Leesfragment: Swing Time

29 juli 2017 , door Zadie Smith
|

Zadie Smiths Swing Time staat op de shortlist van de Europese Literatuurprijs 2017. Lees hier een fragment uit Peter Abelsens vertaling.

Twee vriendinnen uit een arme wijk in Noord-Londen dromen ervan danseres te worden. Maar slechts een van hen heeft talent. Het andere meisje moet haar droom prijsgeven, maar zal zijdelings in de wereld van de dans blijven als persoonlijk assistente van een wereldberoemde popster - een bestaan vol glamour, maar altijd de glamour van anderen. De moeilijke relatie met haar moeder confronteert haar bovendien met allerlei vragen over haar afkomst. Wat hebben muziek, dans en persoonlijke ambitie met elkaar te maken? In hoeverre val je samen met de geschiedenis van je voorouders? En wanneer is een mens eigenlijk vrij? De hechte maar ingewikkelde vriendschap tussen deze meisjes eindigt abrupt als ze begin twintig zijn, maar ze blijven elkaars leven op afstand bepalen. Swing Time is een oogverblindend, energiek en hartverwarmend verhaal over vriendschap, muziek en afkomst en hoe al deze dingen bepalen wie we zijn. Deze roman, die beweegt tussen de contrasterende decors van Noordwest-Londen en West-Afrika, is een exuberante dans op de muziek van de tijd. 

N.B. Lees ook onze bespreking van Swing Time en onze recensies van NW en Changing My Mind.

 

1

Als het mogelijk is om alle zaterdagen van 1982 als één enkele te zien, dan is dat de zaterdag waarop Tracey om tien uur ’s ochtends in mijn leven kwam, terwijl we beiden aan de hand van onze moeders door het grind van een kerktuin liepen. Er waren nog veel meer meisjes, maar om voor de hand liggende redenen vielen wij elkaar op, onze verschillen en overeenkomsten, zoals meisjes die plegen op te merken. Onze huid was van precies hetzelfde bruin, alsof we uit één en dezelfde lap stof waren gesneden, onze sproeten hoopten zich op dezelfde plekken op en we waren even lang. Maar ik had een lang en melancholiek gezicht, met een rechte, ernstige neus en een neerwaarts gerichte blik en mondhoeken. Traceys gezicht was rond en levendig, ze zag eruit als een donkere Shirley Temple, al wist ik zeker dat zij net zo ontevreden over haar neus moest zijn als ik over de mijne was – die van haar krulde omhoog als de snuit van een biggetje. Het had iets liefs, maar ook iets afstotends: haar neusgaten waren constant zichtbaar. Qua neuzen kon je dus van een gelijkspel spreken, maar qua haar won zij het dan weer ruimschoots. Ze had spiraalvormige krullen tot op haar achterste, in twee lange vlechten, glimmend door een of andere olie en aan het eind omwonden met gele strikjes. Gele zijden strikjes waren een fenomeen dat mijn moeder geen plaats wilde toekennen in haar wereld. Zij graaide mijn kroezende massa bijeen tot één enkele wolk en bond die af met een zwart lint. Mijn moeder was feministe. Ze droeg haar eigen haar in een kortgeschoren afro. Haar schedel was volmaakt van vorm. Ze gebruikte nooit make-up en kleedde zowel zichzelf als mij zo sober mogelijk. Maar in haar geval kon dat ook. Je haar en kleren zijn niet van belang als je de uitstraling hebt van Nefertiti. Ze kon haar smaak naadloos met haar maatschappijvisie en draagkracht laten samengaan omdat ze geen mascara, verzorgingsproducten, sieraden of dure kleding nodig had. Accessoires vormden alleen maar een inbreuk op haar persoonlijke stijl, net als (zo voelde ik het tenminste) het zevenjarige en door een paardengezicht ontsierde meisje naast haar.
Naar Tracey kijkend stelde ik de omgekeerde verhouding vast: haar moeder was blank, dik en puisterig, met dun blond haar dat ze in een strakke staart droeg, een haardracht waarvan ik wist dat mijn moeder die een ‘Kilburn facelift’ noemde. En al dit lelijks had een tegenwicht in Traceys glamour: zij was haar moeders meest flatterende accessoire. De kledingstijl van die twee, hoezeer ook strijdig met de smaak van mijn moeder, fascineerde me: logo’s, glinsterende armbanden, oorhangers en andere tierelantijnen, dure sportschoenen van het soort dat mijn moeder niet als werkelijk bestaand wenste te zien (‘dat zijn toch geen schoenen, schei uit’). Maar afgezien van die uiterlijke aspecten waren er niet veel verschillen tussen de omstandigheden bij ons thuis en die bij Tracey. Beide gezinnen huisden in sociale woningbouw, geen van beide leefde van een uitkering (iets wat mijn moeder met trots vervulde maar door Traceys moeder een schandaal werd geacht: ze had vele pogingen gedaan, en altijd tevergeefs, om ‘in de ziektewet’ te komen). Voor mijn moeder waren die omstandigheden nu net de reden om grote waarde te hechten aan je persoonlijke stijl. Zij kleedde zich op een toekomst die ons nog niet had bereikt maar wel in het verschiet lag. Daar waren haar witte linnen broeken voor bestemd, haar blauw met wit gestreepte t-shirt, haar rafelige touwschoenen, haar onopgesmukte maar prachtige Afrikaanse hoofd – alles zo eenvoudig, zo ingetogen, dat het volstrekt uit de toon viel bij de tijdgeest en onze omgeving. Op een dag zouden we ‘hier vertrekken’, zou ze haar studie afmaken en tot de radicaal progressieve chic toetreden, misschien zelfs wel in één adem genoemd worden met Angela Davis en Gloria Steinem… schoenen met rieten zolen maakten integraal deel uit van deze gedurfde toekomstvisie, vormden een subtiele verwijzing naar de hogere doelen die mijn moeder nastreefde. Ik was slechts Swing accessoire in zoverre ik met mijn sobere kleding haar normbesef als moeder uitdroeg, want het getuigde van normloosheid, althans in de kringen waartoe mijn moeder wilde behoren, om je dochter uit te dossen als een ‘kindhoertje’. Tracey daarentegen was niets meer of minder dan haar moeders pronkstuk, de belichaming van haar idealen, haar enige bron van vreugde met die oogstrelende gele strikken, het overdadig geplooide froufrourokje en het topje dat vele centimeters aan notenbruine meisjesbuik onbedekt liet. Toen we tegen hen aan werden geperst in het gedrang van moeders en dochters voor de ingang van de kerk, volgde ik aandachtig hoe Traceys moeder haar meisje voor zich uit duwde om eerder binnen te zijn, en hoe ze zichzelf vervolgens onpasseerbaar maakte met haar lillende bovenarmen, tot ze de zaal achter in de kerk betrad waar Miss Isabel dansles gaf, met groot vertoon van trots én van ongerustheid omdat ze haar dierbare kind voor even aan de hoede van een ander moest toevertrouwen. De houding van mijn moeder was er een van meewarige en semilusteloze opofferingsgezindheid. Zij vond die dansles eigenlijk maar onzin, had wel iets beters te doen. En nadat ze nog een paar zaterdagen onderuitgezakt op een van de plastic stoeltjes langs de linkerwand had gezeten, amper in staat haar minachting voor al die poppenkast te verbergen, viel er een beslissing en werd het de taak van mijn vader om me te vergezellen. Ik nam aan dat Traceys vader het ook wel zou overnemen, maar dat gebeurde nooit. Sterker nog: er bleek, zoals mijn moeder al meteen had vermoed, niet eens een ‘Traceys vader’ te bestaan, althans niet in de gebruikelijke zin van het woord. Ook dit werd een voorbeeld van normloosheid geacht.

 

© 2016 Zadie Smith
© 2016 Nederlandse vertaling Uitgeverij Prometheus en Peter Abelsen

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum