Leesfragment: Tot in de hemel

24 augustus 2018 , door Richard Powers
|

Vandaag verschijnt de nieuwe roman van Richard Powers: Tot in de hemel (The Overstory, vertaald door Jelle Noorman). Wij brengen de eerste pagina's.

Tot in de hemel van Richard Powers is het verhaal van negen mensen die de wereld van de bomen leren zien – en horen. Een laadmeester bij de Amerikaanse luchtmacht die tijdens de Vietnamoorlog gered wordt door een bodhiboom, een verguisde wetenschapster die bomen met elkaar hoort communiceren, een kunstenaar met een bijzondere verzameling foto’s van een bedreigde kastanjesoort: deze drie, en nog zes anderen, allen onbekenden van elkaar, zullen op verschillende manieren betrokken raken bij een laatste, heftige verzetsdaad om de resterende paar hectare oerwoud van het Noord-Amerikaanse continent van de ondergang te redden. ‘Tot in de hemel’ is Powers ten voeten uit: een verrassende fusie van natuurwetenschap en literatuur, een monumentale roman over bomen en mensen. Het is een meeslepende vertelling over activisme en verzet, en tegelijkertijd een loflied op een wereld naast de onze.

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Orfeo, en besprak Emmi Schumacher de roman.

 

Wortels

Eerst was er niets. Daarna was er alles.
Daarna, in een park boven een westerse stad na zonsondergang, regent het boodschappen uit de hemel.

Een vrouw zit op de grond, tegen een den geleund. De schors drukt hard tegen haar rug, zo hard als het leven zelf. De naalden vullen de lucht met hun geur en diep in het hout huist een gonzende kracht. Haar oren stemmen zich af op de laagste frequenties. De boom spreekt, met voorwoordelijke woorden.
Hij zegt: Zon en water zijn kwesties die steeds weer een antwoord verdienen.
Hij zegt: Een goed antwoord moet keer op keer opnieuw worden verzonnen.
Hij zegt: Elk stuk aarde vergt een andere wijze van wortelen. Er zijn meer manieren om je te vertakken dan een cederpotlood ooit zal weten vast te leggen. Door zich stil te houden kan iets zich overal naartoe verplaatsen.
En dat is precies wat de vrouw doet. Om haar heen regent het signalen alsof het zaden zijn.
Gesprekken voeren vanavond ver. De knikken in de elzen spreken van onheuglijke rampen. De bleke katjes van de tamme dwergkastanje schudden hun stuifmeel uit; spoedig zullen ze vervormen tot stekelige vruchten. Populieren verspreiden de geruchten van de wind. Dadelpruimen en okkernoten lonken met hun lokaas, net als de lijsterbes met zijn bloedrode trossen. Oeroude eiken doen wuivend hun voorspelling voor het weer van later. De honderden soorten meidoorn lachen om die ene naam die ze gedwongen zijn te delen. Laurieren betogen dat zelfs de dood niets is om wakker van te liggen.
Er schuilt iets in de geurige lucht wat de vrouw gebiedt: Sluit je ogen en denk aan wilgen. Het treuren dat je ziet is waan. Stel je de doorn voor van een acacia. Niets dat je voor de geest komt is scherp genoeg. Wat hangt er recht boven je? Wat zweeft er boven je hoofd op dit moment – nu?
Bomen nog veel verderop doen ook hun zegje: Alle voorstellingen die je je van ons maakt – mangroven als een betoverd bos op stelten, de muskaatboom als een omgekeerde spade, de baja als een knoestige olifantspoot, de damarboom als een opgerichte raket – zijn altijd afgeknot. Jouw soort ziet ons nooit helemaal. Jullie ontgaat de helft, of meer. Er is altijd net zoveel onder de grond als erboven.
Dat is het probleem met mensen, hun diepst gewortelde probleem. Het leven gaat ongezien aan hen voorbij: hier, vlak naast hen. Het vormt de grond. Het zorgt voor de waterkringloop. Het wisselt voedingsstoff en uit. Het maakt het weer. Het levert de componenten van de atmosfeer. Het voedt en geneest en huisvest meer soorten schepselen dan mensen kunnen tellen.
Een koor van levend hout zingt tot de vrouw: Was je geest ook maar een beetje groener, dan zouden we je van zin doordrenken.
De den waar ze tegenaan geleund zit, zegt: Luister. Er is iets wat je moet horen.

Nicholas Hoel

Nu is het kastanjetijd. Mensen slingeren stenen tegen de reusachtige stammen. De vruchten vallen als goddelijke hagel om hen heen. Dit gebeurt deze zondag op talloze plekken, van Georgia tot aan Maine. In Concord, in het noorden, is Th oreau van de partij. Hij heeft het idee dat hij een verstandelijk wezen met keien bekogelt, een wezen met een minder ontwikkeld verstand dan hijzelf, maar toch een bloedverwant. Oude bomen zijn onze ouders en wellicht de ouders van onze ouders. Als je de geheimen van de natuur wil doorgronden, zal je meer menselijkheid moeten betrachten...
Op Prospect Hill, in Brooklyn, moet nieuwkomer Jørgen Hoel lachen om de stortvloed die zijn worpen teweegbrengen. Telkens wanneer zijn steen de stam raakt, wordt het voedsel met scheppen vol omlaaggeschud. Mannen rennen rond als dieven, proppen petten, zakken en broekomslagen vol met uit hun bolster bevrijde vruchten. Hier is het dan, het legendarische gratis feestmaal dat Amerika voor eenieder in petto heeft – weer iets wat je zomaar in de schoot wordt geworpen in een land waar zelfs kliekjes rechtstreeks van Gods dis afkomstig lijken.
De Noor en zijn maten van de marinewerf van Brooklyn roosteren hun buit boven grote kampvuren op een open plek in het bos. De smaak van de geblakerde kastanjes doet hun meer goed dan ze zeggen kunnen: zoet en hartig, machtig als een bataat, gronderig en mysterieus tegelijk. De stekelige bolsters prikken, maar hun nee is eerder plagerig dan bedoeld als een echt obstakel. De kastanjes wíllen uit hun doornige huls glippen. Stuk voor stuk bieden ze zich aan voor consumptie, zodat andere zich wijd en zijd kunnen verspreiden.
Die avond, in de roes van de geroosterde kastanjes, doet Hoel zijn aanzoek aan Vi Powys, een Iers meisje uit de grenen rijtjeshuizen op twee straten van zijn eigen pension, aan de rand van Finn Town. Niemand binnen een straal van drieduizend mijl heeft het recht bezwaar te maken. Ze trouwen voor de kerst. In februari zijn ze Amerikaan. In het voorjaar bloeien de kastanjes opnieuw, met lange, harige katjes die deinen in de wind, als schuimkoppen op de grijsgroene Hudson.
Het staatsburgerschap wekt honger naar de onontgonnen wereld. De twee pakken hun roerend goed bijeen en beginnen aan de landreis over de uitgestrekte, met weymouthdennen overdekte vlakten, via de donkere beukenwouden van Ohio, door de opener eikenbossen van het Middenwesten, helemaal naar de nederzetting bij Fort Des Moines in de nieuwe staat Iowa, waar de overheid land dat nog maar gisteren werd verkaveld weggeeft aan eenieder die het bewerken wil. Hun naaste buren wonen twee mijl verderop. Dat eerste jaar beploegen en beplanten ze zo’n vijftig acres. Mais, aardappelen en bonen. Ze werken bikkelhard, maar voor zichzelf. Beter dan marineschepen bouwen voor welk natie dan ook.
Dan volgt de prairiewinter. De kou knaagt aan hun levenswil. In de blokhut vol kieren daalt hun bloed ’s nachts naar het nulpunt. Elke morgen moeten ze een wak slaan in de waskom om ten minste hun gezicht af te spoelen. Maar ze zijn jong, vrij en gedreven – de enige stutten van hun eigen bestaan. De winter krijgt hen er niet onder. Nog niet. De zwartste wanhoop in hun hart wordt samengeperst tot diamant.
Wanneer het opnieuw tijd is om te planten, is Vi in verwachting. Hoel drukt zijn oor tegen haar buik. Ze moet lachen om zijn van ontzag vertrokken gezicht. ‘Wat zegt het?’
Hij antwoordt in zijn hoekige, bonkige Engels. ‘Voed me!’
In mei dat jaar ontdekt Hoel zes kastanjes in een zak van de kiel die hij droeg op de dag dat hij zijn vrouw ten huwelijk vroeg. Hij duwt ze in de aarde van West-Iowa, op de boomloze prairie rond de blokhut. De boerderij is honderden mijlen verwijderd van de natuurlijke habitat van de kastanje en duizend mijl van de kastanjefestijnen van Prospect Hill. Met elke maand die verstrijkt, kost het Hoel meer moeite ze zich voor de geest te halen, die groene wouden in het oosten.
Maar dit is Amerika, waar mens en boom de wonderbaarlijkste omzwervingen maken. Hoel plant, begiet en denkt: Op een dag zullen mijn kinderen aan de stammen schudden en gratis kunnen eten.

 

© 2018 Richard Powers
© 2018 Nederlandse vertaling Jelle Noorman

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum