Bestel uw boeken online bij Athenaeum Boekhandel!

Leesfragment: De idioot en de tederheid

03 april 2016 , door Yannick Dangre
|

6 april wordt de nieuwe roman van Yannick Dangre, De idioot en de tederheid gepresenteerd bij Athenaeum Boekhandel. Wij publiceren voor.

Het is Tristan niet helemaal duidelijk waarom zijn oom Arthur er zo naar snakt dat iemand zijn levensverhaal opschrijft. Hoopt hij werkelijk dat hij, zodra alles op papier staat, definitief korte metten kan maken met wat er vier jaar geleden in hun familie is gebeurd? Arthur en Frank zijn een fietsenwinkel begonnen nadat ze de zaak van hun ouders van de hand hebben gedaan, maar daarmee zijn ze nog niet van hun vader af, en ook niet van zijn leugenachtigheid. Yannick Dangre dringt bij monde van het eigenwijze neefje Tristan diep door in de familietragiek.

Yannick Dangre is schrijver en dichter. Op 22-jarige leeftijd publiceerde hij zijn debuutroman Vulkaanvrucht, die werd bekroond met de Debuutprijs. In 2011 verscheen zijn eerste dichtbundel Meisje dat ik nog moet, die werd bekroond met de Herman De Coninckprijs en genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs. In 2012 verscheen de roman Maartse kamers, in 2014 zijn tweede dichtbundel Met terugwerkende kracht. In januari werd Yannick Dangre door NRC Handelsblad getipt als literair talent van 2016.

 

Dit wordt zijn verhaal, niet het mijne. Ik denk het terwijl we langs de rijen net geplante saffraanbollen lopen en Arthur maar blijft praten. Geen vergissing, vernedering of schaamtevol incident blijft me bespaard. Hij vertelt me alles, want dat is wat ik hem beloofd heb om op te schrijven. Alles precies zoals hij het zich herinnert.
Als hij even zwijgt, kijk ik om me heen. De velden strekken zich kleurig voor me uit, eindigen in een bosrand waar het brandhout in piramides ligt opgetast. In het omzoomde stukje weiland grazen Arthurs drie paarden; er hangt een vage geur van mest en gedroogde hars. Mijn shirt is doorweekt.
Het is de eerste keer dat ik mijn oom bezoek sinds hij drie jaar geleden, in de zomer van 2012, verhuisde naar dit Zuid-Franse gehucht. De grond is hier goedkoop, mijn oom bezit een domein van vijf hectare. Jessica en hij kweken er hun eigen groenten, fruit, saffraan en toveren kruidenbroden uit de oven volgens plaatselijk recept. Met die uiterst biologische producten schuimt Arthur elke dag de markten af. Hoewel deze streek, de Landes, niet meteen een trekpleister is, zorgen de toeristen toch voor het leeuwendeel van zijn inkomsten. Vooral aan de ecologische types krijgt mijn oom zijn producten moeiteloos gesleten. Hij is niet duur.
Sinds ik vier dagen geleden aankwam, vergezel ik Arthur elke dag naar de markt. Ik help hem waar het kan, al doe ik niet veel meer dan in- en uitladen, verkopen heb ik nooit gekund. Rouwig ben ik daar niet om. Integendeel, het stelt me gerust dat ik het beeld dat mijn oom van me heeft kan bevestigen. Ook voor de rest van mijn familie ben ik altijd ‘de artiest’ geweest, zelfs lang voordat ik daadwerkelijk debuteerde. Twee linkerhanden, een overontwikkeld brein, literaire idealen die misschien tot een boeiend bestaan maar vooral tot een miezerig inkomen zouden leiden, dat vatte hun nogal voorspelbare ideeën over mij samen. Ze hebben over de hele linie gelijk gekregen.
‘Tristan?’ vraagt Arthur wanneer we langs het weiland terug naar het huis lopen. ‘Weet je hoe ik mijn moeders diagnose vernam?’
‘Ja, dat heb je al verteld,’ zeg ik en blijf naar de grond staren. Arthurs huisdieren lopen vrij rond, het is altijd oppassen voor hondendrollen.
‘Toch was de schok toen minder groot dan met Frank. Kun je je dat voorstellen?’
Hoewel ik voel dat mijn oom behoefte heeft om te praten, wis ik alleen maar zwijgend het zweet van mijn voorhoofd. Ook na vier dagen is het me nog steeds niet helemaal duidelijk waarom hij er zo naar snakt dat iemand zijn levensverhaal opschrijft. Hoopt mijn oom werkelijk dat hij, zodra alles op papier staat, definitief korte metten kan maken met wat er vier jaar geleden is gebeurd? Wil hij alsnog wraak? Of is het simpelweg dat wat je altijd ziet bij mensen die erin geslaagd zijn om hun littekens te vergeten: op een dag komt de jeuk onherroepelijk terug.
Ik bestudeer Arthurs gezicht, dat verweerd is door de zon, al verbeeld ik me soms dat het door het verdriet komt. ‘Denk je nog vaak aan Frank?’ vraag ik.
Er verschijnt een glimlach op zijn gezicht, ik zie dat Arthur zijn best doet om hem niet verkrampt te laten overkomen. ‘Soms,’ zegt hij zacht.
‘Niet elke dag?’
‘Soms elke dag, ja.’
Terwijl hij het zegt, voel ik scherp de leegte in mijn borst. Ook ik mis Frank. Ik mis hem zoals hij in mijn kindertijd was: gul, enthousiast, hilarisch. Een oneindig veel betere versie van Arthur.
‘En wat voel je dan?’ vraag ik.
‘Weet ik veel. Wat voel jij als je aan je broer denkt? Wat betekent Michael nog voor jou?’ Arthurs stem klinkt harder nu, verwijtend haast. ‘Ik zie trouwens niet in wat dat met het boek te maken heeft.’
Ik dring niet verder aan, ook al zou ik mijn oom voor de voeten kunnen werpen dat hij zelf op totale openhartigheid heeft aangedrongen. Hij mag dan al dagen bezig zijn me ‘alles’ te vertellen, toch zitten er soms opvallende hiaten in zijn verhaal. Dan weet mijn oom iets niet meer, of heeft hij het verdrongen, of lijkt hij simpelweg wat te verzinnen. Af en toe betrap ik me op de gedachte dat hij het liever zelf allemaal had opgeschreven.
Misschien was dat vroeger wel een droom van hem, want volgens mijn moeder was Arthur in zijn jeugd een nog grotere boekenwurm dan ik. De boeken over kweekmethoden die hij tegenwoordig leest, waren nog ver weg, als tiener begroef hij zich alleen maar in stapels en stapels romans, en in een mild cynisme dat nog geen enkele bitterheid bevatte. Bevlogen cynisme, zoals alleen jonge mensen dat kunnen hebben. Ik had mijn oom toen graag gekend.
Strikt genomen kenden we elkaar natuurlijk ook, maar ik was een uk van twee of drie. Tegen de tijd dat ik zelf aan literatuur verslingerd raakte, was die jonge, leeshongerige Arthur allang verdwenen. Hij werd opgeslorpt door zijn baan, door het dagelijkse leven, door een cynisme waar de bevlogenheid uit was weggesijpeld. Dat hij ooit romans heeft verslonden, kan ik me nu eerlijk gezegd nauwelijks voorstellen. Mijn eigen boeken en dichtbundels staan wel bij hem in de kast, maar het lijkt me onwaarschijnlijk dat mijn oom ze heeft gelezen.
Misschien is dat maar goed ook, anders had hij me nooit gevraagd om dit te doen. Dan zou hij weten dat ik altijd mordicus heb geweigerd over mijn familie te schrijven, want dat is de makkelijke weg, die van de minste weerstand. Die van de minste verbeelding vooral. Een schrijver moet het raadsel vergroten, niet het binnen het welbekende tuinperkje van zijn jeugd houden. Mijn eigen jeugd heb ik altijd weggemoffeld achter een hoop literaire verbodsborden en afzetlinten. Toch maakt ze onherroepelijk deel uit van Arthurs leven.
Als ik werkelijk op zijn verzoek wil ingaan, dan zal ik mijn eigen schrijverschap moeten verraden.
Dat laatste begrijpt Arthur niet. Net zoals hij op zijn vierenveertigste nog steeds niet beseft dat zijn leven volledig bepaald is door zijn familie. Of misschien beseft hij het wel, maar aanvaardt hij het niet. Misschien aanvaardt niemand dat, zijn we heimelijk allemaal aanhangers van Sartres idee dat we onze eigen essentie bepalen. Maar dat is naïef. Er ligt altijd, niet omdat je het wilt, maar juist omdat je het niet wilt, een stuk van je essentie besloten in je familie.

Wanneer Jessica met hun tweejarige dochter Charlotte naar de supermarkt vertrekt, zet mijn oom de tv aan. We kijken samen naar het einde van de Touretappe. Hoewel alle ramen en zelfs de meeste luiken gesloten zijn, is het ook binnen nauwelijks uit te houden; alleen de terracotta vloertegels bieden wat verkoeling aan mijn voeten. Boven mijn hoofd trekken vliegen geluidloos veelhoeken in de lucht.
Als we weer beginnen te praten, glijdt ons gesprek al snel af naar Frank. Voor de vijfde of zesde keer deze week beschrijft Arthur me de belangrijkste dag uit zijn leven, 7 april 2011, toen hij de val opzette voor zijn broer. Hij vertelt langzaam, en in gedachten neem ik zelf zijn hakkelende zinnetjes al in de mond. Als ik Arthur ooit volledig wil begrijpen, zal ik met hem moeten samenvallen, ook op die beslissende middag:

‘Ik herinner me nog goed hoe ik in de fietsenwinkel het vrolijke melodietje van de bel hoorde toen Frank de deur uit ging. Er zat op dat moment drieduizend euro in zijn broekzak, ik had het bedrag tot de laatste cent nageteld, maar dat wist Frank natuurlijk niet. Door mijn hoofd dreunde maar één gedachte: straks ga ik hem op de man af vragen hoeveel hij naar de bank heeft gebracht.
Natuurlijk was het nauwelijks voor te stellen dat hij een ander bedrag dan drieduizend zou noemen, maar wat als het wel zo was? Hoelang belazerde Frank me dan al? Hoeveel geld kon je verduisteren als de ander twintig jaar lang de rekeningen niet nakeek?
Een idioot, zo zouden ze me allemaal noemen, maar ze kenden onze geschiedenis niet.
Even dacht ik aan pa, die het idee van het gesjoemel in mijn hoofd had geplant, maar ik drukte de gedachte weg, leunde alleen maar zo ver mogelijk over de toonbank om te zien of Frank de hoek nog niet om kwam.
Waar moest ik in hemelsnaam heen als hij me bedroog? Moeder was allang geen optie meer, Johan was dat nooit geweest en Jessica zat nog op haar werk. Bovendien voelde ik er weinig voor om haar te betrekken in een conflict tussen Frank en mij.
De enige naar wie ik toe kon, was Patricia. Alweer Patricia. Mijn zus was altijd de verantwoordelijke van de vier geweest, de bemiddelaarster, ook al besefte ik dat die rol zinloos zou zijn als pa gelijk had.
Toen verscheen Frank voor het etalageraam.
Ik voelde een koude vlaag langs mijn keel glijden, slikte speeksel weg. Heel even had ik de neiging weg te rennen, of te schreeuwen dat het allemaal geen klap uitmaakte, dat Frank het geld mocht houden en ik alleen maar wilde dat er tussen ons niets zou veranderen.
“Zijn er nog klanten geweest?” vroeg Frank.
Ik antwoordde niet en staarde naar zijn borstzakje, waarop zich de gestileerde vogel van Armani Jeans bevond. Hoelang droeg hij dat soort shirts al?
De elektronische bel klonk en Frank wilde zich omdraaien, maar ik hield hem tegen. Hij schrok niet, zijn groene ogen keken zelfs guitig in de mijne. Ik ga het hem niet vragen, flitste het een gelukzalig ogenblik door me heen. Het hoeft niet. Hij is mijn broer.
Toen hoorde ik mezelf zeggen: “Frank, hoeveel heb je naar de bank gebracht?”’

Hier houdt mijn oom op, alsof hij het antwoord nooit meer wil horen. Traag nipt hij van zijn biertje, een omlaagsijpelende zweetdruppel verdwijnt in zijn wenkbrauw. Misschien denkt Arthur terug aan die andere aprildag, zoveel jaren eerder, toen hij Frank zijn krankzinnige plan voorlegde en hun droom begon. Het is daar dat ik zelf moet beginnen, al was het maar om die bevlogen Arthur terug te vinden die ik nooit heb gekend.
‘Is er wat?’ vraagt mijn oom, omdat ik hem nog steeds zit aan te staren.
Ik schud het hoofd, maar wend mijn blik niet af. Ik zal alles opschrijven, alles precies zoals mijn oom het hier en nu zou doen. Als hij tenminste zijn eigen leven had begrepen.

 

Copyright © 2016 Yannick Dangre

MINDBOOKSATH : athenaeum