zou de gebeurtenis opslaan samen met andere gebeurtenissen – de andere keren waarop ik iets stoms, doms, onhandigs, onvrouwelijks, onnadenkends had gedaan. En de keren dat ik dat nog ging doen. Aangebeld hebben terwijl hij naast me de deur stond open te maken, zou een schakel blijken te zijn in het proces waarin mijn geliefde er meer en meer achter kwam dat ik niet degene was, toch niet degene was, met wie hij wilde leven. Of was het nu al zover?

Ik was een meisje in een mand bij mijn moeder achter op de fiets. De mand was om me heen, om mijn buik, mijn onderrug, mijn benen die aan één kant langs het wiel naar beneden hingen. Ik zag de planken van de brug onder ons door schieten. Steeds een plank en dan een donker randje. Plank, randje, plank, randje. De randjes, ruimte tussen de planken, water onder de brug.

In een zitje aan mijn moeders stuur. Voor aan het zitje zat een extra stuur: een stang met zwarte handvatten. Wanneer ik de linkerkant van dat stuur naar me toe bewoog, ging de rechterkant naar achteren, en andersom. Ik wist dat mijn stuur geen echt stuur was. Eerst vond ik dat jammer. Tot ik ontdekte hoe het voelde om mijn stuur recht te houden terwijl mijn moeder een bocht omfietste. Of, wanneer mijn moeder rechtdoor fietste, fanatiek te doen alsof ik een bocht omging. Wat ik ook graag deed: de handvatten stevig beetpakken en ze zo snel als ik kon naar voor naar achter naar voor naar achter naar voor naar achter te bewegen. En dat mijn moeder dan onafhankelijk van mij gewoon doorfietste. Soms wilde ik juist met haar meesturen.

Mijn moeder bleef me in dat zitje zetten toen ik er eigenlijk al te groot voor was en het een heel gedoe was mij in en uit het stoeltje te krijgen. Het gedoe maakte mijn moeder bozig. Alsof ik iets fout deed door zo hard te groeien. Ik probeerde zo goed mogelijk te helpen maar wist niet hoe dat moest. Ik was opgelucht als het weer was gelukt. Ik maakte me zorgen. Op een dag zou mijn moeder me nog net in het stoeltje krijgen, tijdens het fietsen groeide ik verder, en ze kreeg me er niet meer uit.

 

Een van mijn meest favoriete bezigheden was het krassen op wonderpapier, met kleurpotlood. Wonderpapier was glad, wit, glanzend papier waar verder niets aan viel te zien. Maar zodra je op het papier ging krassen, begon er een afbeelding tevoorschijn te komen. Ik bekraste altijd een heel vel met dezelfde kleur. Het hele vel veranderde in die kleur, alleen werd op sommige plekken de kleur dikker dan op de rest van het vel. Al die dikkere kleur samen bleken lijnen te vormen. Zo kwam er een afbeelding tevoorschijn. Hoewel ik vele uren van mijn leven ben bezig geweest met het bekrassen van wonderpapier, heb ik niet één van de tevoorschijn gekomen afbeeldingen onthouden. Ik was niet geïnteresseerd in de afbeeldingen, ik was geïnteresseerd in het tevoorschijn komen ervan.

Op een dag waren mijn moeder en ik in de hema. Terwijl mijn moeder in de rest van de hema was, stond ik te kijken naar het assortiment aan wonderpapier (waarvan ik de officiële benaming ben vergeten). Eén en al verlangen. Ineens kwam mijn moeder woedend het gangpad in. ‘Dus hier ben je!’ schreeuwde ze. ‘En als je nu niet heel snel meekomt, stroop ik je broek naar beneden en geef je waar alle mensen bij zijn een pak slaag op je blote kont.’ Ze pakte me bij een hand, m’n linker, ze trok me mee de winkel door, de winkel uit, de straat over, waar haar fiets tegen een muur stond. Ze probeerde me al schreeuwend in het zitje te krijgen, wat door al dat schreeuwen nog moeilijker ging dan anders, waardoor ze nog meer ging schreeuwen, waardoor het nog moeilijker ging. Een mevrouw kwam naar ons toe. Ze zei: ‘Zo ga je niet tekeer tegen een kind. Zo ga je trouwens tegen niemand tekeer.’ Mijn moeder vond dat de mevrouw zich met haar eigen zaken moest bemoeien.

 

Koninginnedag 1975. Een van de kleutergroepen van kleuterschool De Lijsterhof in Barneveld zou verkleed als Chinezen aan de Koninginnedagoptocht meedoen. Op de dagen die aan de optocht voorafgingen, maakten we een Chinese hoed en een vlecht van zwart katoenen draad die de juf aan de achterkant van de hoed vastniette. En elastiekjes onder onze kin door zouden ervoor moeten gaan zorgen dat we het geheel niet gingen verliezen.

Op de grote dag, de optochtdag, nadat een van de hulpmoeders mij geel had geschminkt, wilde ze mij een hoed opzetten waaraan een dikkere vlecht vastzat dan de vlecht die ik had gevlochten. Ik protesteerde. Ik wilde mijn eigen maaksel op mijn hoofd. Volgens de hulpmoeder moest ik niet zeuren, alle hoeden leken op elkaar. Ik kreeg de hoed op die een ander had gemaakt.

Het was niet de enige keer dat werkstukken die ik als kleuter maakte door volwassenen anders op waarde werden geschat dan door mijzelf. Rond sinterklaastijd van hetzelfde jaar zou mijn eerste bundel gaan verschijnen. Hij bestond uit een stuk of tien tekeningen van Sinterklazen en zwarte Pieten. Ze vertelden samen een verhaal. De juffrouw ging ze op zo’n manier vouwen en knippen en nieten dat het een boekje werd. Aan haar bureau staand probeerde ik haar duidelijk te maken dat een van mijn tekeningen was mislukt. Niet alleen was de tekening mislukt, ook had ik al een nieuwe tekening gemaakt waarop ik dezelfde gebeurtenis als de gebeurtenis op de mislukte tekening had afgebeeld. Als die mislukte tekening in mijn boekje zou komen, stond er én een mislukte tekening in mijn boekje én werd dezelfde gebeurtenis twee keer getoond. Mijn juffrouw vond al mijn tekeningen even mooi. Ze gedroeg zich als een filmproducent, trok zich niets aan van het creatief brein van de maker. De mislukte tekening moest van haar in het boekje. Gelukkig kreeg ik nog wel voor elkaar dat ze helemaal achteraan in het boekje terechtkwam, op de achterflap. Zodat ik er, eenmaal thuis, met Sinterklaasmantelrode vingerverf overheen kon verven.

 

Als ik een brief op de post deed, ging ik op mijn tenen staan. Dan kon ik bij de brievenbus. Een brief naar dichtbij moest aan de hofjeskant in de brievenbus, een brief naar ver weg aan de straatkant. In de brievenbus zat een machine. Die maakte van mijn brief een kokertje. Dat was nodig, anders zou mijn brief niet passen in een van de twee holle buizen onder aan de brievenbus. Onder de grond liepen die buizen door. Ze leken op takken van bomen maar dan onder de grond, en van ijzer, en ze gingen veel verder. Mijn brief reisde door de takken samen met andere brieven. Alle brieven die mensen in alle brievenbussen in het land op de post deden, kwamen terecht in de buizen onder de grond. Er kwamen steeds meer brieven bij. Een optocht van brieven. Op weg naar verschillende huizen dichtbij en ver weg. Zo ging het. Maar waar kwamen die buizen weer boven de grond? In een huis waar postbodes woonden? En hoe werd het kokertje weer een brief?

 

Copyright © 2015 Tjitske Jansen

Uitgeverij  Querido

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum