Recensie: Ontdekkingsreiziger op de Kaap

30 november 2010 , door Godeke Donner
| | | |

Diderot noemt in zijn Voyage en Hollande Robert Jacob Gordon in verband met de Hottentotse mythe van ‘het schortje’. Hottentotvrouwen zouden hun geslachtsdelen verbergen onder een lap huid die van de buik afhing. Betrof het een vijgenblad dat de natuur had meegeleverd? Gordon had in Nederland al aan Diderot gezegd dat het helemaal geen schortje was maar dat het om verlengde schaamlippen ging. ‘De vrouwen waren kennelijk bereid zich door de witte vreemdeling op die plaats te laten bevoelen, in zijn hoedanigheid als nogal vrijpostige gynaecoloog,’ schrijft Luc Panhuysen in Een Nederlander in de wildernis.

Hij gold in zijn tijd als dé expert op het gebied van de Kaapkolonie. Als achttiende- eeuwse ontdekkingsreiziger was het hem om het even of het Bosjesmannen, Hottentotten, neushoorns of giraffen waren; niet alleen het land zelf maar ook alle levende wezens onderzocht hij tot in de kleinste details.

Gordon geeft een complete anatomische weergave van de dieren die hij bestudeert. De illustraties die hijzelf of Schumacher, de illustrator die met hem meereisde, ervan maakten, zijn gelukkig in Panhuysens boek ruimschoots meegenomen. Of het nu de onderkant van een hyena, de anus van een nijlpaard of de skeletdelen van een giraffe – die Gordon eerst zelf geschoten had – betrof, de Zuid-Afrikaanse fauna werd minutieus in beeld gebracht. Dat gold ook voor het landschap en de bevolkingsgroepen, iets waarvoor in het verre vaderland veel belangstelling bestond.

Tussen Bosjesmannen en Kaffers

Panhuysen heeft met het opgraven van Gordons atlas en dagboeken bewonderenswaardig werk verricht. Een Nederlander in de wildernis leest als een jongensboek en er staan ook nog prachtige plaatjes bij. Op grond van de reisjournaals en brieven die Gordon op zijn expedities schreef, laat Panhuysen zien dat Gordon een exponent van de Verlichting was. In een wereld waarin de buitengewesten zoals Afrika bevolkt heten te zijn door halve en hele wilden, was hij een oprecht nieuwsgierig mens die kennis wilde vergaren. Hij deed dat met veel liefde voor het land en zijn inwoners.

Panhuysen erkent dat het hem niet makkelijk valt de beladen woorden ‘Hottentotten’ en ‘Bosjesmannen’ uit Gordons dagboeken te handhaven. Maar Gordon gebruikte die kreten zelf zonder waardeoordeel en ze nu te vervangen door ‘Khoikhoi’ en ‘San’ zou volgens hem anachronistisch zijn. Zo houdt hij ook de benaming ‘Kaffers’ in plaats van ‘Xhosa’ aan. 

Een encyclopedist op de Kaap

Gordon was een Nederlander met Schotse wortels die in 1773 voor het eerst als kapitein voet aan land zette in Zuid-Afrika. Nog eenmaal zou hij daarna zijn vaderland aandoen maar zodra hij voldoende geld bij elkaar had, vertrok hij weer naar Kaapstad. Nu als plaatsvervanger en later commandant van het VOC-garnizoen in Fort de Goede Hoop. Hij was toen 33 jaar oud.

Als een ware encyclopedist sloeg hij aan het inventariseren en beschrijven van wat hij in de Kaap aantrof. Hij was niet de eerste wetenschapper die de kolonie aandeed om op expeditie te gaan.

‘Tussen 1750 en 1790 hadden de inwoners van Kaapstad bijna ieder jaar wel een onderzoeker een expeditie zien uitrusten. Niemand keek raar op wanneer er weer een colonne ossenwagens en vreemdelingen te paard de stad uit sjokte.’

Kaapstad zelf vertoonde als bolwerk van de blanke beschaving weinig cultuur. Er was geen krant, boekhandels bestonden niet en men sprak geen woord buitenlands. Een uit Den Haag afkomstige commissaris voorspelde al dat er ‘hier een gebroken Nederlands zal ontstaan dat naderhand onmogelijk hersteld zal kunnen worden’. Het Afrikaans was de taal van de blanken. Het was zeventiende-eeuws Nederlands met dankzij de slaven creoolse invloeden.

‘Een ander teken van zedenverwildering was voor buitenstaanders zichtbaar tijdens het diner. Hier hield men gewoonlijk zijn hoed op, zelfs als er dames in het gezelschap waren. Tijdens de maaltijden rookten de mannen als schoorstenen, tegen de tijd dat men zijn lepel in het dessert kon steken lag er al een dikke laag tabaksdamp over de zintuigen.’

Mislukte vredespogingen

Al snel begon Gordon met de voorbereidingen voor zijn reis. Bij zijn eerste expeditie had hij geen dagboek bijgehouden, maar nu was hij ontdekkingsreiziger in dienst van de VOC. Hij wilde de loop van de Grote Rivier in kaart brengen en moest daarom het land van de ‘wilde Bosjesmannen’ in.

Gordon wilde contact met hen leggen, want hij had ook de taak gekregen vrede te stichten tussen de trekboeren, die in armoede en groot isolement leefden, en de Bosjesmannen, die geen nieuwkomers op hun land duldden en aan grootschalige veeroof deden. De expeditieleden hadden hun bedenkingen bij de plannen van hun leider. Toen op een ochtend in het kamp vergiftigde pijlen en een assegaai werden gevonden, was er geen houden meer aan. De expeditie was ten einde, Gordon slaagde er niet in zijn medereizigers te overreden verder te gaan. Gordon had geen Bosjesman gesproken, want overal waren ze voor hem op de vlucht geslagen. Na een zware tocht van 800 kilometer moest hij rechtsomkeert maken.

Het einde van een avonturier

Na zijn laatste expeditie trok Gordon zich terug in zijn huis Schoonder Sigt, waar zijn collectie tentoongesteld stond. Het was ‘het grootste curiositeitenkabinet van het Afrikaans continent’:

‘Voor iedereen die de Kaap aandeed werd Gordons huismuseum een verplichte excursie; wie zich niet door hem had laten rondleiden kon niet beweren de Kaapkolonie gezien te hebben. Wijzend en vertellend leidde Gordon de gasten langs opgezette viervoeters, reptielen en vogels, langs vitrines met wapens en schedels, langs kleurige tekeningen, uiteraard langs het dubbelloopsgeweer van James Cook.’

Niet voor niets werd zijn huis de Ark van Noach genoemd.

Gordon kwam tragisch aan zijn einde. In 1795 verscheen een Britse vloot in Valsbaai met een brief van de afgezette Willem V die daarin beval dat de Kaap zich onder Brits gezag moest stellen. Gordon zegde toe de Engelsen bij een eventuele aanval te zullen helpen, vooral uit loyaliteit jegens de Prins. Maar het garnizoen verdacht hem van verraad. Na een paar weken werd de overgave getekend. De Engelsen hadden gewonnen. Niet de Prinsenvlag ging uit, zoals Gordon had gedacht, maar de Union Jack. Zijn troepen maakten hem nu openlijk uit voor verrader waarop hij door zijn mede-officieren moest worden ontzet. Een maand later schoot hij zich een kogel door het hoofd. Omdat hij buiten het kerkhof moest worden begraven, is zijn graf helaas nooit teruggevonden.

Godeke Donner heeft Nederlandse Letterkunde en Algemene Literatuurwetenschap gestudeerd aan de UvA en de Sorbonne-IV. Ze heeft in de afgelopen 25 jaar in onder andere Madrid, Buenos Aires, Paramaribo en Jakarta gewoond en schreef boekrecensies voor verschillende kranten.

MINDBOOKSATH : athenaeum