De eerste zin van Jenny Erpenbecks Een handvol sneeuw, vertaald door Elly Schippers

01 maart 2014
| | | | |

In Galicië sterft aan het begin van de twintigste eeuw de baby van een joodse moeder en een katholieke vader. Onontkoombaar noodlot of gruwelijk toeval? Had bijvoorbeeld de moeder of de vader 's nachts het raam opengerukt, een handvol sneeuw van de vensterbank gegrist en onder het hemd van het kind gestopt, dan was het meisje misschien opeens weer gaan ademen. Hoe zou haar leven dan zijn verlopen?

Jenny Erpenbeck schetst in Een handvol sneeuw vijf mogelijke levens van dit naamloze kind, haar hoofdpersoon. Deze briljant geschreven, zeer ontroerende roman voert de lezer mee naar Wenen tijdens de Eerste Wereldoorlog, Moskou aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog en Berlijn vóór en na de val van de Muur. Een diepgravende reflectie over leven, dood en de rol van het toeval. We vroegen vertaalster Elly Schippers de eerste zinnen van de roman toe te lichten.

Der Herr hat’s gegeben, der Herr hat’s genommen, hatte die Grossmutter am Rand der Grube zu ihr gesagt.
De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, had haar grootmoeder aan de rand van het graf tegen haar gezegd.

Zo luidt de eerste zin van Jenny Erpenbecks nieuwe roman Een handvol sneeuw. Een makkie voor de vertaler. Hij hoeft de Bijbel maar op te slaan, Job 1: 20-21, of hij vindt de kant-en-klare vertaling: ‘De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen.’ De rest van de zin kan dan gewoon worden vertaald als: ‘… had haar grootmoeder aan de rand van het graf tegen haar gezegd.’ Of is het toch niet zo eenvoudig? Er bestaan immers nogal wat Bijbelvertalingen. En de nieuwste is niet in alle gevallen de beste, of liever de meest geschikte.

Als een verhaal in het verleden speelt (bijvoorbeeld in het begin van de twintigste eeuw, zoals hier) kun je vaak beter een andere nemen. Maar welke dan? De Statenvertaling, die zegt: ‘De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen’? Of de Groot Nieuws Bijbel, die zegt: ‘De Heer heeft mij alles gegeven, de Heer nam mij alles weer af’? Of een van de vele andere? Uiteindelijk heb ik hier toch voor de Nieuwe Bijbelvertaling gekozen, omdat die qua stijl het best bleek te passen. Maar die keus sprak dus niet vanaf het begin vanzelf.

Eén eeuw, vijf levens

Wat is hier gegeven en genomen? Het acht maanden oude dochtertje van een joodse moeder en een katholieke vader, die aan het begin van de twintigste eeuw in het Oostenrijkse kroonland Galicië wonen. Deze ingrijpende gebeurtenis heeft tot gevolg dat het gezin uiteenvalt. De vader verdwijnt naar Amerika, de moeder vertrekt drie jaar later eveneens en gebruikt ‘de openingen van haar lichaam’ voortaan voor ‘het in leven houden van haar lichaam’. Ze belandt in de prostitutie.

Maar wat, zo vraagt Erpenbeck zich vervolgens af, zou er gebeurd zijn als een van de ouders ‘een handvol sneeuw van de vensterbank had gegrist en onder het hemd van het kind had gestopt’, dus, om maar weer een moderne term te gebruiken, een vorm van reanimatie had toegepast? Ze vervolgt: ‘… dan was het meisje misschien opeens weer gaan ademen, misschien wel gaan schreeuwen, in elk geval was haar hart weer gaan kloppen’, waarna de schrijfster het jonge gezin in het volgende deel van het boek vlak na de Eerste Wereldoorlog in Wenen verder laat leven. Ze past die methode nog drie keer toe en neemt de lezer aan de hand van haar vrouwelijke hoofdpersoon mee naar de stalinistische Sovjet-Unie, vandaar naar de DDR, om na de val van de Muur te eindigen in een Berlijns bejaardentehuis, waar de vrouw een dag na haar negentigste verjaardag sterft. Een kunstgreep? Inderdaad. Maar ook een elegante manier om de geschiedenis van de hele 20ste eeuw te omvatten en op overtuigende wijze te laten zien hoe plaats, tijd en omstandigheden het leven van een mens bepalen.

De Konjunktiv in het Nederlands

Terug naar het handwerk van de vertaler. In de zogenaamde ‘intermezzi’ tussen de verschillende delen van het boek worden dus mogelijkheden geschetst waardoor het leven van de hoofdpersoon anders had kunnen verlopen. Het Duits beschikt daarvoor over de aanvoegende wijs (Konjunktiv), die kernachtig weergeeft ‘was geschehen wäre, wenn…’, ofwel ‘wat er gebeurd zou zijn als…’ In het Nederlands ben je aangewezen op het werkwoord ‘zullen’. Maar bladzijden lang in elke zin een paar keer het woordje ‘zou’ verdient geen schoonheidsprijs. Gelukkig kunnen wij in bepaalde gevallen ook gebruikmaken van de verleden tijd, zoals hierboven (in de zin met ‘had gegrist’ en ‘had gestopt’) al bleek. Maar een zin als ‘Das Kind hätte an der Hand der Mutter laufen gelernt’ kan hier niet vertaald worden met ‘Het kind had aan de hand van zijn moeder leren lopen’, want dan is het ineens werkelijkheid. Hier moet de vertaler dus wel ‘zou’ gebruiken.

Ritme

Wat maakt het vertalen van de boeken van Erpenbeck nu zo fascinerend? Dat is de poëtische stijl, dat zijn de soms lange, meeslepende zinnen waarin elk woord op zijn plaats staat. Zinnen die je als vertaler talloze malen hardop zegt of zachtjes prevelt om het ritme te proeven. Zinnen als de volgende:

Zoals ze gisternacht al het water in huis heeft weggegooid omdat ze zeggen dat de engel des doods er zijn zwaard in afspoelt, zoals ze de spiegel heeft afgedekt en het raam heeft opengezet omdat ze dat anderen heeft zien doen, maar ook omdat de ziel van het kind dan niet zou terugkeren maar voor altijd zou wegvliegen, zo zal ze nu zeven dagen blijven zitten omdat ze anderen zo heeft zien zitten, maar ook omdat ze niet zou weten waar ze heen moest nu ze niet meer op de onmenselijke plaats wil komen die de kamer van het kind de afgelopen nacht was.

Google en het kinderboek

Tot slot nog iets over de vele citaten, versregels, gedichten die in het boek voorkomen. Met googelen kom je tegenwoordig een heel eind. (Waar is de tijd dat je voor allerlei zaken een encyclopedie, een garage, een slager, een arts moest raadplegen?) Maar Erpenbeck, die op al mijn vragen bereidwillig en uitvoerig antwoord gaf, was er blijkbaar toch niet gerust op dat ik alles had gevonden, want op een gegeven moment schreef ze: ‘Waarom vraag je niets over de zin: “Rote, Rote, ging ging ging, Feuer brennt in Wahring, Feuer brennt in Ottakring, bist a gselchter Haring!”’

Nu had ik vroeger Die feuerrote Friederike van Christine Nöstlinger, een Oostenrijkse jeugdboekenschrijfster, gelezen en wist ik dat het een versje was om roodharigen mee uit te schelden. Wat doe je in zo’n geval? Wahring en Ottakring zijn districten in Wenen en een gselchter Haring is een gerookte haring. Met een letterlijke vertaling kom je dan niet ver. Gelukkig herinnerde ik me een versje waarmee een roodharige vriendin van me vroeger werd gepest. En zo is die zin in mijn vertaling geworden: ‘Rooie, rooie, ik zal oe gooien, met een steen tegen oe been, met een kluit tegen oe snuit, rooie, rooie, de kerk is uit.’

Elly Schippers vertaalde ook eerder werk van Jenny Erpenbeck, deels in samenwerking met Gerrit Bussink en Hilde Keteleer, en boeken van Edgar Hilsenrath, Charles Lewinsky, Anna Seghers, Elias Canetti, Arthur Schnitzler en Erick Kästner. Eerder schreef ze voor Athenaeum.nl over de eerste zinnen van Hilsenraths Het sprookje van de laatste gedachte.

MINDBOOKSATH : athenaeum