Recensie: Kunst in de politieke realiteit

30 november 2015 , door Leonhard de Paepe
| | | | |

Het kunstwerk is de levende presentatie van religie. En voor het welvaren der kunsten zou de maatschappij de meest gunstige omstandigheden moeten creëren. Deze gedachten legde de Duitse componist Richard Wagner neer in zijn twee beroemde essays 'Het kunstwerk van de toekomst' en 'Kunst en de revolutie'. Beide essays zijn geschreven in ballingschap in Zwitserland, nadat Wagner bij de revoluties van 1848 in Pruissen betrokken was geweest.
De essays van Wagner zijn voor de Bulgaarse historicus en filosoof Todorov een uitdrukking van een ouder ideaal dat stamt uit de romantiek. Het was Friedrich Schiller wiens Brieven over de esthetische opvoeding van de mens voor het eerst de relatie legt tussen beschaving, samenleving, spiritualiteit en politiek. Door leonhard de paepe.

Vergeten verwevenheid tussen kunst en politiek

In het eerste essay uit The limits of Art beschrijft Todorov de in de kunst vaak onderbelicht gebleven samenhang tussen kunstenaars en dictators, of liever: tussen kunst en politiek. Wagner geloofde dat op een dag machines de mens zouden bevrijden van arbeid. Arbeid zou kunst worden en slaven van de industrie zouden makers van schoonheid kunnen worden. Alle leven zal artistiek worden. Omdat alleen een gemeenschappelijke inspanning dit mogelijk zou maken, koos Wagner voor wat hij hield voor het tegendeel van egoïsme, namelijk: communisme.

Dat ideaal - hoewel technisch inderdaad mogelijk - werd verzwolgen in de om zich heen grijpende macht van de grote bedrijven die ontstonden in de industriële revolutie. Een macht die het communisme uiteindelijk niet heeft kunnen breken. Eén reactie tegen dit 'modernisme' was het fascisme en Wagner werd niet toevallig de held van Adolf Hitler. In dit zéér interessante essay beschrijft Todorov het Italiaanse futurisme, de Duitse avant-garde en het Russische constructivisme in hun totale en vergeten verwevenheid met de totalitaire regimes die in die landen opkwam.

De staat als vormgever van het volk

Overal, meent Todorov, werd de kunst een tijdlang bezongen om daarna ondergeschikt te worden gemaakt aan het ideaal van de staat. De ideologische achtergrond was die van de ondergang van het christendom in het Avondland. Nadat eerst de Duitse romantici (Novalis, de broers Schlegel, Goethe en Schiller) schoonheid als vervanger voor het allerhoogste namen, werd dit door totalitaire politici (Hitler, Stalin, Mussolini) politiek vertaald. Zij beschouwden de staat als het allerhoogste en zichzelf als de vormgevers van een volk. Niet God was dat, en niet de kunstenaar als demiurg, maar de staatsman voor wie het land zijn artistieke materiaal was, en zijn bevel de vormgeving van een volk. Kunstenaars werden vroeg of laat vervolgd of ondergeschikt gemaakt aan het systeem. Zij werden niet geacht om keer op keer de filosofische vragen die achter grote kunst liggen op te nemen, maar slechts om de antwoorden van de partij-ideologie te verbeelden.

Mussolini's boeken zijn hiervan een heel duidelijke articulatie: 'One needs a government, a man, a man who has, when it is necessary, the delicate touch of the artist and the hard hand of the warrior.' In 1922 noemde Mussolini zichzelf de 'beeldhouwer van de Italianse natie' en hij vond 'de mens' de meest moeilijke van alle materiaal. Todorov: 'His project, as he was wont to explain to anyone who would listen, was to create new Italians, to remake their souls, to shape the masses.'

Blinde vlek

Op deze wijze beschrijft Todorov de kunst, in haar verwevenheid met politieke geschiedenis en dat levert een prachtig essay op, waarin vooral de Russische kunstenaars goed belicht worden. Spijtig is alleen, dat Todorov, zoals veel oudere Oost-Europese intellectuelen, alleen communisme en fascisme betrekt in deze kritiek, terwijl de massa's nog altijd worden gevormd met artistieke middelen. Er is nog steeds reclame die de meest fantastische utopieën schildert en populaire cultuur die alleen gefinancierd wordt als zij niet al te veel afwijkt van de kapitalistische ideologie.

In het tweede essay uit deze bundel komt deze blinde vlek nog sterker naar voren als de Bulgaar komt te spreken over het verband tussen kunst en ethiek. Todorov schrijft 'In countries that aspire to protect both individual freedom and collective interests, art has not been submerged by entertainment any more then it has been made to serve the ends of propaganda.' Het blijft de vraag welke landen hij hier bedoelt. Terecht registreert Todorov dat kunstenaars de laatste decennia vooral bezig zijn geweest de wereld te deconstrueren en niet om de wereld beter te leren kennen. Dat is in zichzelf al een reactie en dus geen oorspronkelijk onderzoek naar een bepaalde ervaring van leven. De deconstructie van kunstenaars is niet zonder gevaar: 'Deconstruction firstly targets the narrative. It continues by attacking the characters, absent or incoherent, and it culminates in a deconstruction of meaning.'

Maar dan komt de groteske deductie waarin de manifeste veroudering van zijn generatie denkers zich toont. Todorov citeert Romain Gary: 'It starts with the elimination of characters from novels, and it ends with the slauhter of six million jews.' In Nederland is het Rob Riemen die graag Auschwitz uit de kast haalt als hij een punt wil maken en dat verlamt iedere discussie over de culturele variabelen van onze tijd. Desalniettemin heeft dit boek de grote verdienste de politieke realiteit achter de kunstgeschiedenis eens naar voren te halen Voor vrijwel iedere jonge kunstenaar is dat geen overbodige luxe.

Leonhard de Paepe studeerde aan de kunstacademie en is filosoof. Hij schrijft voor NRC Handelsblad en is docent Esthetica aan de de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag (KABK).

MINDBOOKSATH : athenaeum