Recensie: De beschetenheid van de wereld

25 november 2015 , door Jerker Spits
| | |

De negen verhalen in Karen Köhlers Vuurpijlen vangen (Wir haben Raketen geangelt, vertaald door Gerrit Bussink) vallen op door hun lichte toon en trefzekere details. De toon van de Duitse schrijfster is melancholisch en tegelijk vrolijk. Steeds gaat het om jonge vrouwen die zich er doorheen slaan, na de dood van een geliefde of een jeugd waarin ze gepest en getreiterd zijn. ‘Ze gaf me haar kaartje en nodigde me uit voor een bezoek. Daarna bedronken we ons met wodka en dikten de beschetenheid van de wereld net zo lang aan tot die instortte.’ Door jerker spits.

N.B. Op 17 juni interviewt Marieke Smithuis Karen Köhler in het Goethe-Institut in Amsterdam. U kunt hierbij aanwezig zijn.

Tegen waterpokken, voor vuurpijlen

Karen Köhler (1974) is actrice en schrijfster. Ze schreef toneelstukken voor onder meer het Deutsches Nationaltheater in Weimar. Dit seizoen staat daar een stuk van haar op de planken, dat de toon van deze schrijfster treft: Helden. Oder warum ich einen grünen Umhang trage und gegen die Beschissenheit der Welt ankämpfe (Helden. Of waarom ik een groene cape draag en tegen de beschetenheid van de wereld vecht). Vuurpijlen vangen is haar prozadebuut.

Bijna was het mis gegaan. Vorig jaar was Karen Köhler uitgenodigd voor het prestigieuze Ingeborg Bachmann Wettbewerb, een literair festival waarop Duitstalige schrijvers nog niet gepubliceerd werk aan publiek en een vakjury voorlezen. De belangrijkste literaire critici zijn aanwezig, er worden filmopnamen gemaakt die in Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk worden uitgezonden. Een grote kans voor Köhler, die als een van de veertien auteurs was uitgenodigd. Maar ze had waterpokken en kon niet naar Oostenrijk komen. Haar uitgeverij organiseerde daarom een lezing buiten het festival om, met een livestream via internet. De lezing had als titel: ‘Tegen waterpokken. Voor vuurpijlen.’ De Frankfurter Allgemeine Zeitung roemde Köhlers voordracht. Naast de naam van Tex Rubinowitz, de die prijs van het festival won, was het haar naam die bij de critici en het publiek bleef hangen.

Een maand na het festival verscheen Köhlers debuut, dat lovend werd ontvangen. ‘Van die schrijfster die de waterpokken had,’ fluisterden de critici. Ook in Duitsland is het bijzonder dat niet een roman, maar een verhalenbundel zo veel aandacht krijgt — en dan gaat het ook nog om een debuut. Voor het genre van het korte verhaal in Duitsland is dit ook goed nieuws. Uitgeverij Podium heeft de Nederlandse vertaling Vuurpijlen vangen uitgebracht. Die is van de hand van Gerrit Bussink, die het Nederlands even beknopt en krachtig heeft gehouden als het Duits van Köhler.

Cowboy en indiaan

Alle negen verhalen van Vuurpijlen vangen gaan over een jonge vrouw die er maar het beste van maakt, die haar schouders ophaalt en doorzet. Köhlers personages dragen pijnlijke wonden. Ze worden soms herinnerd aan hun verleden, maar gaan toch verder. Het is die knap beschreven mengeling van tragiek en doorzettingsvermogen die de sterkste kant vormt van deze verhalenbundel. Het verhaal ‘Cowboy en indiaan’ is een van de beste verhalen die ik heb gelezen. Het is levendig, raak, bevat goed gedoseerde details en wordt nergens sentimenteel.

Het verhaal beschrijft een vrouw die in de snikhete Death Valley gered wordt door een indiaan. ‘Mijn hoofd, dat pompende, pulserende, pijnlijke blok, is ziek van de zon.’ De indiaan brengt Katharina in zijn gammele pick-up naar Las Vegas, een Marlboro tussen zijn lippen. Je leeft mee met de vertelster, die zich haar jeugd herinnert:

‘Ik verzamelde de rode ringen van de cowboyhulzen aan een dikke wollen draad, die ik als sieraad om mijn nek droeg. Voor elk gevallen bleekgezicht een ring. Ik sneed figuurtjes in mijn pijlen, beschilderde mijn zelfgemaakte tomahawk – zelfs met mijn bloed; het mes van papa was heel scherp – en ik had vuurstenen die in een leren zakje aan mijn riem bungelden. Mijn vlechten waren versierd met duivenveren en op mijn wangen glansde mama’s goede lippenstift, de felrode, die met het gouden dopje. De bleekgezichten lachten over mijn oorlogskleuren, tot ik ze met pijpen en indianengehuil verdreef. Ik maakte vuurtjes, stookte droge bladeren op en schreef met rook in de lucht – voor het geval er nog een indiaan in de buurt was die versterking nodig had. En toen ze me vingen, me eerst tot op mijn onderbroek uitkleedden en me daarna door de brandnetels duwden, en toen ze me naakt aan de martelpaal bonden, die in werkelijkheid een droogmolen was, en toen ze hun gevangene in haar gezicht sloegen en tegen haar aan piesten, zelfs toen was ik nog altijd de indiaan die geen pijn kende. En toen mijn moeder me ’s avonds vond, geboeid en gekneveld, en me losmaakte en wilde weten wie dat had gedaan, heb ik de cowboys niet verraden, zoiets doet een indiaan niet, en werd daarvoor nog een keer gestraft.’

Las Vegas: bij Köhler ben je er met een paar goed gekozen woorden: ‘Het verkeer, de claxons, straatmuziek, de geur van woestijn en vet, banden en stof.’ Even trefzeker beschrijft de Duitse het ontbijt in een Amerikaans motel (‘een bord vettig roerei met een fles Heinz-ketchup’) en New York (‘vreemd, zoveel mensen, en samen zijn ze een woestijn’).

Absurd en alledaags

De verhalen kennen ook een absurdistische ondertoon, zoals bij de ziekenhuispatiënte in het verhaal ‘Il Comandante’ die verdwaalt, op verdieping -1 uitstapt en in het beddenmagazijn belandt. ‘Ik vraag me af in welke bedden misschien al mensen zijn gestorven en ga in een bed liggen waarvan ik denk dat het onbestorven is.’ Het absurde beschrijft Köhler als het alledaagse.

Af en toe begint de staccatotoon in het verhaal ‘Il Comandante’ wat te vervelen, als het alledaags wordt: ‘Daarna veeg ik over het glas. Ontgrendelen. Voer het wachtwoord in. Klik op Telefoon. Bellijst.’ Het verhaal kent net wat te veel korte zinnen die te weinig aan de verbeelding van de lezer overlaten. Toch blijft Vuurpijlen vangen een ijzersterk debuut. Köhlers verhalen zijn fantasierijk en aandoenlijk: ‘De Indiaan kijkt me aan, in elk geval kijken de glazen van de zonnebril mijn kant op. Misschien ben ik voor hem ook niet meer dan een fata morgana.’

Jerker Spits is germanist. Hij promoveerde in 2008 op een proefschrift over de Duitstalige autobiografie en schreef over Duitse literatuur voor Trouw, De Gids en De Groene Amsterdammer.

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum